Dick Houtman over de kloof tussen wetenschap en politiek

Modernisering leidt tot cultureel onbehagen

Volgens cultuursocioloog Dick Houtman moeten onderzoekers zich niet uitleveren aan het politieke debat. Maar ook stoort hij zich aan de morele en politieke claims die zijn collega’s maken. ‘De logica van de wetenschappen en de logica van de politiek verdragen elkaar slecht.’

MINACHTING VOOR FEITEN. Het was een van de tien problemen die naar voren kwamen in het onderzoek van De Groene Amsterdammer onder 75 wetenschappers naar de meest dringende kwesties van deze tijd. Ook zaken als ‘doorgeschoten marktdenken’, 'de opkomst van Azië’ en 'de kloof tussen elite en volk’ stonden op de lijst, maar van alle problemen sloeg dit het meest terug op de onderzoekers zelf. Immers, als feiten niet meer tellen, waar moet de wetenschap haar legitimiteit dan nog vandaan halen?

Een van de deelnemers die deze kwestie aankaartten, was de Rotterdamse hoogleraar cultuursociologie Dick Houtman. Of iets wel of niet 'waar’ is, doet er in de politiek niet zo veel meer toe, stelde hij in zijn bijdrage aan het onderzoek. Het is in de ogen van veel hedendaagse kiezers belangrijker dat politici ergens hartstochtelijk voor of tegen zijn, volgens Houtman. Vandaar dat tegenwerpingen als 'niet waar’, 'praktisch onuitvoerbaar’ of 'in strijd met internationale verdragen’ zo weinig gewicht in de schaal leggen. Kiezers verlangen geen uitspraken over hoe de wereld is, maar over hoe deze zou moeten zijn. Die les hebben populistische partijen als de PVV verdomd goed begrepen. Aldus de socioloog.

Voor de wetenschap zijn het wellicht sombere conclusies, maar tijdens een bezoek aan de faculteit sociale wetenschappen van de Erasmus Universiteit toont hij zich laconiek. 'Een gezagscrisis in de wetenschap? Sociale wetenschappers weten al lang dat de meeste mensen, zijzelf incluis, zich aan de feiten weinig gelegen laten liggen’, lacht Houtman. Het is duidelijk: de teleurstelling die bij veel sociale wetenschappers doorklinkt als ze constateren dat hun metier in afnemende mate serieus wordt genomen, heeft Houtman in ieder geval niet in zijn greep.

Toch heeft ook hij zorgen, maar die betreffen eerder het onbegrip over de rol van de wetenschap dan de politiek. 'Diep in zijn hart wil iedere wetenschapper wat Thomas Kuhn “revolutionaire wetenschap” noemde bedrijven’, stelt Houtman. 'Iedereen wil het liefst een bestaande theorie, waarvan iedereen gelooft dat hij waar is, genadeloos omverwerpen en als het even kan daar meteen een betere theorie voor in de plaats zetten. Maar juist doordat er in de wetenschap een premie staat op het schieten op gevestigde theorieën ondermijnt de wetenschap haar eigen gezag. Zelfs de meest gevestigde theorieën liggen constant onder vuur en die kritiek dringt steeds meer door tot buiten de universiteit. Het wetenschappelijk debat is tot in de huiskamer doorgedrongen. Niet verwonderlijk dat mensen dan denken: die professoren roepen maar wat.’

Houtman geeft zijn uiteenzetting in zijn werkkamer op de zesde verdieping met uitzicht op het lommerrijke Kralingen. Binnen vormt een palissade van boeken, sociologische tijdschriften en papieren op de rand van zijn bureau de mise-en-scène waarin de cultuursocioloog in rappe zinnen uitlegt hoe wetenschap en politiek noodlottig met elkaar verweven zijn geraakt: 'Als je politiek iets wil bereiken, wordt er meestal gevraagd om het plan te legitimeren met wetenschappelijk onderzoek. Die wens heeft zulke proporties aangenomen dat voor iedere kwestie een “wetenschappelijk expert” wordt opgetrommeld. Maar het probleem is: echte wetenschap biedt geen zekerheid, maar koestert juist onzekerheid en zoekt twijfel op. Wetenschap is geen religie. In religie zeg je: zo zit het, daar hoeven we niet aan te twijfelen. Maar dat is een anti-intellectueel standpunt. In de wetenschap moet alles permanent ter discussie staan.’ Houtman zet zijn woorden kracht bij door op tafel te tikken met zijn wijsvinger.

