Mode moet (8)

Kan oorlog op een bepaald moment in de mode raken? Alles kan op een bepaald moment modieus worden, maar het voeren van oorlog is genoeglijk. Hoe lager de instincten waaraan wordt geappelleerd, hoe makkelijker iets mode wordt. Neuken is daarom altijd in de mode, maar oorlog met zijn heerlijke verkrachtingen, zijn verrukkelijke roofpartijen, zijn zalige moorden en zijn snoeperige jacht- en kloppartijen, zal eveneens nooit uit de mode raken.

Mijn videotheek heeft een afdeling ‘filmhuis’. Dat zijn, zeg maar, de intellectuele films. Daartegenover staat de rubriek 'porno’. De verhuurverhouding is 1: 300! Ik heb nog met menig bekend onderwereldfiguur in de schoolbanken gezeten en uit dien hoofde ken ik er nog een paar. Zonder uitzondering vertellen ze mij dat de seksindustrie nog steeds betere en meer verdiensten opbrengt dan de harde en zachte roesmiddelen.
Wat een beschaafde maatschappij goed doorheeft, is dat je altijd liefde, oorlog, eetlust en dergelijke op een bepaald niveau moet handhaven om te blijven voortbestaan. Weghalen leidt tot rampen, dus je moet het op een ander niveau toestaan. En ook: voer je echt oorlog, dan ga je dood. Doe je een videogame, dan blijf je leven en kun je hetzelfde oorlogs-'gevoel’ genereren.
Beschaving is het vinden van ander gedrag (of, voor mijn part, 'metaforen’) voor in wezen dezelfde banale handelingen als oorlog voeren en de liefde bedrijven, roven, verkrachten en macht uitoefenen. Hoe meer metaforen men daarvoor heeft, hoe beschaafder men is. Alles doen zonder elkaar te storen, dat is beschaving. Daarom kijken we naar soaps en porno en doen we spelletjes. Hoe 'echter’ het spelletje, hoe populairder. All You Need Is Love gaat over echte mensen, met echte gevoelens, die elkaar willen hebben, daar strijd voor willen voeren en daarvan blijk willen geven. En niet zomaar, maar in de vorm van een spelletje of een televisieproduktie.
Mijn dochter speelde toen ze zeven was een lief spelletje. Ze moest midden in een kring staan met haar ogen dicht en een arm met een wijsvinger uitgestoken. Om haar heen een kring van kindertjes. Die zongen. 'Een, twee, drie, vier, vijf, zes, ze-e-ven, wie moet ik een zoentje ge-e-ven?’ Wie mijn dochter, die met dichte ogen had rondgelopen, aanwees, die moest ze een kusje geven. Mijn dochter is nu twaalf en speelt ditzelfde spelletje, maar nu met een andere, puberale intentie: het is spannender, en het gaat al bijna over echte liefde. Ze zal het straks spelen als ze zestien of zeventien is. De kring is dan abstracter, de uitgstrekte arm een blozend hoofd, de wijsvinger een dansje of een drankje.
En zo zijn we vanzelf weer terug bij de generalisaties die zichzelf altijd, per definitie, op den duur opblazen. Het spelletje wordt realiteit, de realiteit wordt een spel. Maar dat spel wordt ook weer echt. De videogame wil men ook wel eens 'in het echt’ zien. Oorlogsfilms worden realiteit - en blijken dan niet zo leuk - en vervolgens gaat men weer zoeken naar de verbeelding van die realiteit.
Soms gebeuren er dan vreemde dingen. Op een gegeven moment, in een sentimentele bui, waarschijnlijk had het iets te maken met 'schuldgevoel’, wilden mijn ouders naar het monument voor de Japanse krijgsgevangenen in Den Haag. Het is het walgelijkste beeld dat ik ken. Niet een heel klein beetje lelijk, nee: zeer lelijk en vals! Je ziet mensen in het prikkeldraad hangen en meer van dat soort fijnzinnigheden die niets met beeldhouwen van doen hebben.
Mijn ouders vonden het mooi.
'Waarom?’ vroeg ik. 'Lagen er bij jullie mensen op die manier over het prikkeldraad?’
'Nee, maar het beeld lijkt tenminste ergens op, je kunt onmiddellijk zien wat het voorstelt. Dat kan je bij dat monument voor Ravensbruck op het Museumplein niet zien.’
Mijn ouders en hun kind veegden toen de tranen uit hun ogen.