Moderne minstrelen

Nieuw in het Literaire Circus: het rondtrekkende schrijversduo. Met de ‘rocksterren’ Palmen en Van Dis op tournee in Belgie.
ADRIAAN VAN DIS en Conny Palmen zijn samen op tournee in Vlaanderen. De Belgische dagbladen zijn enthousiast en schrijven beurtelings over ‘kwetsbare branie en deftige gevoeligheid’ en ‘de grote beer en het spichtige vogeltje met haar Calimero- toontje van zij zijn groot en ik ben klein’.

Vanavond is de beurt aan Tongeren. Schouwburg De Velinx houdt van variatie. Drie dagen na het optreden van Van Dis en Palmen zal de jezuiet Luc Versteylen praten over het thema ‘Leven, vasten of feesten’. In het programmaboekje schrijft de spreker: 'Wij moeten spoorslags terug naar de drie oer-kristelijke waarden: soberheid, saamhorigheid, stilte. En dat in een wereld verzadigd door consumptie, vermaft door concurrentie, ontmoedigd door prestatie.’
Van Dis en Palmen spreken over heel andere zaken. Zij zijn goed voor een volle zaal, wat bij de pater nog maar moet worden afgewacht. Het podium is sober ingericht: een lessenaar, een tafel met een stoel en een ligbankje uit de spreekkamer van een psychiater. Op de achtergrond licht wuivende witte doeken, in beweging gezet door een ventilator. Conny Palmen begint, wanneer de klanken van het liedje 'Walking Back to Happiness’ langzaam zijn weggestorven, over haar jeugd te lezen. Zij praat en beweegt, al dan niet bewust, als een Limburgse puber. Met haar verhaal over de breiles op de lagere school en het verhaal over haar eerste communie heeft zij de lachers op haar hand. 'Mijn moeder is erg op Maria.’ Met haar woeste kapsel speelt zij, druk rokend, in het Mariaminnende Tongeren een thuiswedstrijd.
Luc Coorevits, directeur van de Stichting Behoud de Begeerte en organisator van de tournee: 'Connie is populair in Vlaanderen vanwege haar katholieke humor en de wijze waarop zij haar katholieke jeugd heeft herontdekt. Dit werkt de herkenbaarheid in de hand. Bovendien leest ze even goed voor als zij schrijft. De combinatie met Adriaan van Dis beschouw ik als zeer geslaagd, die is complementair.’
Het contact tussen Van Dis en het Tongerense publiek verloopt wat stroever. Het verhaal over de dood van zijn vader is somber, de beschrijving van een Indische rijsttafel, waarbij Van Dis een Indisch accent hanteert, slaat in Vlaanderen niet echt aan.
In de pauze ploft een zo te zien niet onbemiddelde Nederlandse naast mij neer. Zij woont net over de grens in Belgie. Het literaire avondje is haar tot dusverre goed bevallen. Maar de passage uit Van Dis’ Indische Duinen, waarin de geboorte van een kind wordt beschreven ('Je wordt gemaakt uit geilheid of uit verveling’) vindt zij ronduit stuitend. 'Waarom moet hij dat zo smerig beschrijven, met al die stront? Ik vind het maar een vieze man.’
DE TOURNEE van Palmen en Van Dis verloopt voorbeeldig. Coorevits is gespecialiseerd in de organisatie van literaire avonden. Coorevits: 'In de regel waren literaire avonden in Belgie morsige aangelegenheden, met slechte geluidsinstallaties, aangekondigd door slechte affiches, die bovendien slecht werden verspreid. Het verloop van zo'n avond was meestal nogal voorspelbaar: de schrijver leest voor uit eigen werk, geeft een toelichting, en beantwoordt vragen uit het publiek. Meestal zijn het bovendien vrij lullige vragen. De ziekte van literaire avonden is bovendien dat ze veel te lang duren.
Vroeger kon de geinteresseerde literatuurliefhebber zich enkel wenden tot programma’s van voordrachtskunstenaars die teksten brachten die ze zelf niet hadden geschreven, of tot eindeloos uitdijende Nachten van de Poezie, tijdens dewelke tientallen auteurs in willekeurige volgorde naar believen een kwartiertje volmaken. Mij kun je niet wijsmaken dat zesduizend mensen in zo'n zaal zes uur lang geconcentreerd naar schrijvers kunnen luisteren. De ideale lengte van zo'n avond is twee maal drie kwartier, de lengte dus van een voetbalmatch. Het is precies de lengte van onze avonden met Palmen en Van Dis. Bovendien is het beter om de literaire avonden te decentraliseren. Beter vijftien kleinere activiteiten in kleinere steden dan een eenmalige, grote activiteit in een stad. Daarmee dien je het publiek veel beter.’
