Moe

Het is al laat als ik de taxistandplaats vind; hij ligt ineens aan de andere kant van het station, half verborgen achter een bouwkeet. Er staat een bord naast met daarop ‘taxi’ en een pijl die regelrecht de andere kant op wijst. Normaal gesproken vind ik dat soort dingen grappig; nu ben ik moe en wars van verwarring. Een doffe hoofdpijn dringt zich op. ‘Wat een rommel hè?’ zegt de taxichauffeur, terwijl hij de Mercedes om de bouwkeet draait. ‘U hebt zeker moeten zoeken? En dan op dit tijdstip…’ Hij werpt een vaderlijke blik opzij. Zilvergrijs haar en een gebruinde, haast leerachtige huid. Eerder een zeeman dan een automobilist. Ik brom iets. ‘Ach, het zijn rare tijden’, zegt de man. Terwijl we rijden vertelt hij over dertig jaar geleden, toen hij nog een ‘goede boterham’ verdiende met zijn taxi. Toen de wereld nog eerlijk was. Toen problemen samen werden opgelost. Vóór die buitenlanders de boel overnamen. Nu is het armoede. Onrechtvaardigheid. ‘Zij vangen het geld’, zegt hij. ‘Want zij hoeven zich natuurlijk niet aan onze regels te houden.’ Er ligt een vertrouwelijkheid in zijn stem die ik herken. Het is de klank van een man die een medestander denkt te hebben. Ik moet nu iets zeggen, denk ik. Maar ik ben te moe voor deze verongelijkte geschiedenis. Ik ben te moe voor dit oeroude verhaal over broodroof en teloorgang. Ik begrijp het allemaal best. Het verlangen de wereld overzichtelijk te houden, daar ontkom ik ook niet aan. Hoe troostrijk kan het zijn. Hoe verleidelijk. Hoe gevaarlijk. Pas als we voor mijn deur staan, na een een rit vol ‘zij en wij’, vol warme beschaving en kille kwaadaardigheid, vraag ik hem wat hij gaat stemmen. ‘Ach mevrouw’, zegt hij. ‘Ik kan maar op één partij stemmen.’ Ik knik, open het portier. En dan, op de valreep, verrast hij me toch. ‘Ik stem altijd Partij voor de Dieren’, zegt hij, terwijl hij me het taxibonnetje toesteekt. Hij kijkt me aan met een blik waarin ik nu mijn eigen moeheid weerspiegeld zie. ‘De dieren’, zegt hij. ‘Die kunnen er ook niets aan doen.’