De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Modemeisjes hebben het vast koud

Ooit zong ze een tijdje in het Engels. Dat was geen goed idee. Niet alleen vanwege haar camping-Engelse uitspraak, maar vooral omdat de Nederlandse taal zangeres Roos Rebergen past als een jas.

Medium muziek

Dat gezegd hebbende: Duits gaat haar ook verdomd goed af, blijkt op haar nieuwe album Kalf. Als ze in het Duits zingt, en dat doet ze in één nummer (het felle Und man liebt so viel), klinkt de kleindochter van Nina Hagen. En meteen daarna zo’n mooie verstilde zin: ‘Mijn dromen zijn over de 18/ Ik hoef geen nieuwe fiets.’

Er zit een prettig soort ironie in de teksten van Rebergen: niet die van het weglachen of de eeuwige distantie, maar van de geamuseerde verbazing. De ironie van Rebergen is die van de twinkelende glimlach, prettig verbaasd over een wereld waarin de ene waanzin wordt omarmd en de andere afgewezen. In Modemeisjes: ‘Waar zijn de modemeisjes heen?/ Waar zijn zij altijd toch naartoe?/ Ondergedoken in Parijs?/ Zijn ze hun voorbeeldfunctie moe?/ Zijn ze verkleed als jij en ik?/ Of zijn ze inmiddels al te dik?’ En vervolgens komt het refrein, opzwepend en standvastig: ‘Geef mij een fakkel waar ik achter kan lopen/ Geef mij het voorbeeld zodat ik weet wat ik moet kopen/ Eerst loopt ze voor gek en daarna haast voor paal/ Maar een klein half jaartje later dragen we het allemaal.’

Soms doet ze denken aan André Manuel, zoals in de manier waarop ze dat refrein inzet; heel even doemt op de achtergrond van die Modemeisjes de klassieker Kraaien van Manuel op, waarin eveneens om een fakkel wordt verzocht. Maar waar Manuel de rauwheid omhelst, daar heeft Roosbeef op Kalf juist hoorbaar gekozen voor het verfijnen van het arrangement.

Prachtig is het gedragen, orkestrale Raak mij aan. Rebergen zingt meer ingehouden en beheerst, ze heeft de hysterie geminimaliseerd, waardoor het nog verrassender werkt als ze dan ineens wél uithaalt, of schmiert – want ook dat kan ze. De dromerigheid past haar ook goed en sluit mooi aan bij de duidelijk hoorbare invloed van Vlaming Tom Pintens, die in het verleden op zijn soloalbums en als live-aanvulling bij het Vlaamse Gorki liet blijken dat hij weet hoe je heel subtiel een nummer zo kunt inkleuren dat het boven zichzelf uitstijgt.

Het knapst, en exemplarisch voor Rebergens volstrekte eigenheid, is We hebben alles. Die zin komt een paar keer langs, ze herhaalt ’m als een mantra. En dan, na een keer of drie: ‘In ons/ Om dit te laten mislukken.’

Het is vintage Roosbeef: ze zingt over het mislukken van een relatie, in de wij-vorm, en ze bezingt het als niet zozeer een tragedie of een opluchting, maar als het zoveelste schouwspel in de grote tragikomedie die leven heet. Het refrein is de troost van de knipoog: ‘Laat ons bidden voor de mensen/ Met een auto met open dak/ Dat het een mooie zomer mag zijn.’


Roosbeef, Kalf


Beeld: Roos Reebergen, Roosbeef (Elisabeth van Lierop)