Antoon Braeckman e.a.

Moderniteit onder vuur

Al sinds het begin van het proces van moderniteit in de zestiende eeuw wordt elke culturele of maatschappelijke ontwikkeling gevolgd door een tegenreactie. Zo’n aanval op de moderniteit, ook door intellectuelen, vormt soms een voedingsbodem voor grootschalig geweld.

Ongetwijfeld pleit het tegen me of wijst het op fundamentele persoonlijkheidsdefecten, maar af en toe betrap ik mezelf op de behoefte het niet over «11 september» te hebben, om bij die datum alleen maar te denken aan mijn trouwdag. Het beroerde is echter dat zo veel onderwerpen sindsdien in een ander of in elk geval scherper daglicht zijn komen te staan. Zo ook het thema van de bundel die nu ter recensie ligt: het onbehagen met de moderniteit.

Over het algemeen wordt met het begrip moderniteit het proces aangeduid dat in de zestiende en zeventiende eeuw begon, en dat wordt gekenmerkt door continue maatschappelijke en culturele veranderingen. Het is de periode waarin de kapitalistische economie tot bloei komt en natiestaten ontstaan die zich, met vallen en opstaan, ontwikkelen tot democratieën. Deze laatste opmerking lijkt echter alweer een noodzakelijk «eindstation» te suggereren, maar het kenmerk van de moderniteit is nu juist dat voortdurend alles verandert, dat alle verhoudingen permanent worden gerevolutioneerd.

Marx heeft het in het Kommunistisch Manifest over dit verschijnsel als hij schrijft: «De voortdurende omwenteling der productie, de onafgebroken verstoring van alle maatschappelijke toestand, de eeuwige onzekerheid en beweging onderscheiden het bourgeoistijdperk van alle andere. Alle vaste, ingeroeste verhoudingen met hun nasleep van traditionele, eerwaardige voorstellingen en opvattingen vergaan, alle nieuw gevormde verouderen voordat zij kunnen verstenen. Al het feodale en vaststaande vervluchtigt, al het heilige wordt ontwijd en de mensen zijn uiteindelijk gedwongen hun plaats in het leven, hun wederzijdse betrekkingen met nuchtere ogen te beschouwen.» Max Weber zou deze permanente ontluistering later aanduiden met het begrip der Entzauberung der Welt.

De socioloog Peter Berger heeft erop gewezen dat naast de evidente voordelen die de moderniteit met zich meebracht — denk aan de enorme productiestijging en de vele toepassingen van wetenschappelijke inzichten en technologische vernieuwing — er ook een aantal problemen is ontstaan. In de eerste plaats is een kenmerk van modernisering dat sociale verhoudingen steeds abstracter worden, wat leidt tot onvrede met rationalisering, bureaucratisering, massificatie, anonimisering en het gevoel van zinloosheid. Volgens Berger is in een dergelijke samenleving weinig ruimte voor «de rijke concreetheid van het menselijk leven».

Een tweede probleem is de verschuiving van het tijdperk waarop zich men oriënteert. Was dat in de premoderne tijd het verleden, tegenwoordig is dat de toekomst. De klok jaagt ons voort, we mogen onze carrièreplanning geen moment uit het oog verliezen, en we hebben nauwelijks tijd om het hier en nu tot ons te laten doordringen. Rusteloosheid en jachtigheid zijn zo kenmerkend voor het moderne bestaan geworden dat de overheid zich al geroepen voelde om «onthaasting» te prediken.

Een derde door Berger gesignaleerd probleem is de plaats van het individu. Terwijl de maatschappij steeds abstracter wordt, en de mensen dus anoniemer worden, is het zelfbeeld van de moderne mens steeds individualistischer geworden. Terwijl hij voor de overheid en de snelle jongens van de marketingafdelingen niet meer is dan een teleenheid, benadrukt de moderne mens in toenemende mate zijn uniciteit. De spanning tussen deze twee tendensen moet volgens Berger wel tot problemen leiden.

