Modern mededogen

John Berger, En onze gezichten, mijn hart, vluchtig als foto’s. Vertaald door Sjaak Commandeur, uitgeverij De Bezige Bij, 108 blz., f29,90
WELOVERWOGEN benoemden de Grieken Mnemosyne - de godin van de herinnering - tot de muze van het epos, die oervorm van het vertellen. In zijn klassieke essay ‘De verteller’ schrijft Walter Benjamin, dat de naam Mnemosyne de beschouwer en luisteraar terugvoert naar een kruispunt in de wereldgeschiedenis. ‘De herinnering rijgt de keten van de traditie aaneen zodat de geschiedenis van geslacht op geslacht wordt doorgegeven.’ Verhalen vertellen betekent ervaringen doorgeven. De geboren verteller en de onbevangen luisteraar zijn beiden bezig het verleden terug te halen en te behoeden tegen het grote vergeten. Vertellen is een vorm van geschiedschrijving, en dat betekent niet zozeer het vastleggen en herhalen van losse jaartallen en gebeurtenissen alswel het beeldend en coherent beschouwen van wat ik ‘het menselijke drama’ noem, de eeuwige cyclus van opgroeien en afsterven. We vertellen om onszelf een centrum te verschaffen, we dissen verhalen op om onszelf niet te verliezen, we blijven praten en beelden met elkaar verbinden om houvast te hebben.

Vertellen als een gewoonte, een ritueel, als zinvolle ordening, als barriere tegen ‘de oprukkende tijd en ruimte’, zoals John Berger het formuleert in het schitterende En onze gezichten, mijn hart, vluchtig als foto’s (1984), overpeinzingen over vertellen, tijd en ruimte. Berger begon aan dat kleine boek te schrijven toen hij Het varken aarde (1979), het eerste deel van zijn trilogie De vrucht van hun arbeid, had afgerond. Het is een spannend mengsel geworden van filosofie, poezie, essayistisch proza en persoonlijke ontboezemingen. Berger schrijft fragmenten, voorlopige gedachten, vloeiende mijmeringen. Ik moest denken aan wat hij in het voorwoord van zijn kritische studie The Success and Failure of Picasso (1965) schreef: 'Als alle schilderkunst in de kern een dialoog is over aanwezigheid en afwezigheid, bevindt Picasso’s werk zich op de drempel.’
ZO IS BERGERS proza ook te typeren. Kon hij vroeger, in zijn rigide marxistische periode, zeer apodictische beweringen doen, in dit boekje tast hij al observerend en luisterend het bestaan af en beproeft hij de grenzen van de genres omdat hij zich niet gebonden wil voelen aan een uitingsvorm. 'Ik zou een boek willen schrijven’, citeert hij een Russische dichter, 'met daarin alles over de tijd. Dat die niet bestaat. Dat verleden en toekomst niets dan een en hetzelfde heden zijn.’ Hier wordt niets anders uitgesproken dan een verlangen naar een cyclisch tijdsbegrip waarin alles een plaats krijgt: de menselijke zucht naar een kern, een thuis. Anders geformuleerd: het heimwee van de twintigste- eeuwse mens naar zingevende samenhang.
Berger citeert Novalis, die filosofie met heimwee gelijkstelde, dat wil zeggen de drang om overal thuis te zijn. Het vertellen vergelijkt hij niet toevallig met het staren naar de nachtelijke hemel. Voor hem, die een verband ziet tussen menselijke hersens en heelal, is het construeren van sterrenbeelden niets anders dan het vertellen van verhalen, het verbinden van intense, met ervaring geladen beelden. Vertellen is dan niet alleen het terughalen van wat is geweest, maar ook voorspellen. In het vertellen vormt zich een identiteit en komen verleden, heden en toekomst samen.
Tegen die achtergrond moet Bergers opmerking worden begrepen dat de taal van schilderijen van Rembrandt, Van Gogh of Caravaggio 'tijdloos’ is. In de zinnelijke blik van Caravaggio’s onderwereldfiguren of in de tedere oogopslag van Hendrickje Stoffels schemert niet alleen het vergankelijke door maar ook een voorspellende kracht: hoe men keek en hoe men zal kijken.
Berger heeft het dan ook over de metafysica van het vertellen. Wat is geschiedenis? De hoedster van het verleden of de vroedvrouw van de toekomst? Hegel en Marx geloofden vurig in de vooruitgangsidee van de historie, dank zij de strijd voor rechtvaardigheid. Daar is de klad in gekomen. 'Er is geen sociale waarde meer die borg staat voor de tijd van het bewustzijn.’ Een alarmerende opmerking. Als er geen kern meer is, geen samenhangende visie, raakt de mens losgeslagen en vindt hij geen toegang meer tot zijn verleden, waarin de menselijke ervaringen en tradities verscholen liggen.
