Hoofdcommentaar:

Moeder der maakbaarheid

Wie dacht dat het ideaal van de maakbare samenleving verleden tijd is, heeft zich vergist. De preventieve bevrijdingsoorlog Operation Iraqi Freedom is een project waarnaast alle maakbaarheidsidealen van de afgelopen kwart eeuw in de schaduw staan. Oorlog beoogt over het algemeen eerst iets te breken om daarna iets te bouwen. Maar de pretentie van deze oorlog is het kwadraat daarvan. Iraqi Freedom is niet alleen een militaire operatie ad 75 miljard dollar maar ook een maatschappelijk project. Vandaar dat PvdA-leider Wouter Bos zich nu al een week geen raad weet met zichzelf. Want dit maakbaarheidsideaal weet zich intussen geconfronteerd met zijn tegendeel: het verwoestingsideaal van Saddam Hoessein. Dat blijkt toch krachtiger te zijn dan aanvankelijk gedacht.

Het gaat er niet om dat de opmars van de geallieerden minder geruisloos verloopt dan voorgespiegeld. Anders dan zijn Russische collega Pavel Gratsjov, die in 1994 beloofde de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny in 36 uur te overmeesteren maar het omgekeerde bereikte, heeft Donald Rumsfeld zich niet op een exact schema vastgelegd. Dat is op zichzelf wel een complicatie voor de coalitie die opereert namens westerse burgers die eraan gewend zijn dat de maakbaarheid van hun persoonlijke leven zich laat organiseren via de pinautomaat van het winkelcentrum en al ongeduldig worden als het saldo ontoereikend blijkt. Maar het draait uiteindelijk om een fundamentelere kwestie.

Ook al heeft de politieke leiding in de VS er geen geheim van gemaakt dat de oorlog langer en zwaarder zou zijn dan de huiskamers hoopten, de globale lijn is steeds optimistisch geweest. Na maandenlang laveren tussen politieke diplomatie en militaire actie bleef één verwachting ondanks alles overeind. Het regime van Saddam zou verkruimelen, juist omdat het op terreur was gebouwd en dus niet kon rekenen op de murw gefolterde bevolking. De mens wil immers vrijheid, gelijkheid en een beetje broederschap. Ook de Iraakse mens.

Drie weken voor het begin van de oorlog zei president George Bush daarom dat «een beslissende periode in de geschiedenis» in het verschiet lag. «Een deel van die geschiedenis is door anderen geschreven; wij zullen de rest schrijven», aldus de Amerikaanse president. De invloedrijke presidentiële denktank The Project for the New American Century formuleerde het pas echt onomwonden: de liberale democratie is de beste staatsvorm, voor elke natie.

Zeker. Het neoliberalisme van de jaren negentig bezat al een hoog gehalte aan maakbaarheid. Deze neoconservatieve missie, hoe nobel ook, ligt niet alleen in het verlengde hiervan maar gaat een stap verder. De invisible hand van Adam Smith is verdraaid zichtbaar geworden.

Het ligt voor de hand de ambities van Bush af te doen als retoriek. Over dit propagandistische aspect van de oorlog wordt uur na uur volgepraat en kolom op kolom volgeschreven. Maar Bush sprak óók de waarheid. Hij ziet zichzelf wel degelijk als een strijder voor een andere wereld, hoeveel materiële en politieke vruchten de VS ook mogen plukken na een succes in Irak. Bush wil de dominostenen in het Midden-Oosten zien rollen, zoals bijna vijftien jaar geleden het sovjetrijk in Oost-Europa omver tuimelde. Behalve de gestaalde nomenklatoera zou ook in Irak nagenoeg iedereen bereid zijn door de zure appel heen te bijten omdat het zoete perspectief wenkt.

Het is nog te vroeg om deze hypothese belachelijk te maken. Maar twee conclusies dringen zich na een krappe week al op. Ten eerste. Dertig jaar dictatuur heeft diepere sporen nagelaten onder de Iraakse bevolking dan werd verondersteld. In het gunstigste geval wacht ze liever af dan zich te snel tot de democratie te bekeren. Een militaire zege kan dat beeld kantelen. Maar nu al moeten de bevrijders er rekening mee houden dat ze een bezetting nodig hebben om de passiviteit van de gewone Irakezen om te doen slaan in een wat actievere houding. Ten tweede: het project ontmoet, niet alleen in de islamitische wereld maar eveneens in het christelijke Westen, scepsis. Om niet te zeggen: wantrouwen. Dat is een hypotheek die de internationale verhoudingen belast.

Nu de tanks niet zo moeiteloos doordenderen, is het maakbaarheidsideaal van Iraqi Freedom onder vuur komen te liggen en wordt het verwoestingsideaal actueler.

De vraag is in hoeverre de geallieerde commandanten te velde zijn beïnvloed door het maakbaarheidsideaal. Militairen beschikken meestal over meer realiteitszin dan politici. Wellicht is ingecalculeerd dat het tempo van de opmars zou kunnen vertragen, en daarmee de hoop op een implosie van het Saddam-regime. Misschien was de vraag zondag bij de BBC of de coalitie haar «huiswerk wel had gedaan» vooral ingegeven door de teleurstelling dat de Britten hun «job» in Basra en Umm Qasr onvoldoende bleken aan te kunnen. Maar het is wel degelijk mogelijk dat de coalitie haar huiswerk te ideologisch heeft opgevat en over het hoofd zag dat een hypermoderne oorlog zou kunnen stuiten op een klassiekere oorlogsvoering die op de grond per definitie chaotischer is dan aan de staftafel. Het neoconservatieve maakbaarheidsideaal van Bush laat zich kennelijk niet in een vloeiende beweging transporteren naar het slagveld, zoals ook de neoliberale axiomata in de jaren negentig zich niet onversneden lieten vertalen naar de rest van de wereld.

In Irak wordt een «asymmetrische oorlog» gevoerd, houden deskundigen ons voor. Tegenover precisiebombardementen en de hightech «netwerkoorlog» staan blinde vuurkracht van antieke tanks en achterhoedegevechten met kalasjnikovs van franc-tireurs. Dat klopt.

Maar het woord asymmetrisch weerspiegelt niet alleen het Iraakse slagveld. Het illustreert een asymmetrische wereld. Zo’n kromme wereld is niet met een symmetrische liniaal recht te maken.