Interview Frank Furedi

«Moderne ouders zijn paranoïde»

Frank Furedi, schrijver van ‘Bange ouders: Opvoeden zonder angst’, vertelt over zijn nieuwe boek, dat in Groot-Brittannië een flinke controverse heeft ontketend en over de «vreemde wereld van de ouderschapsneurose» waarin hij zes jaar geleden bij de geboorte van zijn zoon Jacob verzeild raakte.

Uw boek, een kritiek van de moderne ouderschapsindustrie, verscheen in maart 2001 in Groot-Brittannië. De Britse titel, «Paranoid Parenting», werd uitgelegd als een verwijt aan ouders dat ze paranoïde waren. Is dat uw bedoeling?

Frank Furedi: «Nee, mijn boek gaat niet over paranoïde ouders. Het gaat over een cultuur die ouders dwingt tot overreageren zodat ze gaan leven voor en door hun kinderen. Tot die cultuur behoort bijvoorbeeld de obsessie met de veiligheid van kinderen. Er is tegenwoordig een leger van experts die niets liever lijken te doen dan ouders angst aanjagen. Ze herinneren ons er voortdurend aan hoe kwetsbaar kinderen zijn. In plaats daarvan zouden ze erop moeten wijzen hoe taai, inschikkelijk en veelzijdig ze zijn. Maar kinderen moeten ook leren met risico’s om te gaan en het streven naar een risicovrije omgeving brengt weer eigen gevaren voort. Kinderen moeten en kunnen zelf hun beslissingen leren nemen, en dat is iets wat nooit lukt onder het toeziend oog van de ouders. Het bewaken en afschermen van kinderen kan hun gezondheid ernstig schaden. Het grootste slachtoffer van dit totalitaire veiligheidsregime is waarschijnlijk de ontplooiing van het kind.»

Wat zouden kinderen dan volgens u moeten aanleren; de befaamde «stiff upper lip» na een auto-ongeluk?

«Kinderen hebben het vermogen hun fantasie en zelfbewustzijn te ontwikkelen door de omgang met andere kinderen van hun leeftijd. Ze kunnen ook een bepaalde mate van zelfstandigheid en onafhankelijkheid bereiken en dat is weer een onmisbare voorwaarde om de vele uitdagingen waarvoor ze komen te staan aan te kunnen.»

In Groot-Brittannië en België zijn de angsten van ouders de laatste jaren erg toegespitst op kindermisbruik. Zou u dat ook een obsessie noemen?

«Elke verstandige ouder ziet erop toe dat zijn kind niets overkomt, maar er is verschil tussen verantwoordelijk en obsessief gedrag. Wanneer de cultuur ouders ertoe aanzet elke onbekende volwassene per definitie als een gevaar voor hun kinderen te beschouwen, vervallen we in ongezonde paranoia. Dat is wat we zien in Groot-Brittannië en in mindere mate in België. Paradoxaal genoeg betekent zo'n reactie dat we het wereldbeeld van de misbruiker tot norm verheffen. Als we ons gaan gedragen alsof alle volwassenen potentiële misbruikers zijn, betekent het dat we de wereld bekijken door de ogen van de pedofiel.»

In welke zin is het ouderschap veranderd door wat u de «cultuur van de angst» noemt?

Furedi: «We moeten begrijpen dat de huidige obsessie met kinderveiligheid een nieuw verschijnsel is. Het betekent een heel andere houding tegenover het ouderschap. Van oudsher werd goed ouderschap geassocieerd met het koesteren en stimuleren en opvoeden van kinderen. Vandaag de dag wordt het geassocieerd met toezicht houden op alles wat ze doen. Een leger van professionals waarschuwt dat kinderen nooit veilig zijn; een kind alleen buiten laten spelen wordt al gezien als een teken van verwaarlozing.»

Maar is opvoeden niet ook moeilijker geworden en hebben we daarom niet meer deskundigen nodig?

«Ik denk wel dat opvoeden misschien moeilijker is geworden, ingewikkelder ook. Toch is opvoeden geen kunst die je kunt leren van de deskundigen. Het is iets wat we alleen kunnen leren in de omgang met onze eigen kinderen. Bepaalde dingen moet je nu eenmaal zelf leren, die kan niemand je aanleren, en het grootbrengen van kinderen is ook zoiets. Afhankelijkheid van deskundigen maakt het opvoeden juist ingewikkelder en moeilijker. In plaats van de oplossing vormt het eerder een deel van het probleem.»

