‘Ezel, mijn bewoner’, Bert Schierbeek

Moderne Ark van Noach

De honderdste geboortedag van Bert Schierbeek, vanaf 1949 vriend en veel meer van mede-Vijftiger Lucebert, viel op 28 juni. Op die dag belde ik Thea, zijn 94-jarige weduwe. Van haar kreeg ik een jaar geleden carte blanche voor het schrijven van Schierbeeks biografie: Niemand is waterdicht. Het is een feest om zijn werk te herlezen: vanaf de taalexplosie Het boek ik tot voorbij de dichtbundel Formentera. Op dat eilandje onder Ibiza treedt al meteen een geit op, ‘echter gebonden/ aan vier poten springt/ toch over de muur’.

Van Ezel mijn bewoner kwam in 2000 een bijzondere uitgave uit, rijkelijk geïllustreerd door Jef Diederen. Dat grenzeloze reisboek is een moderne Ark van Noach: ezel, salamander, zwarte spin, trek-, loop-, zang- en sarusvogel, spookaap, geit, muis, paard, schildpad, gier, kever, raaf, zee-egel, wolf, buffel, vis, vlo, luis, haan, kat, kameel, werk- en muildier, walvis, zwaluw, kikker, adder, dolfijn, hond en hengst; al dat beestenspul laat van zich horen in bergen en dalen, in land- en zeeschappen. De beweeglijke Schierbeek bezag tijd en ruimte ‘als zigeuner’.

En dan is er ook nog het beest dat mens heet en dat zich van het dier meent te onderscheiden omdat hij lacht, huilt en praat. Hij is ‘het onbekende beest’, zowel holbewoner als herenhuisbezitter die stad en land af reist om niet vast te lopen, om te ontkomen aan het volgzame ‘ia ia’ van de balkende ezel, het dier in ons dat alle lasten gedwee en geduldig draagt. Is poëzie kinderspel? Ja, zegt Lucebert. Ezel mijn bewoner begint met de kinderlijke observatie dat de zee niet ophoudt bij het strand, maar dat de zee doorloopt onder het land. De wereld en het leven zijn nog nooit volledig getekend want nooit klaar. De mens is last- en lustdier, denker, papegaai en dichter.