Modelkarbonade

Houbensteyn Groep mag dan Nederlands enige varkenshouder-van-de-toekomst zijn, op last van de regering ligt ook dit bedrijf plat. En als het aan de Dierenbescherming ligt, gaat het na de pest ook niet meer open: ‘We kunnen maar beter de weg van Denemarken inslaan.’
IJSSELSTEYN - De parkeerplaats is leeg en in het fietsenrek staat één fiets. Er hangt een spookachtige sereniteit over Porkhof. De woorden van Erik Houben galmen door de betegelde zalen. De lege vleeshaken, de glanzende ‘verbloedingsgeul’, de koelruimte die nog wel koel is maar ongevuld - voor hem begint het angstwekkend op een museum te lijken. ‘Wat hier gebeurt, is een ramp. We hebben bijna al onze vijfendertig werkenemers moeten ontslaan. Wekelijks slachtten we vierduizend varkens - dat lijkt nu wel geschiedenis. Hier wordt geld weggegooid, al zeven weken lang.’

Een van de overgebleven werknemers, in overall en met helm op alsof er niets is gebeurd, wijst op een van de lopende banden. De kunststof vertoont tekenen van uitdroging, zegt hij. Houben zucht. ‘Ook dat nog. Die lopende banden hebben in geen tien jaar stilgestaan en waren altijd bevochtigd. Die pest zorgt voor een algehele ontregeling.’ Gelukkig heeft hij voor de meeste van zijn werknemers iets kunnen regelen met het ministerie van Landbouw. 'Daar assisteren ze nu bij de bestrijding van de varkenspest, bijvoorbeeld door varkens naar de executiewagens te drijven. Als de pest over is, zijn ze daar niet meer nodig en kunnen ze direct weer bij ons aan de slag.’
Porkhof ligt aan de IJsselsteynse weg, een kaarsrechte strook asfalt die als een barbecue-pen door het plaatsje IJsselsteyn spiest. Maar meer nog dan het dorp worden de bezittingen van de familie Houben door de weg ontsloten. Kilometers lang voert de weg langs de stallencomplexen van Houbensteyn Groep, het familiebedrijf van de Houbens, waarin in totaal ruim veertigduizend varkens en biggen vertoeven. Erik Houben, bedrijfsleider van Houbensteyn Groep, heeft evenveel met de traditionele varkenshouder gemeen als het biovarken met het wilde zwijn. Pas dertig jaar is hij, en hij is gepromoveerd bij de Wageningse hoogleraar Dijkhuizen op 'optimalisatietechnieken’. Zijn opleiding komt hem van pas: Houbensteyn is doortrokken van optimalisatie.
Normaal schudden de wegen onder de wielen van het varkenstransport. IJsselsteyn ligt in het 'dichtstbevarkte’ gebied van Nederland, de Peel, en valt dan ook onder het rampgebied van de varkenspest. Het transportverbod heeft de wegen ontvolkt. Tweehonderd varkensboeren hebben op last van het ministerie van Landbouw hun stallen laten leeghalen, omdat er pest was aangetroffen of uit preventieve overwegingen. Minister Van Aartsen liet zich onlangs ontvallen dat de pest nog tot september zal voortwoeden. Betrokkenen weten dat dat een slag in de lucht is. De varkenspest is zo besmettelijk dat wetenschappers er nog steeds niet over uit zijn hoe het zich verplaatst. Zelfs de wind kan voertuig zijn van het virus.
Houbensteyn wilde een 'grenscorrectie’ van het ministerie, zodat het slachthuis buiten de gevarenzone kwam te liggen en de slacht gewoon doorgang kon vinden. Het is er niet van gekomen. Houben: 'Cruciaal in de uitbreiding van de varkenspest is de verplaatsing van varkens, bijvoorbeeld van stal naar slachthuis. Zo wordt het virus verplaatst. Maar Porkhof ligt zo'n beetje tegenover onze stallen. Onze varkens hoeven maar enkele honderden meters vervoerd te worden. Daarbij is het een gesloten circuit, zodat besmetting uitgesloten is.’
In zekere zin is het merkwaardig dat Houbensteyn zijn grenscorrectie niet heeft gekregen, want het bedrijf voldoet als enige in Nederland aan de verreisten voor het Bedrijf van de Toekomst zoals Van Aartsen dat heeft geschetst in zijn recentelijk verschenen nota Kraamkamer of Denemarken. Hierin pleit de bewindsman voor grotere bedrijven die de 'gesloten-ketenbenadering’ volgen. Om epidemieën als die van nu tegen te gaan, moet het aantal bedrijven teruglopen en moeten de resterende boerderijen uitgroeien tot mega-bedrijven die alle stadia van de varkenshouderij omvatten, zoals de opfok van moederdieren, de biggenproduktie en het vetmesten van de biggen. Het enige transport voert de dieren naar de stroomstoot van 40.000 volt in het slachthuis. Al met al een benadering die de minister rechtstreeks ontleend lijkt te hebben aan Houbensteyn, waar het bedrijfsmotto luidt 'Van zaadje tot karbonaadje’.