Hij vervolgt: 'Mijn avonden zijn zeer theatraal. Ik gebruik middelen uit de theaterwereld, met een mooi decor en een goede belichting. Ik heb veel inspiratie opgedaan bij een vriend van me die popconcerten organiseert. Musici kunnen lastig zijn en moeten daarom, behalve goed betaald, ook goed verzorgd worden. Alles moet tot in de puntjes zijn geregeld. Alle storende factoren moeten worden vermeden, zodat niets een perfect optreden in de weg kan staan.’
IN HET MAANDBLAD De Gids, oktober 1994, schrijft Peter Nijssen: 'In zekere zin zijn de schrijvers (met hun tekstverwerkers, columns en goedkope herdrukken) teruggetrokken in een bestaan als rondtrekkend minstreel.’ Minstrelen moesten, aldus Nijssen, vaak pluimstrijken en bedelen om aan geld te komen, werken in opdracht van heren, aan wie ze op commando hun kunstjes moesten laten zien. Aan het feit dat schrijvers dat nu ook weer moeten doen, danken ze weliswaar een min of meer vooraanstaande plaats in de samenleving, maar tegelijkertijd zijn ze met veel geraas van hun voetstuk gevallen. Een verheven status hebben ze niet meer. Het essay van Nijssen droeg de titel: 'Van alle markten thuis: De wegen van de multimediale schrijver.’
Zo reizen nu ook Conny Palmen en Adriaan van Dis als moderne minstrelen door Vlaanderen. Iedere middag worden ze met een transitbusje opgehaald bij hun rustieke hotel in het centrum van Brussel. Een werkstudente reist met ze mee en warmt in de schouwburgen of de culturele centra de geprepareerde maaltijden op. Van Dis is op dieet en daar houdt men rekening mee. Voor Palmen staat in de pauzes steevast een pint klaar. Aandacht van de Nederlandse media wordt niet op prijs gesteld, interviews met dag- of weekbladen worden geweigerd. Van Dis: 'Het is toch veel interessanter om zo'n verhaal te maken als we in Nederland op tournee zijn?’
Alleen het Belgische weekblad Humo kreeg de eer het tweetal een groot interview af te mogen nemen. Het televisieblad is, samen met het dagblad De Morgen, hoofdsponsor van de tournee. Coorevits: 'Met een tournee als deze haal je gemakkelijk de nationale pers, over een eenmalig optreden van een schrijver in een zaaltje schrijft geen enkele journalist. Die vinden dat niet interessant, hoe goed de schrijver in kwestie ook moge zijn.’
In het voornoemde Gids-essay wordt Michel Tournier geciteerd, die de mening verkondigt dat de literaire kritiek de afgelopen vijftien jaar veel invloed heeft verloren, zodat de invloed van de critici op de verkoop van een boek de tien, vijftien procent niet te boven gaat. Een drievoudige ontwikkeling in de media heeft de critici van hun troon gestoten. Eerst kwamen de interviews, verlucht met een foto van de schrijver. Daarna volgden de gesprekken op de radio. Ten slotte verscheen de schrijver op de televisie. De criticus is dus verdrongen door de auteur, die tegenwoordig persoon lijk de taak op zich neemt zijn 'produkt’ aan de man te brengen. Aldus Tournier.
Maar vindt die moderne minstreel zijn optreden wel altijd even leuk? Het publiek in Tongeren bestaat grotendeels uit gesoigneerde vrouwen, hier en daar glanst wat blauw haar. De schaarse mannelijke bezoekers van De Velinx nippen in de pauze wat ongemakkelijk aan hun pinten, alsof ze niet vrijwillig naar de voorstelling zijn meegekomen.
In Tongeren is het publiek in elk geval losser dan in het Cultureel Centrum in Genk, waar Palmen en Van Dis de vorige avond zijn opgetreden. Deze betonkolos in het treurige mijnwerkersstadje wilde maar niet warm worden. Gelachen werd er nauwelijks, hoogstens werd er wat gegiecheld over Connie Palmens voornoemde eerste communie, die elders normaal gesproken een dijenkletser is. Van Dis kreeg met zijn verhaal over zijn dieetperikelen, in andere schouwburgen een groot succes, in Genk ook niemand aan het schateren. Zelfs niet op het moment dat de schrijver het publiek zonder veel gene de omvang van zijn buik toonde, nog net door een gestreept overhemd gecamoufleerd. Pas als Van Dis liefkozend naar zijn zwembandjes wijst, die hij 'pneus d'amour’ noemt, komt de zaal enigszins los. Van Dis tot zijn publiek: 'Ik mag geen aardappelen voor mijn dieet, maar aardappelen houden helaas verschrikkelijk veel van mij. Mijn verbranding is te laag, ik verbrand niet, ik sudder.’
