Moderne vormen van hulp

Wat ontwikkelingshulp betreft, is Nederland gefixeerd op de ‘nulkommazeven’-discussie. Nederland is een van een handvol landen dat meer dan 0,7 procent van zijn overheidsbudget opzij zet voor hulp, de magische grens die de Verenigde Naties aan lidstaten ‘aanraden’ als verantwoord bedrag.

Met de tussenformatie in volle gang wordt het soms gepresenteerd als thriller: houdt het CDA ons bij de morele voorhoede of kapt Wilders het hulpbudget even boven de ceintuur doormidden? Achter de discussie speelt niet alleen de overtuiging dat het onze morele plicht is om arme landen te helpen, maar ook de aanname dat de hele wereld al bezuinigt op ontwikkelingshulp en dat er niemand meer over zal zijn om de zieligen der aarde te helpen als wij het niet doen. Maar dat is niet waar.

Ontwikkelingshulp beleefde in 2010 een topjaar: er werd wereldwijd meer geld aan uitgegeven dan ooit. Meer nog dan in 2005, toen de Verenigde Staten Irak volpompten met hulpgeld en de G7 allerlei schulden van arme landen wegstreepten. Sommige rijke landen bezuinigen op hulp, zoals Italië, maar veel ook niet. En daar staat nog tegenover dat nieuwe donoren een grotere rol beginnen te spelen, landen waarvan we dat niet snel zouden verwachten.
In de traditionele opvatting wordt hulp bedreven door hoog ontwikkelde landen. Arme landen kunnen dan per definitie geen hulp geven. Dat blijkt niet zo te zijn. Zo is China in vele opzichten nog een ontwikkelingsland, maar het geeft inmiddels meer buitenlandse hulp dan Italië - het eerste land van de G7 dat door de Chinezen is ingehaald. En China heeft ook Groot-Brittannië en de hulpgrootmachten Zweden en Noorwegen in het vizier (Nederland blijft China nog wat langer voor).

De economische en machtsverhoudingen in de wereld zijn aan het veranderen en dat is ook zichtbaar bij ontwikkelingshulp, dat traditiegetrouw een mengeling is van hulp en een ingang voor invloed. De Chinese uitgaven aan ontwikkelingshulp namen van 2005 tot 2010 elk jaar met gemiddeld 24 procent toe. De hulp uit Brazilië groeide al even sterk, terwijl de Indiase hulp elk jaar met ruim tien procent steeg. In absolute bedragen gerekend zijn de nieuwe donorlanden uit het zuiden nog kleine spelers, afgezien van China, maar het is wel een trend die traditionele verhoudingen doorbreekt. Veel ontwikkelingslanden nemen bovendien liever hulp aan van een land dat zichzelf recent aan identieke problemen heeft ontworsteld dan van een veeleisende, rijke donor. En de zuid-zuidhulp heeft een ander groot voordeel: succesvolle praktijken overdragen.

Een rapport van de internationale ngo Global Health Security Initiative zette deze week een aantal voorbeelden op een rij: China kopieert programma’s voor geboortebeperking naar Afrika, Brazilië zet distributieprogramma’s voor aidsremmers en financiële steun van zijn eigen favela’s over naar tientallen andere landen, India kopieert oplossingen voor goedkope oogoperaties en geeft via internet ondersteuning aan Afrikaanse artsen. De traditionele visie op hulp domineert nog. Bij de VN-top over buitenlandse hulp, een paar maanden geleden in Korea, werd pas op het laatste moment een paragraaf over zuid-zuidhulp toegevoegd in de officiële verklaring. Arabische donoren, die naar verhouding veel meer aan hulp uitgeven dan de meeste westerse landen, waren niet eens uitgenodigd. Hun geld gaat enkel naar moslims en is met nogal wat religieuze missie omgeven; kennelijk is het dan geen hulp meer. De Bill Gates Foundation, die meer aan hulp uitgeeft dan menig rijk land, kon er niet op zo'n status rekenen. Maar de wereld verandert en hulp ook.