HET WAS duidelijk dat de varkenspest een herbezinning op de toekomst van de varkenshouderij noodzakelijk maakte. De epidemie van 1984 was nog redelijk gemakkelijk te onderdrukken, maar sinds het verbod twee jaar later van de Europese Gemeenschap om dieren tegen varkenspest te vaccineren moet de oplossing worden gezocht in organisatie en bedrijfsvoering. En het moet gezegd, de Nederlandse varkenshouderij lijkt wel opgezet om het virus vrij reizen te garanderen. De varkens van tegenwoordig hebben een minimale weerstand en de stallen zijn, door het drukke transport van allerhande facilitaire diensten, op elkaar aangesloten als communicerende vaten. Reden waarom de natuurbeweging en de Dierenbescherming een lans braken om nu eindelijk eens de schaalvergroting te verlaten. Reden ook voor dierenvrienden om de minister aan diens uitspraken te herinneren dat er geen muziek meer zou zitten in bulkproduktie.
Maar Van Aartsen is van deze gedachte teruggekomen. Sterker, hij wil nog een stap verder met schaalvergroten. 'Volkomen terecht’, stelt Houbensteyn vast. 'Nederland loopt voorop. De varkenssector is een schitterende bedrijfstak, waarin ontzettend veel kennis en techniek zit. Maar als Nederland voorop wil blijven lopen, moet het leren van zijn voorsprong. We moeten erkennen dat de varkenssector kwetsbaar is voor ziekten. Dat heeft mijn vader (het Limburgse statenlid Houben - lp), die het bedrijf begin jaren zestig hier oprichtte, al vroeg ontdekt. Nadat hij een aantal keren was “geruimd” in verband met dierziekten, besloot hij alles zelf in de hand te houden. Dat begint al bij de fok. We hebben zelf achttien beren, die elk honderdduizend nakomelingen per jaar hebben. Het verdunnen van sperma en het insemineren van de zeugen doen we zelf, op ons eigen KI-station. Scheelt vervoer, dus reduceert besmettingsrisico. Hetzelfde verhaal voor het voedsel. Produceren we zelf. We hebben een eigen brijkeuken, waar we nat voedsel produceren, en een eigen mengvoederfabriek. Vooral de vrachtwagens van voederfabrikanten, die tientallen boerderijen per dag aandoen, zijn echte besmetters. Dat gevaar bestaat dus niet bij ons.’
Wat ook meespeelt, aldus Houben, is dat mengvoederfabrikanten nogal inhalige ondernemers zijn die hun monopoliepositie uitbundig benutten.
Alles in eigen handen. Vrachtwagens met 'Houbensteyn’ erop, een eigen onderhoudsdienst. In totaal heeft Houbensteyn bijna negentig werknemers. Welke varkenshouder zou niet 'van zaadje tot karbonaadje’ willen gaan? Het is alleen voor de allergrootste weggelegd, geeft Houben toe; een gemiddelde boer kan onmogelijk zijn eigen voeder gaan fabriceren of slachterij toevoegen.
Maar deze in epidemiologisch opzicht ideale kenmerken brengt het bedrijf in deze crisistijd nochtans geen voordeel. Houbensteyn bevindt zich in een staat van beleg. Nergens mogen we het terrein op, overal versperren roodwitte linten de doorgang. De stallen met de fokzeugen, de voederfabrieken, de enorme vleesvarkensstallen, geflankeerd door feestelijke, hagelwitte tenten waarin opgroeiende varkenspeuters huizen. Geluk bij een ongeluk voor Houben is dat zijn stallen door stroken land van elkaar zijn gescheiden, want vervangende stalruimte mag alleen pal naast de stal en nergens anders.
ROB NIEMAN van de Dierenbescherming kent Houbensteyn en spreekt er uitsluitend over met een rilling van afschuw in zijn stem. 'Een schoolvoorbeeld van de varkensfabrieken zoals Van Aartsen die voorstaat, ja.’ De varkensstapel moet volgens Nieman zeker met dertig procent kleiner. 'Het systeem van de bio-industrie is volkomen doorgeschoten. Weerbaarheid is een belangrijk kenmerk van ieder gezond stelsel en de weerbaarheid van de bio-industrie, dat is de afgelopen maanden wel gebleken, is nihil.’
De oplossing van de minister, of zoals Nieman het noemt 'de vlucht voorwaarts naar schaalvergroting’, gevoegd bij de preventieve slacht deze week van zeventigduizend biggen en Van Aartsens reactie op de publiciteit hierover heeft de kloof tussen dierenvrienden en 'de sector’ danig vergroot. Van Aartsen wilde journalisten verbieden aanwezig te zijn bij het afmaken van biggetjes, hetgeen wegens te dunne argumentatie door de rechter werd afgewezen. Ook werd bekend dat Van Aartsen de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) haar opsporingsbevoegdheid wil ontnemen. De LID, bestaande uit elf professionals en ongeveer 150 vrijwilligers, is de afgelopen weken buitengewoon kritisch geweest over de wijze waarop de ontplooide vernietigingscapaciteit gepaard gaat met dierenleed.
