Moeder

Hij had een week voor hij verdween nog een kaart gestuurd, vertelt zijn moeder. Met een baai vol glinsterend, blauw water en een witte vissersboot. Ze vertelt niet wat hij op de achterkant geschreven heeft en ik durf er niet naar te vragen. We staan bij de groenteafdeling, naast een grote bak met meloenen en proberen ons gesprek een beetje aan te passen aan de omgeving. Niet te veel onder de oppervlakte gaan zitten, nergens blijven haken. Ze draagt een vrolijke strohoed, waar haar grijze krullen onderuit komen en ziet er voornamelijk verward uit. Verward en vreselijk moe. ‘Ik denk nu steeds dat hij daar nog is’, zegt ze. ‘Als ik aan hem denk, dat hij daar gewoon ergens rondloopt. Om bootjes te kijken.’ Ze ademt scherp in en kijkt dan omhoog, naar het nietszeggende systeemplafond. Misschien ziet ze die baai voor zich, als ze naar boven kijkt. Misschien is dat water er steeds, in haar blik. Onvermoeibaar glinsterend. Ik denk aan de laatste keer dat ik hem sprak, een maand of drie geleden. Hij was toen druk bezig met de voorbereidingen: de boot, de route, papieren die in orde moesten zijn. Hij klonk gelukkig. Alles moest grondig en ordelijk. Nu staat hij ergens op een lijst. Zijn foto circuleert op internet, de datum waarop hij het laatst gezien is, de kleren die hij droeg. Ik knijp in een meloen, die merkwaardig koud aanvoelt. Keihard nog. ‘Je zou denken’, zegt zijn moeder, ‘dat er wel iets aanspoelt. Een kopje of een bordje of zo. Ga hier maar eens het strand op als het gestormd heeft. Je kunt er een heel huis mee inrichten, met wat er dan ligt.’ Er schiet iets van een lachje over haar gezicht, maar het is bijna direct weer verdwenen. Ze trekt gedachteloos haar strohoed naar beneden, tot vlak boven haar ogen. Ik zou nu een meloen in haar mandje willen leggen. En nog één. En nog één. En nog één. Tot het mandje te zwaar voor haar wordt. Dan zou ik het mandje van haar overnemen.

Ik zou zeggen: ‘Laat mij maar even.’