Dat lijkt in strijd met de ervaring. Ouders vragen deskundigen om advies, de deskundigen dringen zich niet aan de ouders op.

«Ik heb er niks op tegen dat ouders advies vragen, maar de deskundigen zitten niet passief te wachten tot hen wat wordt gevraagd. Ze geven actief vorm aan de opvoedingscultuur, bombarderen ouders onophoudelijk met dilemma’s en ingewikkelde adviezen. In veel gevallen wordt er ook grote politieke druk uitgeoefend op ouders om advies te vragen. Zo wordt het effect over en weer versterkt. Intussen heeft het zelfvertrouwen van ouders voortdurend te lijden onder de risicomijdende opvoedingsstijl die deskundigen opdringen. De professionalisering van de opvoeding heeft geleid tot een ondermijning van het zelfvertrouwen van vaders en moeders in hun ouderschap. De meeste ouders die ik ken zijn niet zomaar bezorgd over de manier waarop ze als vader of moeder func tioneren, ze zijn er paranoïde over.

Ik gebruik de term paranoïde bewust. Ouders zijn altijd bezorgd geweest om hun kinderen. Ik gebruik het woord ‘paranoïde’ nu juist om onderscheid te maken tussen de bekende, alledaagse zorgen die ouders nu eenmaal hebben en de kwalitatief verschillende reactie van vandaag. Kinderen zijn veiliger dan ooit tevoren en toch zijn ouders niet bezorgd om een paar resterende problemen, maar over alle aspecten van de ontwikkeling van hun kind. Experts overdrijven systematisch de gevaren die kinderen bedreigen. Dit resulteert zelfs in een intensivering van de opvoeding en bepaalde praktijken die ik 'overbescherming’ zou willen noemen. Dat is wat ik bedoel met ouderlijke paranoia. Om helemaal duidelijk te zijn: ik gebruik paranoïde dus niet als klinische term, maar als cultureel begrip.»

U zegt dat de verhouding tussen ouders en kinderen een «kwalitatieve» is en dat hij niet kan worden vervangen door deskundigen. Onderschat u niet het belang van onderwijzers en verzorgers op peuterspeelzalen en scholen?

Furedi: «Onderwijzers vervullen een heel belangrijke rol in de verzorging en opvoeding van kinderen. Idealiter doen ze dat op de 'kwalitatieve’ manier: met oog voor de individuele behoeften van het kind. Niettemin hebben die professionals een andere verhouding tot het kind dan de moeder of vader, meer een partiële. Ouders dragen nog altijd de eindverantwoordelijkheid voor een kind. In deze verhouding verschuift en verandert de positie van beide partijen voortdurend op een manier die je niet aantreft in een meer specifieke, professionele setting.»

Waarom kritiseert u ouders die hun kinderen ongebruikelijke namen geven of klassieke muziek voor hen spelen? Wat dat aangaat zegt u in «Bange Ouders» dat ouders hun eigen problemen verwarren met die van hun kinderen. Kunt u dat uitleggen?

«Ik heb er geen probleem mee als ouders dat doen, ik heb enkel willen benadrukken dat ouders vaak uit het oog verliezen dat ze hun eigen leven gestalte geven via hun kinderen. Ze doen veel dingen die zijn ingegeven door de agenda’s van volwassenen. Ik denk dat je kinderen beter kunt opvoeden door hun eigen problemen niet te belasten met volwassen zorgen. Dat helpt ouders ook een zekere controle over hun opvoedingspraktijk te houden, het is een voorwaarde om dwangmatig oudergedrag in de hand te houden.»

Wat is uw eigen antwoord op de moderne opvoedingsproblemen?

«Mijn doel is niet meer dan ouders helpen inzicht te krijgen in hun angsten en zorgen en te vertrouwen op hun eigen oordeel; ook als het betekent dat ze de adviezen van deskundigen, die toch al vaak tegenstrijdig zijn, in de wind slaan. Het terugvallen op experts ondermijnt hun vertrouwen in de eigen ouderlijke vermogens. Het versterkt de gedachte dat we allemaal professionele hulp nodig hebben om de eerste beginselen van de opvoeding onder de knie te krijgen. Het infantiliseert uiteindelijk de ouders zelf, die op hun beurt de kinderen gaan behandelen als een bedreigde soort.»

Wilt u dat ouders gewoon met rust worden gelaten bij het opvoeden?

