Hoofdcommentaar

Moderne hypocrisie: netwerken mag, clientelisme niet

Na hún godsdienstbeleving, hún luie staatsopvatting en hún masculiene gezinsideologie hebben de migranten nu ook electoraal hun mediterrane achterlijkheid kenbaar gemaakt. Ze hebben niet alleen op de pvda gestemd, ze hebben zelfs voorkeurstemmen uitgebracht. Waarom hechten ze meer aan hun «verdeelde herkomst» dan aan onze «gemeenschappelijke toekomst», schreef buitengewoon hoogleraar Paul Scheffer anderhalve week ná de raadsverkiezingen in NRC Handelsblad.

Scheffer – die met onder anderen Jan van Ingen Schenau (ooit campagnemanager van de pvda) nadenkt over een strategie om Wouter Bos voor het lijsttrekkerschap te kunnen verslaan – begrijpt dat stemgedrag wel. Maar de volgende keer moet het echt anders: «Het zou namelijk in steden waar de helft van de bevolking allochtoon is, op den duur kunnen zorgen voor een witte vlucht in stemgedrag. Willen we dat een autochtone stemmer zich vertegenwoordigd kan voelen door Aboutaleb of Grifï¬?th of willen we dat iedereen stilletjes denkt ‹eigen volk eerst›? Dat laatste kan alleen maar worden vermeden als Surinaamse of Turkse kiezers niet alleen op eigen kandidaten en zeker niet allemaal op één partij stemmen.»

Soort zoekt soort, nota bene op politieke grondslag. Amerikaanse toestanden, waar de Democraten decennialang de vluchtheuvel voor de niet-blanken waren. Het is toch wat. In het spoor van volkshuisvesting en Rotterdam-wet is thans politiek spreidingsbeleid geboden.

Sinds het multiculturele drama in Nederland is verankerd, is het niet meer gepast om het verleden ten tonele te voeren om het proces van achterlijkheid en vooruitgang in het perspectief van de tijd te plaatsen. Dus geen verhalen over arbeiders die georchestreerd een plaats probeerden te veroveren in de sdap, de «Studenten Dominees en Advocaten Partij». Geen anekdotes over de Katholieke Volkspartij die beneden de Moerdijk de bejaardenhuizen afstruinde om volmachten op te halen bij kiesgerechtigde ouden van dagen. Geen geintjes over ondergetekende die bij de Europese verkiezingen van 1979 toch maar mooi 36 voorkeurstemmen haalde in kieskring 19 omdat zijn achternaam in Limburg kind aan huis is. En ook geen aandacht voor de curiosa van de raadsverkiezingen van 7 maart. Niet voor die vvd’er in Maasdriel die, ontevreden over zijn achttiende plaats op de kandidatenlijst, zijn oom volmachten liet ronselen. Noch voor Guus te Meerman uit Landerd die in verzorgingshuis Compostella lid was van het stembureau en daar 181 stemmen op zichzelf uit de bus wist te toveren tegen elf in de zes andere lokalen.

Medium hoofdcommentaar kaders

Is er dan niets aan de hand? Jazeker. De voorkeurstem is in de afgelopen tien jaar belangrijker geworden, of beter, belangrijker gemaakt. Tot 1998 moest een kandidaat op een lijst minimaal de helft van de kiesdeler halen om een partijgenoot te passeren. Drie keer lukte het een politicus zo tegen de zin van zijn partij in de Tweede Kamer te komen: de kvp’ers Van Rijckevorsel (in 1959) en Hutschemaekers (1972) en de vvd’er Joekes (1986).

Sinds 1998 is 25 procent al voldoende. Die lagere drempel is een derivaat d66-product. Hoewel die partij geen succes boekt met haar strijd voor een districtenstelsel – het kroonjuweel van een cliëntelistische democratie – is haar streven met deze wijziging van het kiesstelsel enigszins gehonoreerd. De 25-procentbarrière spoort ook met de tijdgeest die burgers ziet als «klanten» die op de maatschappelijke markt voor vraag en aanbod zorgen.

Maar nu zijn er plots zorgen. Niet over de boerendorpen maar over de grote steden. Nergens zijn er immers zo veel verspreide voorkeurstemmen uitgebracht als in Rotterdam. Is het ook waar? Slechts ten dele. Voor de Rotterdamse pvda haalde geen enkele kandidaat ná de achttiende plaats de drempel van 1447 voorkeurstemmen. Bij de eerste achttien zijn er inderdaad tien – met voornamen als Peggy, Fatima, Birsel en Fouad – op eigen kracht gekozen. Maar ook als iedereen op lijsttrekker Peter van Heemst zou hebben gestemd, hadden die hun zetel mogen innemen. Dat illustreert het gebrek aan autonome attractiviteit van Van Heemst én de succesvolle penetratie van Fatima c.s.

Een lesje voor de gestaalde kaders om een volgende keer niet te vertrouwen op het rokerige cafécircuit waar de pvda haar lijstjes placht op te stellen? Kennelijk niet. Als de bewijsvoering in Rotterdam sneeft, dan maar verwijzen naar Amsterdam. Op stadsdeelniveau zijn de partijlijsten er tenslotte op etnische grondslag overhoop gehaald. Maar ook hier schijt de duivel op verschillende hopen. Anders dan in Rotterdam zijn er in de raad wel twee mensen buiten de partijhiërarchie om gekozen: Frits Bolkestein (vvd) met 2391 en Marijke Vos (GroenLinks) met 6400 voorkeurstemmen, twee politici die lekker modern hebben bedankt voor de eer hun volk te vertegenwoordigen. Zeker, bij de pvda kaapte er één kandidaat meer stemmen weg dan de lijsttrekker: Ahmed Aboutaleb. Maar een typisch voorbeeld van cliëntelisme? Het zou een statistisch wonder zijn. Met 47.217 stemmen trok hij meer kiezers dan er kiesgerechtigde Marokkanen zijn. Derya Kaplan dan? Zij deed het met 6746 stemmen beter dan oudgediende Bouwe Olij (429), maar niet signiï¬?cant veel beter dan Jesse Bos (4527), die vermoedelijk meer rendement uit zijn achternaam haalde dan ondergetekende anno 1979 in kieskring 19.

Al dat gefrons achteraf zegt net zo veel over de effectiviteit van veertig jaar bestuurlijke vernieuwing à la d66 als over de polariserende integratiemachine van minister Verdonk.

Cliëntelisme is nolens volens de contra-indicatie van al die pogingen om de kloof tussen burger en bestuur te dichten. Wie een hechte band tussen volk en mandataris nastreeft en tegelijkertijd het algemeen kiesrecht niet om zeep wil helpen, stimuleert per deï¬?nitie politieke netwerken. Het is, kortom, precies wat er gebeurt als de ideologieën en hun partijpolitieke voertuigen ten grave worden gedragen en er niets anders overblijft dan persoonlijk vertrouwen. Het is een systeem dat in de Verenigde Staten tot op het bot floreert. De Amerikaanse ambassadeur Ronald Arnall is daarvan een fraai exemplaar.

Wat te doen? Liever geen grote woorden gebruiken – zoals pvda-voorzitter Van Hulten deed met de term «racistische trekjes» – maar gewoon goed blijven rekenen en formeel blijven denken. Vraag het de jeugd van Minsk. Daar hebben ze er meer verstand van dan hier.