Een vierde, hiermee samenhangend probleem, is dat van de vrijheid. Het grote succesverhaal van de moderniteit is dat het menselijk bestaan tot die tijd door het lot werd gedomineerd. Je plaats in de samenleving, je gezondheid en levensverwachting, je beroepsperspectief — op dat alles had je weinig tot geen invloed. Nu lijken we ons lot in hoge mate te kunnen sturen, en lijkt er een bijkans oneindige keuzevrijheid te bestaan. Maar wat moeten we kiezen, nu de traditie ons geen houvast meer biedt? Juist die vrijheid om zelf keuzes te maken wordt vaak ervaren als dwang en als een belasting. De veel geroemde vrijheid lijkt vooral onzekerheid met zich mee te brengen en maakt mensen angstig.

Het laatste, zeer in het oog springende probleem dat Berger noemt, is dat van de secularisatie. De stormachtige opmars van het rationalisme en de afkalvende religiositeit vormen volgens Berger een ernstige belemmering voor enkele diepverankerde menselijke behoeftes, zoals «het verlangen om in een betekenisvolle en uiteindelijk hoopvolle kosmos te leven». Op sociologische, en duidelijk niet op theologische of filosofische, gronden neemt Berger daarom aan dat deze situatie geen stand kan houden, en dat mensen zich weer massaal op het transcendente gaan richten.

Ondanks zijn kritiek wijst Berger de moderniteit niet af, aangezien dat zinloos zou zijn: «Een kritiek is geen aanval, maar eerder een poging om helder waar te nemen en de menselijke kosten te wegen.» De aanslagen van 11 september daarentegen waren wel duidelijk bedoeld als een oorlogsverklaring aan de moderniteit. Fukuyama mag dan het terrorisme van moslimfundamentalisten zien als een wanhopig achterhoedegevecht van gemarginaliseerde groepen die de aansluiting bij de moderniteit hebben gemist, in werkelijkheid is de apocalyptische aanslag op het WTC te zien als extreem protest tegen de door Berger gesignaleerde problemen. De mannen die op die elfde september hoogstandjes van de technologische ontwikkeling gebruikten als massavernietigingswapens, deden dat omdat ze hartstochtelijk verlangden naar een wereld waarin persoonlijke verhoudingen nog maatgevend zijn, waarin de traditie het handelingskader bepaalt, waarin het individu nog volledig is ingebed in een zinvol geheel, waarin het te volgen levenspad nog overzichtelijk is, en een wereld die niet van haar mystieke glans is beroofd.

Hoewel de manier waarop de moderniteit wordt aangevallen nieuw is, is dit niet de eerste aanvalsgolf. Het eerste offensief tegen de toen nog jonge moderniteit werd ingezet door de Romantiek, die zich keerde tegen het rationalisme en materialisme van de Verlichting, en die haar universalistische pretenties ter discussie stelde door te wijzen op de zeer uiteenlopende tradities en culturen in verschillende landen en regio’s.

De tweede aanval kwam aan het eind van de negentiende eeuw, toen een deel van de intellectuelen zich tegen de eerder genoemde tendenties begon te verzetten. Hoewel het onzin is om deze intellectuelen de schuld van de Tweede Wereldoorlog in de schoenen te schuiven, hebben zij wel bijgedragen aan een geestelijk klimaat waarin het fascisme en nationaal-socialisme konden gedijen. Want uiteindelijk was het fascisme natuurlijk ook een oorlogsverklaring aan de moderniteit, waarbij Mussolini en Hitler, net als de terroristen van 11 september, wel dankbaar gebruik maakten van de mogelijkheden die de moderniteit hen bood.

