H.J.A. Hofland

Moderne theocratie

New York, dinsdag — voor de kenners was het een mooi mo ment. Premier Ariel Sharon is een man des vredes, zei president Bush. Hij trok er zijn staatsmansgezicht bij. Ook altijd goed.

Dit stukje gaat niet over politiek. Het is bedoeld als een kleine verhandeling over de motoriek, het idioom en vooral de denktrant van de eigentijdse staatslieden. Een ander voorbeeld: een leider van ons poldermodel die op een persconferentie zegt: «Dit moeten wij samen, in goed vertrouwen oplossen», waarbij hij met beide handen een stuk lucht van de ene kant van de tafel naar de andere verplaatst. Ik ken mensen die naar de persconferenties kijken uitsluitend voor deze momenten. Ze zijn kenners, liefhebbers geworden.

Zo is het mij met George W. gegaan. Het vastberaden loopje, zijn half toegeknepen ogen die naar de vijand in het Wilde Wes ten kijken, de manier waarop hij zichtbaar, voelbaar aan zijn zinnen bouwt. Wie er eenmaal vatbaar voor is, kan er niet genoeg van krijgen.

Maar er is nog iets anders. Het zit in zijn logica — of niet alleen in die van hem maar van dit hele bewind. Vergelijken we hem met Bill Clinton. Die had zich gespecialiseerd in de grensverlegging. Hij beet eerst op zijn onderlip. Wel geblowd, niet geïnhaleerd; wel oraal, geen seks. Dat was persoonlijk. Dit van Bush is wereldpolitiek. En opnieuw afgezien van de verdiensten: het is typerend.

Het eerst is het gemerkt door de columnist van de Los Angeles Times, William Pfaff. Het ging over het Nuclear Posture Review, het document waarin het Pentagon oppert dat met nog te bouwen speciale, kleine kernwapens van chirurgische nauwkeurigheid in een preventieve actie terroris ten in hun kelders kunnen worden opgeblazen. De New York Times schreef dat Amerika zich op deze manier, naar eigen maat staven, bij de schurkenstaten met kernwapens schaart. Pfaff gelooft dat dit bewind een variant op Orwell heeft bedacht: niet het «vrede is oorlog» zoals Big Brother predikte, maar «oorlog is vrede».

Lees er Orwell op na, de eerste bladzijden van 1984. De Haatweek begint, met het gezicht van de universele vijand Goldstein. De kijkers raken buiten zichzelf van haat; twee minuten pure haat. Het beeld vloeit over, het gezicht van Big Brother komt op het scherm. Zijn aanblik stelt iedereen gerust. En dan verschijnen de Waarheden: War is Peace, Freedom is Slavery, Ignorance is Strength.

Vorige week hield Bush een rede tegen het klonen van menselijk leven. De president vindt dat het tegen alle ethische en godsdienstige beginselen is. Zo zei hij het niet, maar op de achtergrond dreigen de «embryoboerderijen» en uiteindelijk Frankenstein. De president is ook tegen abortus. Hij blijft de meest geestdriftige voorstander van de doodstraf.

Het Pentagon had het plan strategische leugens te verspreiden om de vijand op het verkeerde been te zetten. Toen duidelijk werd wat voor oeverloze verwarring dit tot gevolg zou hebben, werd het ingetrokken.

Niettemin. Voor de Taliban-strijders die op de Guantanamo-basis gevangen zitten zou de Conventie van Genève niet gelden. Na protest in binnen- en buitenland werd de oekaze herroepen.

Op de Dag van de Aarde verzekerde hij dat de lucht weer schoon zal worden. Krijgen de Republikeinen hun zin, dan wordt in Alaska een olie-industrie gevestigd.

In zijn campagne beloofde Bush compassionate conservatism. Wat dat is, kan niemand je precies vertellen. In zijn vrije tijd spreekt hij godsdienstige, met overheidsgeld gesubsidieerde congregaties toe. Die antwoorden met Halleluja! Amen (NYT, 22 april). Amerika is een godsdienstig land. Dat vergeet je wel eens als je naar Hollywoods entertainment kijkt. Bij Bush krijgt het iets van een oudtestamentische theocratie, voorzien van de modernste middelen.