Tijdens de pauzes wordt er natuurlijk gesigneerd. In ruim een kwartier vliegen de boeken de deur uit. Van Dis wordt om de haverklap gevraagd wanneer hij eindelijk weer eens op de televisie verschijnt.
Coorevits: 'Veel mensen die naar deze voorstellingen komen, hebben Palmen noch Van Dis gelezen. Die kopen al snel een boek, en dat is natuurlijk mooi meegenomen, al is het niet mijn belangrijkste doel. Ik wil vooral een mooie avond, zonder aapjeskijkerij. Er moet een toegevoegde waarde zijn: het geheel moet groter zijn dan de som der delen. Ik breng met deze avonden literatuur in een nieuwe vorm. Het is geen cabaret, geen theater en geen kleinkunst. Avonden als deze vullen een niemandsland op.’
ANDERMAAL PETER Nijssen in het voornoemde Gids-artikel: 'Zonder die malende publiciteitsmachine lijkt de literatuur niet meer te kunnen draaien. Die overweging heeft niet alleen gevolgen voor de positie van de schrijver, maar ook voor die van de literaire kritiek, die zich in haar angst om door het zware geschut van de amusementsindustrie overbodig te worden gemaakt, volgens sommigen heeft laten verleiden tot risicoloze oordelen en onevenredige aandacht voor boeken die in de publiciteit toch al genoeg aandacht krijgen.’
Coorevits is, zegt hij, echter niet pessimistisch over de Nederlandstalige literatuur. 'Ik ben het helemaal niet eens met de stelling dat de literatuur terrein verliest. De theorie dat mensen minder gaan lezen of minder in literatuur geinteresseerd raken, klopt volgens mij niet. Palmen en Van Dis zijn bestsellerschrijvers, hun tournee door Vlaanderen wordt door zevenduizend mensen bezocht. Tijdens hun tournee door Nederland, die volgende maand begint, verwacht ik tienduizend bezoekers.
Je moet schrijvers met de nodige egards behandelen, zonder ze als primadonna’s te zien. Je moet ze de last van verplaatsingen ontnemen. Daarom heb ik een busje met een chauffeur voor ze gehuurd. Dan kunnen ze onderweg naar de schouwburg rustig babbelen, zich ontspannen, naar muziek luisteren. En ik laat speciaal voor ze koken, althans in Vlaanderen, zodat ze niet die kartonnen broodjes hoeven te eten die je vaak in schouwburgen krijgt voorgeschoteld. Allemaal verworvenheden die vanzelfsprekend zijn in de wereld van de rock, maar die nog steeds niet tot de literaire wereld zijn doorgedrongen.’
Van Dis, desgevraagd: 'In Belgie zijn wij buitenlanders, de mensen zijn hier bijzonder vriendelijk tegen ons. Wat wil je nog meer met al die uitverkochte zalen? Bovendien treden wij hier in schouwburgen op, terwijl je in Nederland vaak in bibliotheken voorleest. Ik ben benieuwd hoe het programma in Nederland gaat lopen. Een beetje huiverig voor de reacties ben ik wel.’
Coorevits: 'Sommige zalen kopen maar drie affiches van mijn programma. Werkelijk, ik verzin het niet! Ze denken, we kunnen onze broek toch niet scheuren, de subsidie komt wel. Ik ben van meet af aan naar sponsors op zoek gegaan. Een moeizame tocht. Het is een vicieuze cirkel. Je krijgt een sponsor als er publiek komt en daar heb je weer een goede publiciteitscampagne voor nodig. Dat kost geld en dat moet van de sponsors komen. Van de overheid krijg je te weinig.
Ik wilde mijn stichting eerst De Nutteloosheid noemen, naar een vers van Paul Snoeck. Dat gaat ongeveer als volgt: “Ik weet het, lieve mensen, dat gedichten nutteloze dingen zijn, zoals de slierten mist die ’s morgens rond je raam hangen.” Een mooi vers, alles van waarde is niet alleen weerloos, maar ook nutteloos. Zo ook literatuur. Maar uiteindelijk leek De Nutteloosheid mij geen erg wervende titel. Begeerte daarentegen is de motor van elke beschaving, de begeerte heeft de mensheid gered. Stichting Behoud de Begeerte is echter geen vereniging tot bevordering van de vrije liefde, zoals sommige mensen wel denken. Een journalist van een plaatselijk Belgisch blaadje had die laatste opmerking van mij eens geciteerd. Bij dat artikel kwam een foto van mij en van mijn vrouw, die de medeoprichtster van de stichting is. Wij stonden erbij als zombies, met wallen onder de ogen en helemaal uitgeblust. Met als fotobijschrift: “De Begeerte is geen vereniging ter bevordering van de vrije liefde.” We zagen er inderdaad niet uit als twee mensen die op het punt stonden de daad te gaan verrichten, of zojuist de daad hadden verricht.’