Model bosnie

OP DE EERSTE dag van de Navo-bombardementen zei Lejla dat ze met chips en cola op de bank voor de televisie ging zitten. Kijken hoe die Serviërs eindelijk kregen wat ze verdienden. Nihad, een jonge filmmaker, kreeg zijn vriend uit Pristina aan de telefoon en legde hem ongeduldig uit hoe je de verdediging van een stad moet organiseren. Het opinieblad Dani had op het omslag een zojuist gelanceerde kruisraket, met daar overheen de van een omstreden Servische oorlogsfilm geleende kop: Mooie dorpen branden mooi!

Heel even was het bijna feest in Sarajevo. Bijna heerste er een triomfantelijke stemming. Niet dat heel Servië meteen tegen de vlakte hoefde, maar met dat leger had in elk geval niemand medelijden. En over de paniek in Belgrado werd lacherig gedaan: van een paar nachten in de kelder gaan ze toch niet dood? Twee dagen later was de ernst terug. Lejla, in het dagelijks leven productieassistente bij een theaterfestival, liep huizen te zoeken voor vluchtelingen, waarvan er dat eerste weekend al tweeduizend in Sarajevo arriveerden. Nihad was ongerust. De telefoon in Pristina ging wel over, maar er nam niemand op. En Senad Pecanin, de hoofdredacteur van Dani, broedde op zijn volgende commentaar: wat gebeurt er als Kosovo onafhankelijk wordt? Slaat de oorlog dan over naar de buren, inclusief Bosnië? Mijn reis van drie weken langs Tuzla, Mostar en Sarajevo zat er bijna op. Ik keek goed naar mijn Bosnische vrienden. Vier jaar geleden lagen ze zelf nog onder vuur, en in die zin hebben ze een voorsprong op Kosovo. Wat daar nu gebeurt hebben zij achter zich. Vandaar dat ze op de eerste dag van de bombardementen de distantie opbrachten om de oorlog te behandelen als amusement, lesmateriaal of satire. Maar even later kwamen de herinneringen terug. En met de beelden van uitgebrande boerderijen ook de trauma’s. De angst dat het nooit helemaal voorbij zal zijn. Ik verliet Bosnië, net als na mijn eerdere bezoeken, met gemengde gevoelens. Misschien wordt het opnieuw oorlog. Maar misschien ook niet en is hier toch een samenleving bezig om op te krabbelen, zwaar vermoeid en met een reusachtige krachtsinspanning. Een nieuw, nog onbekend soort samenleving: een staat die zichzelf uitvindt en die misschien voor Kosovo, als het dit moment overleeft, model kan staan. Het is een krankzinnige opgave om de nieuwe republiek Bosnië-Herzegovina uit te vinden. Om te beginnen staan de bergen in de weg. Het land ligt vol met ruwe, massieve, nauwelijks begaanbare bergen. Steile, vaak zwaar beboste hellingen met geschiedenis. Ze vergroten alle afstanden in het land: die tussen de steden onderling, maar ook die tussen de bergbewoners en de stadsbewoners, tussen de traditionele dorpscultuur en de harde contrasten van het stedelijk leven. Het zijn afstanden zoals wij ze hier in de polder niet kennen. Ze halen de samenhang uit het land en maken de verbindingen moeilijk. Zeker wanneer de bruggen zijn weggeslagen, zoals dat kan gebeuren in winter of oorlog. Toch ligt er sinds november 1995 ook over de bergen het raster van Dayton: een schema van landsgrenzen en constitutionele bepalingen, dat nu langzaam van letter naar werkelijkheid moet groeien. Het is een ingewikkeld schema. De Serviërs hebben hun eigen republiekje, met een aparte status, en de Kroaten en moslims vormen samen een ongemakkelijke, uit kantons samengestelde federatie. Veel mensen geloven dat Dayton gaat falen en in Bosnië komen sombere verwachtingen meestal uit. En toch: tot nu toe heeft deze van buitenaf opgelegde, door SFOR bewaakte vorm van verplichte democratie standgehouden. Het land bestaat nog, er worden verkiezingen gehouden en wetten aangenomen, altijd onder internationaal