Jan Baetens e.a., Een ander meervoud

Modern

Jan Baetens, Sjef Houppermans, Arthur Langeveld, Peter Liebregts (red.)Een ander meervoudPeeters, 243 blz., e 24,-

Wat was de journalistiek ooit blij toen het woord «postmodern» als pasmunt in omloop kwam, waren ze meteen van het moeilijke modernisme af. Het gevolg is wel dat ook degenen die zich serieus met de modernen bezighouden – en die zijn er – zich te pas en te onpas met dat loze post-woord moeten meten. Ook de samenstellers van inmiddels twee boeken in een serie die «Modernisme(n) in de Europese letteren» heet, ontkomen daar niet aan. Met de titel van de reader, 1910-1940, die in 2003 onder dezelfde redactie verscheen, werd het onderwerp in de tijd scherp afgebakend. Binnen een Europees kader werd de balans van het modernisme opgemaakt voor elf literaturen, wat de gelegenheid bood verschillen en overeenkomsten te zien. Het meervoud dat nu in de titel van de tweede reader staat, betekent iets anders: nu is het streven om de als te nauw ervaren grenzen van de modernistische canon wat op te rekken. Academici hebben het druk met rubriceren: eerst de definities, dan de uitzonderingen. Wanneer die uitbreiding aandacht voor andere kunsten – toneel, muziek (Varèse), film (Godard), beeldende kunst (Duchamp) inhoudt, ligt het voor de hand. Maar als bewezen moet worden dat dichters als Eliot en Pound doorgingen op wat anderen, die nooit met het modernisme in verband gebracht werden, vóór hen hadden gedaan; als in Nederland Leopold en Boutens opeens halve avant-gardisten worden en zelfs Den Doolaard in aanleg een modernist blijkt, zoals dat ook van Jean Rhys en Orwell beweerd wordt, dan maakt de wijsheid achteraf – zo helemaal nieuw was het allemaal niet, en ook anderen waren niet wars van het moderne – van het modernisme een potpourri. Zo ziet de bundel er zelf ook uit: informatieve opstellen (zoals over het avant-gardeblad transition, het lijfblad van Joyce, of over de misdaadroman) naast academisch gerammel met termen en namen. Jean Rhys wordt modernistisch heilig verklaard met behulp van het nonwoord «gender», alsof feminisme in de literatuur automatisch modernistisch of zelfs maar modern zou zijn. Idioot is ook te zien hoe Duitse auteurs als Benjamin, Kracauer en Simmel in het Engels worden geciteerd. Naar de literatuurverwijzingen te oordelen is er voor en na Het modernisme in de Europese letterkunde (1984) van Fokkema & Ibsch in Nederland nooit iets over moderne literatuur geschreven. In dat standaardwerk werden Carry van Bruggen en Du Perron aan de modernen toegevoegd, heel oecumenisch: iedereen vorige eeuw en eerder al modern; eind goed al goed, heel postmodern.