Architectuur

Modern, maar met mate

Architectuur: Robert Mallet-Stevens

De Fransman die in de jaren twintig van de vorige eeuw voor het moderne voelde en een huis wilde laten bouwen, had de keuze uit een aantal architecten. Wilde hij een toekomstig monument, uit en te na gedocumenteerd, waar bij wijze van spreken geen spijker was ingeslagen zonder dat de architect kon beredeneren dat dit de enig juiste moderne spijker was, dan koos hij voor Le Corbusier. Hoefde hij niet zo nodig een gebouwd manifest en stelde hij prijs op comfort, dan was Robert Mallet-Stevens zijn man. De namen worden vaak in één adem genoemd: de steile puritein Le Corbusier en de dandy en levensgenieter Mallet-Stevens. De een werd wereld beroemd, de ander is alleen nog bekend bij liefhebbers van de architectuur van het interbellum. Of dat terecht is, kan nu worden uitgemaakt aan de hand van een voorbeeldige tentoonstelling die het Centre Pompidou aan Mallet heeft gewijd.

Helemaal onverklaarbaar is die relatieve onbekendheid niet. Mallet (1886-1945) miste Le Corbusiers hang naar pamfletteren en theoretiseren, hij werkte bijna uitsluitend voor goed tot zeer goed gesitueerden, heeft betrekkelijk weinig gebouwd, terwijl veel daarvan van tijdelijke aard was (filmdecors, tentoonstellings- en winkelinrichtingen). Tot overmaat van ramp gaf hij voor zijn dood op dracht zijn archief te vernietigen. Daardoor is het moeilijk, zoniet onmogelijk een volledig beeld te krijgen van zijn oeuvre.

Meteen het begin van de tentoonstelling biedt dan ook al een verrassing: het was bekend dat Mallet tussen 1917 en 1922 een reeks tekeningen had gemaakt voor Une cité moderne. Het zijn fraaie bladen van afzonderlijke bouwwerken (hui zen, school, hotel, brandweerkazerne et cetera) die evenwel niets vertellen over plattegronden en de uiteindelijke opbouw van die mo derne stad. Erger is dat ze schaamteloos verwijzen naar Josef Hoffman n en diens toenmalige Weense bon bonnièrestijl. Het woord «pas tiche» dringt zich op, of zelfs «plagiaat». Mallet, zo blijkt nu, heeft zich de kritiek aangetrokken en een serie nieuwe tekeningen gemaakt, dit keer in de voor hem kenmerkende kubische stijl. Rechthoekige vo lumes die ten opzichte van elkaar terugspringen en uitsteken, met hier en daar een subtiele ronding. Een plastische benadering van de architectuur, mogelijk gemaakt door het nieuwe materiaal gewapend beton. Het is een vormentaal die hij de rest van zijn leven hanteerde.

Een tweede verrassing bieden de filmfragmenten die vertoond worden. Volstrekt onbegrijpelijk, af komstig als ze zijn uit stomme films, maar van belang omdat Mallet er de decors voor ontworpen heeft. Ze spelen zich af in de wereld van zijn toekomstige cliëntèle, waarvoor hij een ambiance creëerde van subtiele luxe, in een combinatie van art deco en modernisme. Zoals te verwachten: dit frivole uitstapje naar de cinema bracht hem het verwijt niet zozeer een architect als wel een decorateur te zijn. En inderdaad, Mallets eerste grote project, een landhuis in het Zuid-Franse Hyères voor het echtpaar De Noailles, mist architectonische helderheid. Zoals de bezoeker zelf kan constateren (het is nu een openbaar cultureel centrum) le vert de aaneenschakeling van mooi vormgegeven ruimtes en vertrekken niet de promenade architecturale op die Le Corbusier voorstond, maar eerder een dooltocht door een labyrint.

Geslaagder wat dat betreft zijn de vijf huizen, of liever stadsvilla’s die hij in het zestiende arrondissement in Parijs ontwierp (1926-1934). Ze zijn veel beter gestructureerd, met een subtiele afwisseling van verticale en horizontale elementen, bij alle hoekigheid wonderlijk elegant. Ze staan er nog steeds, in de Rue Mallet-Stevens, op een paar storende details na (extra verdiepingen en vensters) zoals Mallet ze ontworpen heeft. Hoewel heel verschillend van in deling en bestemming vormen ze onmiskenbaar een eenheid. De hele straat is als het ware één grote kubistische sculptuur.

Wat tentoonstelling en catalogus illustreren, is hoe intensief Mallet bij deze projecten met an deren samenwerkte. Met beeldhouwers, smeden, meubelontwerpers, glazeniers (in de meeste van zijn huizen zit wel een abstract glas-in-loodraam), tot zelfs een belichtingsexpert aan toe. Al dit talent kwam samen in het landhuis dat hij in Croix, niet ver van Lille, bouwde (1929-1932). Deze villa Cavrois, gebouwd voor een in dustrieel, was Mallets gooi naar een Gesamtkunstwerk. De foto’s die van het interieur resteren, zijn adembenemend. Een paleis, maar zonder ostentatief te zijn. Een ode aan de goede smaak. Helaas werd het huis in 1986 door de laatste telg Cavrois verkocht en tot op de deurklinken gestript. De Franse staat is nu – te laat – bezig het ge heel te restaureren.

Als het klaar is, zal ook duidelijk worden waarom Mallets carrière in de jaren dertig in het slop raakte: een dergelijke weelde, in ge hou den maar niet minder kostbaar, was in tijden van crisis niet meer op te brengen. Mallet ontwierp nog een brandweerkazerne en enkele tentoonstellingspaviljoens, deed mee aan prijsvragen, maar zijn reputatie van luxe-architect maakte dat hij nauwelijks nog opdrachten ontving. En hij kreeg niet meer de kans, zoals Le Corbusier, om zichzelf na de Tweede We reldoorlog opnieuw uit te vinden. Voor altijd zal hij de bouwer blijven van een bepaalde periode waarin het leven, voor wie het zich permitteren kon, een verfijnd feest leek. Overigens wel een feest waaraan je graag had willen deelnemen.

Robert Mallet-Stevens. Tot en met 29 augustus in het Centre Pompidou, Parijs. Catalogus e 39,90