toezicht, en het is nog steeds niet helemaal uitgesloten dat de nieuwe structuur zich nestelt in het bewustzijn van de boeren, de soldaten, de criminelen, de politici en de stadsbewoners. Intussen is er, binnen dit onzekere schema, een zichtbaar herstel gaande. Tegen de berghellingen, waar geen gehucht onbeschadigd uit de oorlog kwam, bouwen verhuisde of teruggekeerde vluchtelingen nieuwe huizen, met geld vanuit Saoedi-Arabië of gewoon van de Nederlandse ambassade. Zelfs de ruïnes aan de oude frontlinies betrekken ze, waar zwaar gevochten is en het nu nog met mijnen bezaaid ligt. Als ze willen zien of een stuk land bewoonbaar is steken ze het gras in brand en wachten de ontploffingen af. En in de steden staan overal steigers. In Sarajevo zijn eerst de granaatinslagen weggewerkt: dichtgeplamuurd of juist tot ronde gaten uitgehakt, in elk geval niet meer herkenbaar. Het is een collectief instinct om huizen en straten te ontdoen van de schaamte. En daarmee keert ook Sarajevo terug aan de oppervlakte waar de andere hoofdsteden van nieuwe democratieën zich al bevinden. Er rijden blauw-met-gele lijnbussen, een geschenk uit Japan. De verkeersborden met kogelgaten zijn vervangen door nieuwe. Het is al bijna een gewone stad. Na het late avondjournaal melden op de lokale televisie elke dag een politieagent, een arts en een brandweerman de feiten van de dag. De agent had vandaag één vechtpartij op straat. De arts meldt een hoger aantal gebroken neuzen dan gemiddeld. En de brandweerman is bezig geweest met twee mensen die vastzaten in een lift. Triester is het verhaal dat vorige week drie passanten om het leven zijn gekomen doordat er bakstenen uit de lucht vielen, losgeraakt van gevels die niet tijdig in de steigers waren gezet. Het is een schandaal geworden: dat men hier wel de granaten kan overleven, maar niet de reconstructie… EVEN VROEG ik me af, na twee jaar afwezigheid, of het land gewoon verder zou gaan waar het stil was blijven staan toen de oorlog uitbrak. Maar zo simpel is het natuurlijk niet. Dit is niet de zoveelste nieuwe staat op weg van communisme naar de markt, en de oorlog is meer geweest dan een witregel. In Bosnië lopen oeroud en gloednieuw dwars door elkaar, en vooral in de steden is dat goed zichtbaar. De oeroude, half dorpse atmosfeer van de islamitische cultuur uit de eeuwen van de Turkse overheersing; het ontspannen socialisme van Tito, waarvan de hoogbouw nu onhandig en lomp in de weg staat; de oorlog, die van Sarajevo een spookstad maakte en tegelijk het centrum van de wereld; en het nieuwe straatbeeld, een mengeling van bouwsteigers en een ijselijk platte consumptiemarkt. Van die vier lagen waaruit Bosnië is opgebouwd, de islam, het socialisme, de oorlog en het nieuwe kapitalisme zijn de tekens overal te lezen. Het eerst zijn de moskeeën opgeknapt. Na de systematische verwoesting nu de systematische reconstructie. Door het hele land staan de slanke, hoge minaretten. Overal waar de SDA van Izetbegovic domineert, althans. De rol van de islam in deze maatschappij is nog geen uitgemaakte zaak: een staatsdoctrine is het nog niet. De hoofddoekjes nemen niet in aantal toe. Het drankgebruik neemt niet af. Maar de atmosfeer van de godsdienst breidt zich onder druk van de SDA wel uit. En mensen zijn er vatbaar voor: ze vertonen een instinctieve hang naar de vertrouwdheid, de rokerige samenhang, de pre-industriële intimiteit van een oude, rond de moskee gegroepeerde samenleving. Misschien niet eens vanwege het geloof, maar vanwege de zintuiglijkheid, de herkenbare en tastbare patronen in de persoonlijke omgang en het dagelijks leven. Toen ik aan de voet van de oude brug in Mostar stond, de afwezige brug, onder het fameuze