«Geen sprake van, je kunt namelijk niet verwachten dat ouders 24 uur per dag als chaperons optreden. Als de gehele verantwoordelijkheid voor de opvoeding bij individuele ouders ligt, zullen ze zich te geïsoleerd en kwetsbaar voelen om op hun eigen instinct te vertrouwen en af te maken wat ze begonnen waren. Ironisch genoeg wenden ze zich juist dan tot experts. In plaats daarvan zou de verantwoordelijkheid voor het grootbrengen van kinderen bij de gezamenlijke volwassenen moeten liggen. Dat is geen radicaal nieuw idee. In alle culturen en historische perioden zijn moeders en vaders er altijd van uitgegaan dat als hun kinderen in moeilijkheden kwamen andere volwassenen — niet zelden onbekenden — hulp zouden bieden.»

U wijt die cultuur van de angst aan de «teloorgang van de samenwerking tussen volwassenen». Wat bedoelt u daarmee?

«Het betekent in de eerste plaats dat ouders niet verantwoordelijk zijn voor de sfeer van opgeklopt risico die nu om de opvoeding heen hangt. Het betekent ook dat het veel te simpel zou zijn met de beschuldigende vinger naar de media te wijzen, zoals vaak gebeurt. Het probleem kan het best worden begrepen als een teloorgang van de vertrouwensband tussen volwassenen. Volwassen zijn betekent niet zomaar biologisch volgroeid zijn of een bepaalde leeftijd te boven zijn. Bovenal zou het moeten betekenen: een bepaald gevoel van verantwoordelijkheid hebben jegens niet-volwassenen, de noodzaak inzien van een ondersteunende en leidinggevende relatie met de jongere generatie. Ouderen van vandaag lijken dat gevoel kwijt te zijn. Ze wijzen kinderen niet terecht wanneer ze zich misdragen, al is het maar door te zeggen: 'Zo gedraag je je niet’. Ze nemen niet de moeite kinderen te stimuleren en wijzer te maken, of hun ouders bijna vanzelfsprekend te helpen door op de kinderen te letten. In plaats van samen te werken, gaan volwassenen elkaar zodoende niet als mogelijke bondgenoten beschouwen, maar als vijanden, als een potentieel gevaar. Deze visie op volwassenheid veroorzaakt veel van de problemen die ik in Bange ouders beschrijf.»

Maar de opvoedingsdeskundigen krijgen er in uw boek het hardst van langs. Wat zijn hun tegenwerpingen?

Furedi: «Ze hebben mijn voornaamste verwijten eigenlijk geen van alle beantwoord, behalve door te zeggen: 'Er is toch niks op tegen dat mensen boeken lezen en deskundigen raadplegen?’ Ik heb natuurlijk nooit beweerd dat daar iets mis mee was. Ik schreef dat er zodanige druk op ouders wordt uitgeoefend dat ze geen andere keus hebben dan zich tot deskundigen te wenden. Soms was er ook sprake van een soort noodgedwongen adhesie. Het 'grote tegenargument’ van opvoedingsdeskundigen tegen mijn boek was dat ik net zo'n opvoedingsdeskundige ben als zij; dus waar heb ik het over? Al wat ik kan zeggen is, dat als zij het verschil niet begrijpen tussen een poging tot duiding van een probleem en de claim dat je er als deskundige de oplossing voor hebt gevonden, ze last hebben van een groot begripsprobleem. Veel van die kritiek is een opzettelijke misvorming van wat ik zeg. Ik vertel mensen niet wat ze moeten doen, ik probeer te verklaren waarom we reageren zoals we doen. En ik denk dat als we begrijpen waarom we zo reageren we mensen in staat stellen daar iets aan te doen, op hun eigen manier.»

Hoe reageerden «gewone ouders» op uw boek?

«Het boek is door ouders een stuk beter ontvangen dan door de experts. Een deel van de verklaring is volgens mij dat het boek ouders geen extra reden geeft zich zorgen te maken, zoals sommige critici zeiden, maar dat het veel ouders heeft bevestigd in wat hun intuïtie hen al ingaf. Veel ouders weten intuïtief al dat hun reacties maar al te vaak overtrokken zijn. Wat ik hopelijk heb gedaan, is bepaalde verklaringen aanreiken waarmee ze het bestaan voor zichzelf makkelijker kunnen maken.»

Frank Furedi is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Kent (Darwin College). Zijn boek Paranoid Parenting: Abandon Your Anxieties and Be a Good Parent (Penguin, 2001) verschijnt deze maand in het Nederlands onder de titel Bange ouders: Opvoeden zonder angst (Van Halewyck). Furedi’s zoon Jacob is bijna zes.

Vertaling: Aart Brouwer