Zet je zo niet de deur open voor 'fact-free politics’, waarbij het iedereen vrij staat om maar wat te roepen?

'Misschien, maar ik zie dat de politiek zich vaak ook te gemakkelijk verschuilt achter wetenschappelijk onderzoek, in plaats van zelf een verhaal te vertellen. Dat is slecht voor de politiek, maar ook slecht voor de wetenschap. Die wordt daarmee onderdeel gemaakt van het politieke spel. De logica van de wetenschappen en de logica van de politiek verdragen elkaar zeer slecht. Politiek gaat namelijk niet over de empirische vraag naar wat waar is, maar over de normatieve vraag wat juist is - en die vraag kunnen wetenschappers niet beantwoorden.’

Is waardenvrije wetenschap een ideaal?

'Voor mij wel, ja.’

Maar is het ook haalbaar?

'Je kunt er in ieder geval naar streven. Dat is beter dan bij voorbaat al partij te kiezen en mee te huilen met de wolven in het bos, of ze nou links of rechts zijn. Je ziet wat er gebeurt: sociale wetenschappers worden in afnemende mate serieus genomen omdat ze worden geassocieerd met het legitimeren van linkse projecten. Neem een instituut als Forum, dat onderzoek doet naar multiculturele vraagstukken. Ze hebben de schijn bij voorbaat al tegen bij rechtse partijen en dus wordt hun onderzoek minder serieus genomen.’

HOE PROBEREN wetenschappers in uw vakgebied vermenging van politiek en wetenschap te voorkomen?

'Veruit de meesten keren het maatschappelijke debat gewoon de rug toe en verliezen zich in gekissebis over methodologie en statistiek. Anderen vinden de vermenging van wetenschap en politiek niet eens een probleem en doen alsof zij op grond van wetenschappelijke kennis politieke standpunten kunnen rechtvaardigen. Wie er kritisch naar kijkt, kan vaststellen dat ook in de wetenschap zelf de feiten er niet zo veel toe doen. De beoordeling van de kwaliteit van onderzoek hangt in de praktijk vaak niet af van de gedegenheid, niet van hoe de methode in elkaar zit. Natuurlijk, het speelt wel mee, maar kwaliteit is secundair. Het gaat er vaak meer om hoe welgevallig de getrokken conclusies zijn. Ik heb zelf veel gepubliceerd over het vroege werk van Ronald Inglehart, een internationaal gezaghebbende politicoloog die beweert dat de cultuuromslag van de jaren zestig en zeventig het gevolg is van de toegenomen welvaart. Iedere goed opgeleide student kan zien dat hij zijn theorie niet hardmaakt. Maar het klinkt allemaal best plausibel en dus willen velen het graag geloven. Maar zie wat er gebeurt als de conclusies niet gewenst zijn. In 1994 verscheen The Bell Curve van Hernnstein en Murray. Het boek betoogt dat sociale ongelijkheden vooral het gevolg zijn van aangeboren aanleg. Hevige verontwaardiging barstte los nadat het werk was verschenen. Het klopt methodologisch niet, riepen de critici. Hadden ze gelijk in, maar dat geldt ook voor het werk van Inglehart. Maar de premie om The Bell Curve te ontmaskeren was veel groter. Wetenschappers hebben altijd hun mond vol van “het wetenschappelijk forum”, waarin iedereen kritisch is, maar de kritiek is behoorlijk eenzijdig. Ik vind dat nogal problematisch, zeker in een cultuur waarin wetenschap zichzelf graag positioneert tegenover religie, geloof en kortzichtigheid.’

Iedereen is vooral op zoek naar bevestiging van wat ze al denken?