avondlicht en omringd door de ruïnes, toen begreep ik die hang. Er ging opeens iets heel geruststellends uit van de drie, vier muezzins die via de luidsprekers aan hun minaretten, verspreid over het oostelijk deel van de stad, de gelovigen opriepen tot gebed. Zelfs al waren het maar cassettebandjes die ik hoorde. HET COMMUNISME HEEFT vooral vale flatgebouwen, bijgekleurde herinneringen en een stijl van pompeus openbaar gedrag nagelaten. De grappen over Tito zijn mild, bijna liefkozend van toon. Steeds meer mensen hangen op zolder gevonden portretten van hem aan de muur, en daar speelt een fijnzinnige ironie in mee. Problematischer is de juridische erfenis van zijn Joegoslavische socialisme, waarin huizen, industrie en handel collectief bezit waren, van iedereen tegelijk en dus van niemand. In Bosnië zijn veel gebouwen kapot. Om de overgebleven huizen, kantoren en winkels wordt gevochten door de mensen die de oorlog in hun eigen woonplaats hebben doorstaan en nu het morele gelijk bezitten maar geen geld, de vluchtelingen uit andere delen van het land, die het recht van het slachtoffer opeisen, en de terugkomers uit het buitenland, met spaargeld maar zonder recht van spreken. De achterliggende vragen zijn fundamenteel. Van wie, bijvoorbeeld, is de stad eigenlijk? Van wie is een huis in Tuzla dat ooit onder Tito is toegewezen aan een arts die tijdens de oorlog naar Canada vluchtte, nu terug wil komen, maar een boerenfamilie in zijn kamers vindt, die zelf bij hun vlucht uit de Republika Srpska moesten tekenen voor het afstaan van al hun bezit? Tot welke autoriteit moeten ze zich wenden, in een land dat pas een paar jaar bestaat, waar het socialistische eigendomsrecht niet meer geldt maar ook nog niet vervangen is? Een land bovendien dat sinds Dayton een door buitenlanders opgelegde bestuurlijke verdeling kent tussen stad, kanton en federatie, waartussen de bevoegdheden nog voor ze goed zijn vastgelegd alweer worden doorkruist door de hoogoplopende spanning van de laatste weken? En dus praat iedereen over privatisering. Niemand weet hoe het moet, maar daar moet de oplossing liggen. Visioenen van particulier bezit, geld op de bank en het initiatief in eigen hand. Langs de wegen, tot in de hoogste bergen, staan overal grote billboards met een vraagteken en de oproep hier een advertentie te plaatsen. De reclameborden staan er al, maar er is nog geen reclame. Want van een markt is nog nauwelijks sprake. De economie is een mix van kunstmatige valuta, buitenlandse donaties en zwarte handel. Daarom maakt het winkelcentrum van Sarajevo nu dezelfde rommelige, geldbeluste indruk als de centra van andere hoofdsteden van nieuwe democratieën: Sofia, Bratislava, Zagreb. Het is een uitzaaiing van consumptie, van namaak-Italiaanse jurkjes, sportschoenen, sieraden en cosmetica. Tegen de wankele gevels van boetiekjes zijn glimmende panelen geplakt. Sarajevo dreigt hier een opgemaakte stad te worden, een cosmetica-stad. Een oppervlaktecultuur met een waarschijnlijk diep verstoord idee over houdbaarheid, over de levensduur, het voortbestaan van dingen. Het herstel van de stad komt voort uit de trots, de weigering definitief door de knieën te gaan, die ik hier altijd mooi heb gevonden. Maar de stijl die ze ervoor kiezen heeft ook een nonchalance, een wegwerpkwaliteit die grenst aan zelfverachting. EN DAARIN wreekt zich de oorlog. Want de oorlog heeft niet alleen mensen gedood, huizen uitgebrand en een gestage homogenisering van de bevolking in gang gezet, waarvan het einde nog niet in zicht is. Het resultaat is ook een algemene verstoring van de psychologie. En daarom kan aan het rijtje islam, communisme en kapitalisme nog niet het woord democratie