De bundel Onbehagen met de moderniteit gaat over de wegbereiders van deze tweede aanvalsgolf, over de revolte van een aantal intellectuelen die tussen 1890 en 1933 zeer scherpe kritiek uitten op wat zij zagen als de noodlottige gevolgen van het moderniseringsproces. Denkers die in dit boek aan de orde komen zijn Georges Sorel, Charles Maurras, Johan Hui zinga, José Ortega y Gasset, Karl Jaspers, T.S. Eliot, Carl Schmitt, Ernst Jünger, Martin Heidegger en Georges Bataille. De bundel wordt afgesloten met een essay over een hedendaagse denker die in zijn werk gedeeltelijk aansluit bij inzichten van die vooroorlogse moderniteitskritiek. Hoe riskant dat is heeft Peter Sloterdijk in 1999 ondervonden, toen zijn rede «Regels voor het mensenpark» werd uitgekreten voor fascistisch.

Voor een groot deel kwam de onvrede van deze intellectuelen voort uit het feit dat zij behoorden tot een maatschappelijke groep die steeds meer in de verdrukking kwam, het zogenaamde Bildungsbürgertum. Toen de oude aristocratie haar macht verloor en de nieuwe klasse van kapitalistische ondernemers nog niet klaar was om die macht over te nemen, had het deel van de burgerij dat zijn aanzien te danken had aan zijn vorming en opleiding, een leidende rol kunnen spelen. Met de onstuitbare opmars van de economische elite werd de positie van deze «Bildungselite» steeds penibeler. De moderniteit, die deze elite in het leven had geroepen, werd nu ervaren als een bedreiging.

Omdat deze intellectuelen hun cultuur bedreigd zagen door de voortdenderende industrialisering, massavorming, nivellering, rationalisering, democratisering en het alom terrein winnende materialisme, waren zij van mening dat de cultuur in gevaar was. Hoewel eigenbelang duidelijk een rol speelde, betekent dit nog geen automatische diskwalificatie van de denkbeelden van deze intellectuelen. Zo hebben Sorel en Mauras duidelijk gemaakt wat de gevolgen zijn van de genade loze ontmythologisering en is Ortega y Gassets beschrijving van de voort woekerende massavorming — het moralistische toontje ten spijt — nog altijd actueel. Ook Carl Schmitts scherpe analyse van het voor het liberalisme zo kenmerkende proces van depolitisering en neutralisering levert tal van inzichten op die, zeker in het licht van de huidige ontwikkelingen, verhelderend zijn. Het artikel dat Theo de Wit over hem schreef, is dan ook waardevol. Dat geldt eveneens voor het indringende essay van Koo van der Wal — waaraan de beschrijving van Peter Bergers moderniteitanalyse is ontleend — over Karl Jaspers. Deze Duitse filosoof accepteerde, in tegenstelling tot obscurantisten als Jünger en Heidegger, de ideeën van de Verlichting wel, maar zag als probleem vooral dat «het zicht op de transcendente werkelijkheidsdimensie en de betrokkenheid van de existentie» werd verduisterd. Terwijl de Verlichting de intentie had de mensen uit te tillen boven door het lot gedetermineerd bestaan, heeft zij juist bijgedragen aan de dehumanisering van het menselijk bestaan.

Dat de verhouding van veel intellectuelen tot de moderniteit allesbehalve eenduidig was, blijkt ook uit het artikel over T.S. Eliot, die immers als kunstenaar tot de absolute avant-garde behoorde, terwijl zijn politieke en maatschappelijke opvattingen steeds sterker het stempel van de traditie droegen. En hier wringt natuurlijk de schoen. Het alternatief van de Taliban, of van christelijke fundamentalisten, is geen alternatief, maar tegelijkertijd blijft het besef knagen dat de moderne mens zich op een vrij dramatische wijze in de hoek heeft geverfd. Zonder het schilderwerk van de moderniteit aan te tasten, komen we daar niet uit.

Antoon Braeckman, Raoul Bauer, Jacques de Visscher (red.), Onbehagen met de moderniteit: De revolte van de intellectuelen, 1890-1933 Uitg. Pelckmans, 224 blz., ƒ44,50