Nieman: 'Er is zo'n enorme haast en onverschilligheid bij het afmaken van die varkens. Tijdens het transport naar de elektrokutieplaatsen worden ze zo dicht opeengepakt dat er bij aankomst altijd dieren zijn gestikt. Als de zon op die transportwagens staat, komen ze schuimbekkend de wagens uit. Wij horen van chauffeurs dat er na de elektrokutie nog levende dieren tussen zitten, die dan gillend in de verbrandingsovens verdwijnen. Wij zien dit niet als een uitzonderingssituatie. De pest is uitzondering, maar hoe er vervolgens met dierenlevens wordt omgesprongen ligt geheel in de lijn van de bio-industrie. Alles is gericht op optimaal produceren tegen zo laag mogelijke kosten. Nu wordt er niet geproduceerd maar vernietigd.’
De 'varkensfabrieken’ van Van Aartsen zijn alleen maar meer van hetzelfde, meent Nieman. 'Weer wordt er uitsluitend naar de economie gekeken. Het mestprobleem wordt echt niet opgelost door vergroting van de schaalvergroting. Door het samenvoegen van bedrijven zal sneller de hand worden gelicht met milieuregels, want het waren juist de te hoge ammoniak- en stankbelasting die bedrijven dwongen verspreid te opereren. We kunnen beter de weg van Denemarken in slaan, waar de varkensstapel kleiner is en de dieren veel meer welzijn genieten.’
Professor Dijkhuizen, promotor van Erik Houben benevens adviseur van minister Van Aartsen, steekt zijn minachting voor dit soort denken niet onder stoelen of banken. Dijkhuizen: 'De stapel verkleinen? Dan kiezen we voor snijden in eigen vlees, in een van de gezondste plekken van onze economie. Want er is geen overproduktie. Vergeet niet dat Nederland aan een vraag voldoet en dat wij daar jaarlijks zes miljard aan verdienen. Als wij verminderen, gaan ze in Taiwan of Australië meer produceren. En denk maar niet dat het daar zo zachtzinnig toegaat. Ik denk dat je in vergelijking met andere landen helemaal niet zo ontevreden hoeft te zijn over de normen en waarden die hier over het dierenwelzijn opgeld doen.’
Het afmaken van biggetjes heeft emoties opgeroepen, en beslist niet alleen van vegetariërs. Het beweegt vriend en vijand van de bio-industrie tot opvallende redenaties. Christelijke kamerleden zeggen tegen het afmaken van babyvarkentjes te zijn 'omdat we ook tegen euthanasie en abortus provocatus zijn’. Leven is fijn en het recht op leven geldt voor zowel mens als dier, zijn hier de vooronderstellingen.
Dijkhuizen is al even antropocentrisch: 'Ik heb bij die opwinding over de biggetjes veel moeten denken aan de opmerking die je wel eens hoort als ergens oorlog is. Zijn er duizend soldaten gesneuveld, dan is het acceptabel, maar als er kinderen zijn gedood, is dat ineens vreselijk. Het maakt echt geen verschil voor een varken of hij nu na een week of een half jaar sterft.’ Waarmee Dijkhuizen impliciet aangeeft dat als de keuze aan het bio-varken is, dit voor abortus provocatus zou kiezen.
UITEINDELIJK LIGT de beslissing bij de consument, zeggen zowel Nieman als Dijkhuizen. De consument maakt uit of de toekomst is aan de varkensfabriek of aan het scharrelvlees. Dijkhuizen is niet pessimistisch. 'Die varkenspest moet zo snel mogelijk worden uitgeroeid. Dan moeten we haast maken met bedrijfsontwikkeling om de buitenlandse concurrentie voor te blijven en kan de Nederlandse consument weer onbezorgd genieten van een prima stukje vlees.’
Nieman is sceptisch over het ethisch vermogen van de consument. Het blozende karbonaadje in de vitrines nodigt slechts een enkeling uit om in gedachten terug te gaan naar het zaadje. 'Uit een onderzoek dat we hebben laten uitvoeren bleek dat bijna iedereen tegen bio-industrie is. Maar eenmaal in de supermarkt is dat vergeten. Misschien dat die biggetjes op de televisie daar enige verandering in brengen.’
De toekomst van de bio-indstrie hangt dus af van de bereidheid der vleeseters om enig inlevingsvermogen te ontwikkelen. Hoe voelt het om als varken nagenoeg klemvast in je eigen hok op te groeien, het hele halve jaar van je leventje de strontlucht van jezelf op te snuiven en pas het daglicht te aanschouwen als je wordt gehaald voor het slachthuis? Dijkhuizen valt even stil. 'Nee’, zegt hij, 'ik heb daar nooit over zitten peinzen, als je dat bedoelt.’