worden toegevoegd. Want om zo ver te komen ontbreken er nu nog een paar wezenlijke eigenschappen. De concentratie, bijvoorbeeld, ontbreekt. Bosnië is een ongeconcentreerd land. De gesprekken gaan op de toon van het café: met halve aandacht, snel afgeleid, halve antwoorden op halve vragen. Flitsen van inzicht verwaaien, de volgende grap zeilt voorbij en daarna weer de diepe zucht van iemand die zich tot tranen toe verveelt. Het vermogen om stil te staan en na te denken ontbreekt. Ik bezocht twee theatervoorstellingen: het publiek was jong en rumoerig, bereid te lachen en beleefd genoeg voor een kort applaus, maar de foyer na afloop liep in twee minuten leeg. In de literatuur, schijnt het, is het een seizoen van korte verhalen. Geen romans, geen werk van langere adem. Het heeft iets schichtigs: een onwil om de dingen onder ogen te zien. En ergens onderweg vroeg ik me plotseling af: als dit gebrek aan concentratie geldt in de huiskamers, de cultuur en de media, geldt het dan niet ook in de politiek? Zou daar niet ook, tot in de hoogste regionen, een vorm van aandacht heersen die tot weinig anders in staat is dan van de ene dag in de andere te tuimelen? Concentratieverlies is geen gunstige eigenschap voor een bestuurder in een ontwrichte samenleving. Ook een andere vereiste voor democratie, verantwoordelijkheidsgevoel, is schaars. Het kost veel mensen moeite langdurige verplichtingen aan te gaan. Socialisme moedigde ze al niet aan tot het nemen van eigen initiatief, en de oorlog nog minder. Hoe moeten mensen plannen maken en ze ook daadwerkelijk stap voor stap uitvoeren, als ze niet anders weten dan dat alles je de volgende dag weer uit handen kan worden geslagen? En het respect voor de integriteit, de rechten en het bezit van de ander is natuurlijk volledig onklaar gemaakt. De demonisering van de andere partij heeft zijn werk gedaan. Het is een effectief mechaniek gebleken en het werkt aanstekelijk. Toen ik op een middag door de Republika Srpska reed, met de auto door de verpauperde centra van Zvornik en Bijeljina, steden waar in 1992 de etnische schoonmaak begon, keek ik naar de mannen langs de weg en dacht: dat zijn ze. Mannen met stoppels, leren jasjes en niets te doen. Zo staan ze overal in Bosnië langs de weg, maar hier vertrouwde ik ze niet. En dat is precies waarom mensen nog steeds wegtrekken uit buurten en steden waar ze nu tot de etnische minderheid horen. De absurde stad Mostar spant de kroon: een Berlijn zonder muur. Mensen bezoeken de andere kant, de overkant van de rivier en de frontlinie met de nog altijd zwartgeblakerde muren, hooguit op hun tenen - bang om als moslim of Kroaat herkend te worden. Aan de westkant, waar geen ruïnes staan, hangen verse plakkaten met een simpele slogan die zegt: Nema identiteta bez entiteta - geen identiteit zonder entiteit. De Kroaten van Bosnië willen hun eigen republiekje, aangeschurkt tegen het grote Kroatië. Los van de moslims, de armoede, het slechte geweten en het moraliserende Westen. Er hangt de broeierige sfeer van klein nationalisme, provinciale maffia en de wetenschap dat de politie hier graag loslopende moslims in elkaar slaat. Ik haal opgelucht adem als ik weer aan de rivier sta en de muezzin hoor zingen. Voor een democratie is ook perspectief nodig; de omstandigheden en het vermogen om over een toekomst na te denken. Hier is dat vrijwel onmogelijk. Er bestaat geen enkele overeenstemming over de geschiedenis. Die van vorige eeuwen bestaat uit de over elkaar heen schuivende verhalen van de overheersers en onderdrukten; over de recente oorlog valt niets objectiefs te zeggen, zolang zelfs de duidelijkste misdadigers nog niet terecht hebben gestaan. En zonder een helder geheugen