DIE HOPELOZE ontwikkeling beschrijft hij in zijn romancyclus De vrucht van hun arbeid, een titel die achteraf een cynische ondertoon krijgt. Arbeid, boerenarbeid om precies te zijn, vormt de beste ingang tot de werkelijkheid, de meest directe wijze om kennis te vergaren. Als die werkwijze verloren gaat, wanneer de boerenstand wordt weggesaneerd en wegtrekt naar de grote stad of emigreert, vallen er gaten in het tijdsbesef omdat het verleden wegvalt. Er valt niets meer door te geven, de mens raakt op drift, is ontheemd. Niets heeft meer betekenis, alles blijft onverschillig, als de nachtelijke sterrenhemel, die toch nooit zal veranderen, ook al worden er duizendeneen verhalen aan gewijd.
De dichter Berger schrijft: 'Mijn vaderland/ is een tegen hout gespijkerde huid.’ En: 'Als een draadje vlees/ zit ik in deze stad.’ Wat Berger noteert over het isolement van de stedeling sluit aan op wat Baudelaire ruim een eeuw eerder over de thuisloosheid van de Parijzenaar heeft geschreven. Ook hij las in de blik van een gewone sterveling verloren gegane ervaring.
Wie emigreert doet dat uit wanhoop en hoop. Wat Berger in tien bladzijden over emigratie weet te schrijven is diepgravend. Emigratie betekent: achterlaten, leven tussen vreemden, het tenietdoen van de zin van de wereld. Wie emigreert 'ontmantelt altijd het middelpunt van de wereld en verhuist daarmee naar een verloren, gedesorienteerde wereld van brokstukken.’ Er zijn geen samenhangende herinneringen meer om op terug te vallen. De emigrant vindt nooit meer rust. En onze gezichten, mijn hart, vluchtig als foto’s is ook opgebouwd uit uiteenlopende brokstukken en verschillende tonen. De thema’s tijd en ruimte vormen de bindmiddelen.
Omdat het traditionele 'thuis’ verdwijnt, pleit John Berger voor een vorm van liefde ('liefde overbrugt afstanden’) die de gehele aarde omvat. Hij noemt die 'mondiale solidariteit’, een omschrijving die voortbouwt op zijn vroegere marxistische engagement. In Stemverheffing (1992), waarin Berger onder meer schrijft over actuele wereldgeschiedenis (Golfoorlog, ex-Joegoslavie), valt het woord mededogen, door Simone Weil omschreven als 'erop toezien dat mensen geen kwaad geschiedt’. Die term lijkt mij van toepassing op het gehele werk van John Berger. Zijn betrokkenheid, of het nu gaat om de boerenstand of de schilderkunst of de wereldpolitiek die 'onbedwingbaar’ lijkt, beinvloedt elke waarneming die hij doet en doortrekt elke zin die hij schrijft.
Wordt dat mededogen gevoed door romantiek, zet hij de wegkwijnende boerenstand op een voetstuk? Mijn antwoord was ja, maar nu is er iets veranderd. In een eerdere versie van Het varken aarde staat een nadrukkelijke uitleg van de rol van de schrijver en zijn verhouding tot het onderwerp, de kleine Franse boer. Die fragmenten zijn in de slotversie verdwenen, alsmede veel stellige beweringen uit het zogenaamde 'historische nawoord’, dat nu een bescheidener inleiding is geworden.
Wat blijft is Bergers authentieke mededogen, zijn zuivere betrokkenheid. Laat ik het modern, meeslepend engagement noemen. Sering en vlag (1990), het slotdeel van De vrucht van hun arbeid dat in de verzonnen stad Troje speelt, is het verhaal van een oude baker die schoonmaak houdt: 'Bakerpraat. Er is in de wereld zeldzaam weinig rottigheid die ik niet heb opgeruimd.’ Die vertelster heeft haar hele leven in een dorp gewoond. Wat ze van Troje weet, heeft ze uit de plaatselijke krant, 'van de televisie, mijn dromen, de verhalen van degenen die terugkomen voor ze voorgoed verdwijnen’. Haar waakzame blik en taalkundig vermogen is opgeladen met historische ervaringen. Deze Berger-vertelster - die mij deed denken aan de vertelster in Toni Morrisons roman Jazz - is het vleesgeworden mededogen, de draagster van het besef dat wanneer het verleden wegvalt er geen toekomst meer overblijft.