'Daar ben ik van overtuigd. Samen met mijn collega Peter Achterberg heb ik onlangs een artikel geschreven over hoe mensen denken over waterstoftechnologie als alternatief voor fossiele brandstoffen. De ene helft van de groep kreeg van tevoren allerlei informatie over deze technologie, zodat we de invloed van het toereiken van feitelijke kennis konden meten. Wat blijkt: mensen die denken dat klimaatverandering onzin is, kun je informatie geven wat je wil, ze worden er niet positiever van over waterstoftechnologie. Voor mensen die juist wél bezorgd zijn over het milieu geldt het omgekeerde. Het toont aan dat iemands culturele habitus bepaalt hoe mensen informatie verwerken. Mijn stelling is dan ook: het gaat niet om feiten, maar om de interpretatie van feiten en om de verhalen die mensen willen horen.’

Hoe kunnen sociale wetenschappers zich dan relevant maken?

'Niet door zich in de politieke strijd te mengen, in ieder geval. Net als iemand als Zygmunt Bauman ben ik van mening dat de rol van de sociale wetenschap wezenlijk is veranderd: zij moet iedereen die zijn eigen interpretatie van de werkelijkheid voordoet als werkelijkheid zelf het leven zuur maken. Ik zie het zelf als mijn opdracht om de structuur en dynamiek van culturele en politieke conflicten te ontrafelen en vervolgens die inzichten terug te laten vloeien naar het maatschappelijk debat. Ik heb ook collega’s die zeggen: mensen moeten gewoon naar ons luisteren. Maar dat vind ik helemaal niet. Je vraagt mij: waarom klagen sociale wetenschappers dat feiten er niet toe doen? Maar ik klaag helemaal niet, ik stel het alleen maar vast. Laat anderen maar beoordelen wat er moet gebeuren, want je kunt op basis van de feiten nu eenmaal niet beslissen wat je moet doen. Dat is misschien moeilijk te aanvaarden, maar het is wel waar en dat weet iedere eerstejaars student. De wetenschap kan niet bepalen welke doelen het nastreven waard zijn of welke middelen daartoe legitiem inzetbaar zijn. Dat zijn voor honderd procent morele vragen. Als de politiek die vragen ontloopt en zich verschuilt achter feiten doet ze haar werk niet goed. En als de wetenschap zich met dit soort vragen inlaat, dan doet zij haar werk evenmin goed.’

HOUTMAN HINKT OP twee gedachten. Aan de ene kant is hij ervan overtuigd dat sociale wetenschappers zich publiekelijk moeten uitspreken. 'Als we alleen mailen met collega’s in Australië en Canada over de fit van statistische modellen, valt de legitimiteit van de sociale wetenschappen volledig weg’, stelt hij. Maar aan de andere kant stoort hij zich aan de morele en politieke claims die zijn collega’s maken: 'Veel sociale wetenschappers maken zich zorgen over wat er in de politiek gebeurt. Niet ten onrechte, als ik me dat mag permitteren. Maar als ik ze erover hoor praten, dan vraag ik me af of ze zich wel realiseren dat ze de weerstand tegen henzelf alleen maar oproepen en versterken. Op het moment dat je neerbuigend gaat zeggen: “Het gaat in de politiek om de feiten, u weet niet waar u het over heeft en u moet uw mond houden”, dan is je bestaansrecht evengoed weg.’

Moeten wetenschappers niet ook hun kennis inzetten voor een betere samenleving?

'In mijn intellectuele kringen neemt niemand het idee serieus dat de wetenschap wegbereider is voor een betere wereld. Dat geloofde men in de jaren vijftig, de tijd van de beleidssociologie. Het idee dat als je maar aan de juiste maatschappelijke knoppen draaide alles vanzelf goed kwam. Dat is veel te technocratisch. In 1960 schreef Daniel Bell The End of Ideology, waarin hij voorspelde dat de politiek voortaan vooral zakelijk en bestuurlijk zou zijn. De inkt was nog niet droog of de culturele revolutie van de jaren zestig brak uit. Wat volgde was een tijd van heel verhit, utopisch politiek debat waarin de werkelijkheid onder vuur werd genomen. “De wereld die jullie gecreëerd hebben, deugt niet”, riep de tegenbeweging. Nu zie je hetzelfde onbehagen dat de politiek zo bestuurlijk is. Ondertussen zijn er ook dingen veranderd in de wetenschap. In de jaren vijftig was er geen postmodernisme, en dus was het vertrouwen in de wetenschap zeer groot. Inmiddels is het postmodernisme vanuit de academie tot in de haarvaten van de samenleving doorgedrongen. Je kunt niet meer zeggen: “De feiten wijzen het uit.” Alleen de uitspraak: “Zo kun je er ook tegenaan kijken” klinkt nog aanvaardbaar, zowel binnen als buiten de wetenschap.’