valt er ook niet vooruit te kijken. Het is een werveling van restanten communisme, een politiek getinte islam, oorlogstrauma’s, visioenen van privatisering en snelle welvaart - alles behalve een klaar perspectief. En toch suist er in die werveling ook een belofte rond, de mogelijkheid van iets dat nu nog niet bestaat. Stefan Hertmans had het na een bezoek aan Bratislava over leven in een experimentele moraal. Leven in een wereld van het onbesliste. En zijn opwinding daarover, een buitenstaandersopwinding die grenst aan afschuw en wanhoop, voel ik hier ook. Het is een overtuiging die eigenlijk onuitgesproken moet blijven: dat er uit de botsing van zo veel ongelijksoortige elementen, in een ideologieloos vacuüm, toch iets vrij zou moeten komen dat de naam van een nieuw land verdient. WANT BOSNIE heeft ook goede eigenschappen. Kwaliteiten die als basis kunnen dienen voor een samenleving die zichzelf aan het uitvinden is. Het is een prachtig land, en dat is niet zonder betekenis. Ook al zijn de bossen er schuldig en hebben de bergen te veel slachtoffers gevraagd, de schoonheid is intact. Bij zonsondergang is de oude brug in Mostar, zelfs in haar afwezigheid, nog altijd betoverend. De oude wijken op de hellingen boven Sarajevo, met rond elke buurtmoskee een klein kerkhof, hebben in de schemering een rustieke aantrekkingskracht. Er gaat van alle licht, steen en water soms een kalmte uit, die kan bijdragen aan het zelfvertrouwen van de bewoners. Dat zelfvertrouwen rust, althans bij de moslims, sinds de oorlog op een moreel gelijk. Een discutabel gelijk, hoe dan ook met pijn en beschadigingen verweven, maar ik geloof dat het voelbaar is in de omgang, in de toon van spreken. Ze hebben de aanval afgeslagen en de oorlog overleefd. Ze zijn door de buitenwereld aangewezen als de partij die hulp en compensatie verdient. En ze hoeven niet, zoals de Serviërs, een ideologie van het verlies te cultiveren. Er is, ten slotte, mede door de oorlog een actieve, bijna buitenproportionele cultuur van openbaarheid ontstaan. In de oorlog was de noodzaak het verhaal naar buiten te brengen zo groot dat er een wildgroei aan media ontstond. Op dat moment golden er vrijwel geen wettelijke beperkingen voor. Mensen vonden de krant, de radio en de televisie zelf uit. En ook nu bestaat er geen systematische censuur, zelfs vanuit de SDA niet. Dus lopen er publieke debatten over van alles, vaak doorspekt met laster en banale polemieken, maar ze lopen. Het is een publiek domein met vertakkingen tot in Srpska en Herzeg-Bosna, een schokkerig soort vrijheid van meningsuiting die het schema van Dayton langzaam vult. MAAR OF DIT alles ook werkelijk leidt tot een nieuw soort samenleving hangt af van drie groepen mensen: de vluchtelingen, de criminelen en de buitenlanders. De vluchtelingen, vaak uit hun dorpen verjaagde boerenfamilies, zoeken inmiddels hun onderdak in andere dorpen of in de steden. Ze hebben bittere ervaringen achter de rug. De oorlog heeft ze nog geloviger gemaakt, ze stemmen trouw op Izetbegovic. De afstand tot de stedelijke cultuur is onverminderd groot. Als ik de postmoderne, levensgenietende, grappenmakende en tamelijk zelfingenomen stadsmensen van mijn generatie spreek, dan begrijp ik dat ze nauwelijks meer dan de automatische beleefdheid voor de vluchtelingen kunnen opbrengen. Van echte belangstelling over en weer is geen sprake. Het is een interne kloof die de opbouw van het nieuwe Bosnië zou kunnen verhinderen. De criminelen zijn nog niet aan de macht, zoals elders in Oost-Europa. Maar ook hier is een nieuwe maffia in de maak, onder de ogen van de overheid. Vaak zijn het de jonge oorlogsveteranen die, werkloos en zonder uitkering, kiezen voor de zwarte handel in drugs, auto’s en elektronica. Het is moeilijk ze aan te pakken: zij hebben tenslotte hun leven gewaagd om Bosnië te verdedigen. Maar alles staat of valt met de buitenlanders. De paradox van Bosnië is dat het isolement van de oorlog uiteindelijk leidde tot een scala aan internationale contacten waar geen andere nieuwe democratie aan kan tippen. En nu zitten ze overal. De buitenlanders vormen bijna een vierde entiteit: een tamelijk gesloten gemeenschap die op Bosnië is neergedaald en zichtbaar aanwezig is, maar nauwelijks mengt. Als olie op water. Ze zorgen voor de reconstructie, heropenen de ziekenhuizen en zetten de psychische hulp aan oorlogsslachtoffers op. Ze adviseren de overheid bij de nieuwe wetgeving, het invoeren van de privatisering, het organiseren van verkiezingen. Ze vormen de belangrijkste werkgever van het land: alleen in dienst van de buitenlanders valt er een salaris van meer dan vijfhonderd Duitse mark te verdienen. En ze houden natuurlijk het land veilig. Zonder de soldaten van SFOR zou de oorlog meteen weer beginnen, dat zegt iedereen. En toch worden ze meestal niet met warmte besproken. Ze worden gedoogd, een ander woord is er niet voor, hoeveel goeds ze ook brengen. Het verwijt dat de wereld te laat is komen opdagen, werkt nog altijd door. En nu ze er zijn binden ze zich niet aan het land. Ze leggen een andere orde van denken en werken op, houden er zo hun eigen interpretaties van landsaard en de oorlog op na, en verdwijnen weer als hun contract is uitgediend. Ik heb vaak gezien hoe de jonge Bosniërs, met die typische mengeling van bravoure, eigendunk en beperkt maar vlot Engels, de buitenlanders tegemoet treden. Ze zijn gewend aan die blik van buiten, die hen de keuze laat tussen de slachtofferrol of juist die van de bewonderde overlevingskunstenaar. En aan de vragen van die buitenlanders, zoals ik altijd passanten, leveren ze zich routineus uit, een tikje ijdel, een tikje ironisch. ALS DIE KOKETTERIE, het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel en het concentratieverlies het contact met de buitenlanders definitief zou verstoren, dan treedt het syndroom van de Winterspelen in werking. Want ook in 1984 streek de internationale gemeenschap al op Sarajevo neer, en toen bleef er niets van alle nieuwe contacten over. Nadat de medailles waren verdeeld vertrok iedereen weer en viel Sarajevo terug tot wat het al jaren was: een volgzame, min of meer welvarende provinciehoofdstad. Het gevaar dat Bosnië nu weer in de val loopt van het provincialisme, van het kleine denken, de lokale twisten en de blik naar binnen is absoluut aanwezig. Nu al merk je dat de wereld zich terugtrekt, de aandacht weer verplaatst, dat de hulporganisaties die op het oorlogsleed afkwamen hun bijdragen afbouwen. En tegelijk dreigt er in de media en in de politiek inderdaad een fixatie op de eigen kwesties. De contacten met de buitenwereld hebben lang niet overal meer het vuur van de eerste dagen. Als die contacten verloren gaan blijft er een kwetsbaar land over, instabiel en zonder structurele partners. Maar zo ver is het nog niet. De buitenlanders zijn er nog, de cultuur van openbaarheid leeft, het morele gelijk is intact, de sociale en culturele werveling is nog niet uitgeraasd. Misschien is het alleen maar dat ik wil dat de optelsom gunstig uitpakt, hoeveel obstakels er ook zijn; maar diezelfde wil voelde ik onderweg soms ook op straat, in sommige cafés en huiskamers. Er is nog steeds een nieuw soort Bosnië mogelijk, een samenleving die misschien zelfs model zou kunnen staan voor de toekomst van Kosovo - hoe onwaarschijnlijk dat ook klinkt op het moment dat daar zelfs de volgende dag een fictie lijkt.