Tegelijkertijd constateert Dick Houtman - getraind in de traditie van de klassieke sociologie - dat het alledaags postmodernisme onvoldoende bevredigt. In zijn bijdrage aan het onderzoek van De Groene constateert hij een behoefte aan Gesinnungsethik, een term van de Duitse socioloog Max Weber. Die is te proeven in verhitte retoriek van de populisten. Daartegenover staan de traditionele bestuurspartijen met hun Verantwortungsethik, het op pragmatische wijze nastreven van het haalbare door het sluiten van compromissen. Het grote probleem van de hedendaagse Nederlandse politiek is dat men nauwelijks uit de voeten kan met de logica van de populistische Gesinnungsethik en al evenmin met het verlangen dat eraan ten grondslag ligt, vindt hij.

Wat gaat er schuil achter het verlangen naar 'Gesinnung’?

'Onbehagen, anomie en vervreemding, daar schreven Marx, Weber en Durkheim al over. In samenlevingen die steeds verder rationaliseren, en daarmee complexer worden, krijgen mensen het idee dat ze het niet meer kunnen bijbenen. Ze hebben niet meer het gevoel dat ze op organische wijze deel uitmaken van de samenleving. Ze voelen zich niet meer thuis. En dat was in de jaren zestig ook zo. De tegencultuur wordt altijd omschreven in termen van vervreemding. “De samenleving reduceert mij tot een radertje in de machine”, dat soort klachten. En dat lijkt sterk op wat er nu wordt gezegd door rechtse populisten. Voor mij als cultuursocioloog zijn het wat dat betreft gouden tijden. Het is interessant om te onderzoeken hoe dat soort onbehagen wordt opgeroepen door voortschrijdende rationalisering. En dan te kijken hoe mensen het leven weer van zin en betekenis proberen te voorzien.’

Is cultureel onbehagen een constante in de moderne geschiedenis?

'In zekere zin wel. Cultureel onbehagen is er in moderne samenlevingen altijd geweest. Het is alleen jammer dat de meeste sociologen daar zo weinig zinnigs over te zeggen hebben. Ze zien dit onbehagen vaak als een gebrek aan kennis. Maar ze bestuderen doorgaans dan ook niet de cultuur, maar wat zij beschouwen als “de echte werkelijkheid”: organisaties, de arbeidsverdeling, politieke partijen. Ik ben geïnteresseerd in wat daar achter zit. In de culturele voorstellingen van mensen, in hun kijk op het goede leven. Hoe ze reageren op die institutionele ontwikkelingen. Dan zie je al gauw bepaalde patronen. Modernisering leidt tot cultureel onbehagen en tot de opkomst van romantische dromen over een betere werkelijkheid. De tegencultuur deed dat en de PVV doet dat in wezen ook. Beide laten zien dat modernisering leidt tot cultureel onbehagen en dat heeft weer een romantische wending in onze cultuur tot gevolg. Je ziet het ook in de consumptiecultuur: daarin is persoonlijke authenticiteit heel belangrijk. Mensen willen vrij zijn, zichzelf zijn. Ze willen geen radertje zijn en niet in een kunstmatige rol geduwd worden. Ook dat verbindt het cultureel onbehagen van de PVV met het linkse onbehagen van de jaren zestig en zeventig.’

Het individualisme blijft volgens Houtman dan ook de politieke pasmunt van deze tijd. 'Ieder politiek verhaal dat stoelt op individualisme ligt goed in de markt’, aldus de socioloog. Meteen maakt hij een voorbehoud: 'Maar een partij als de PVV, maar ook de VVD, is electoraal succesvol met een opmerkelijke vermenging van individualisme en collectivisme. Er zit iets in van “wij vrije en tolerante Nederlanders zijn wars van betutteling, maar die moslims, die willen dat allemaal terugdraaien, dus die moeten eruit”. Er zit een individualistische kant en een gemeenschappelijke kant aan de politiek in dit land. Dat kan uitgroeien tot de nieuwe grote politieke tegenstelling.’