Is Christian Krachts roman een definitieve vereffening met de Zwitserse kapitaalkrachtige klasse? © Mark Henley / Panos Pictures / ANP

Zürich, stad van ‘opscheppers en opensnijders en vernedering’, van ‘geldzuchtige eerste luitenants en eigenmachtige ritselaars’. Waar de inwoners te gewiekst zijn, te klassiek en te zelfvoldaan om ook maar over een bananenschil uit te glijden, en inkopen doen in boetieks waarvan de duizelingwekkend hoge maandhuur hun fortuinstad enkel verder in stand houdt.

In zijn roman Eurotrash, in 2021 genomineerd voor de Deutscher Buchpreis, wijst de Zwitserse schrijver Christian Kracht (1966) uiterst zwierig op de banaliteit van de kapitale Zwitserse villa’s, de Porsche Cayennes, hun arrogante eigenaren en het vreugdeloze gepoch dat al die luxe aanstuurt. Precies dat milieu probeert de verteller, die zelf ook Christian Kracht heet, met een noest cynisme te ontworstelen: in zijn familiegeschiedenis is de mistroostige overvloed telkens achtergrond én voorgrond. Subject van de ontworsteling is overigens niet zozeer Zürich zelf, maar de verpersoonlijking van alle deprimerende rijkdom: Christians boosaardige, dementerende, aan alcohol en slaapmiddelen verslaafde moeder.

We leren haar kennen als een vrouw die zich te midden van haar geraffineerde manipulaties, omgekieperde lege flessen wodka en ongeopende rekeningen van de depots waar ze haar sabelbontmantels heeft opgeslagen, in de sluimerfase bevindt tussen een voltooid leven en een nog niet aangediende dood. Haar nazifamilie (vader Untersturmführer bij de SS en in het bezit van een geheime kamer vol sadomasochistische martelwerktuigen) en het stelselmatige seksuele misbruik in haar jeugd roepen aanvankelijk medeleven op: dit is een getraumatiseerde vrouw, aan het einde van haar leven, op het randje van de waanzin. Maar met de ironische distantie van een zoon die tevens schrijver is laat Kracht zien hoe dat werkt met de eeuwige en oneerlijke schuld van een kind tegenover zijn ouder: die krijg je nooit helemaal van je afgeschud. ‘Je was er nooit voor me’, zegt zijn moeder. ‘Jij bent de schuld van heel deze misère.’ ‘Je ziet er altijd uit als een natte hond als je me komt opzoeken.’ Vaak houdt ze zich dood, om Christian de stuipen op het lijf te jagen.

Christian kon er als kind niets tegen doen moeders opbergplaats te zijn

Christian besluit zijn moeder mee te nemen op een reis door Zwitserland, in een poging de grote verzoening te bereiken. Met een onwaarschijnlijke hoeveelheid cash in een plastic zak, afkomstig van zijn moeders uit dubieuze investeringen verkregen vermogen, dat zo veel mogelijk moet worden ‘weggegeven, kwijtgeraakt, verkwist’, voert de reis per taxi langs een commune, een vliegveld, een bergstation. Door het Saanen-dal, waar Christian opgroeide. Breken uit alle ressentimenten, loutering tussen moeder en zoon, dat is het doel. Maar er blijken te veel vragen in de weg te zitten, te veel onbegrip. Waarom toch was zijn kindertijd zo doortrokken van opschepperij en egoïsme en oplichterij en krenking, van dood goud? Wat dreef zijn vader, opgeklommen rechterhand van de Duitse multinational-uitgever Axel Springer, om zich als deerniswekkende parvenu te gedragen? Waarom heeft zijn moeder haar ouders nooit met hun naziopvattingen geconfronteerd? ‘Je ziet toch aan ons allebei hoe moeilijk het is, nee, hoe onmogelijk het is om je eigen ouders met de waarheid te confronteren’, antwoordt zij. ‘En dan dat alles enigermate fatsoenlijk achter je te laten.’

In lang uitwaaierende zinnen die vaak met (retorische) vragen aanvangen worden herinneringen uitgeplozen en zowel de eigen schuld als onschuld onderzocht. Het interessantst wordt de roman echter als Kracht de vraag loslaat wie in deze benauwde moeder-zoonchoreografie het slachtoffer is en wie de dader, en als de macht haast onmerkbaar verschuift. Niet de moeder heeft het leven van het kind bepaald, het kind bepaalt het leven van de moeder! Natuurlijk is zij nu afhankelijk, moet hij haar stoma vervangen omdat ze dat zelf niet meer kan; natuurlijk manipuleert hij háár nu met zelfverzonnen verhaaltjes en besluit híj uiteindelijk over het huiveringwekkende eindstation van de reis. Tot aan het slot eist zijn moeder haar rol als kwaadaardige pestkop op, maar ze verliest die rol ook telkens. Bijvoorbeeld als ze hem opdraagt te luisteren naar haar liefdesescapades, haar waar te nemen als vrouw en niet ‘als diffuse, etherische moederfiguur’. ‘Ik ben niet de opbergplaats van jouw geestelijke afval!’ roept ze uit, maar ze kan er niets tegen doen. Zoals Christian er als kind ook niets tegen kon doen haar opbergplaats te zijn. En nu blijkt hij, hoe diep hij ook door het stof probeert te gaan, de heerser over zijn materiaal. Over zijn moeder dus. Zij blijft mank achter.

In 1995 debuteerde Kracht met Faserland, een coming-of-age-roman (die nooit in het Nederlands werd vertaald) waarmee hij een Bret Easton Ellis-achtig imago verwierf en waarin de verteller, toen twintiger, eveneens een reis onderneemt. Die reis eindigt in Zürich, ‘om precies te zijn midden op het Meer van Zürich, nogal traumatisch’.

25 jaar later begint Krachts zesde roman Eurotrash in dezelfde stad, die in de kern niet lijkt te zijn veranderd. Is deze roman een sluitstuk, een definitieve vereffening met de Zwitserse kapitaalkrachtige klasse in het algemeen en zijn door rijkdom stukgeleefde familie in het bijzonder? Het is in ieder geval een krachtmeting met zijn moeder, die hij overduidelijk wint. Het levert een boek op dat laat zien hoe gelijktijdig waardevol en nutteloos herinneringen toch altijd zijn. Uiteindelijk valt zijn moeder samen met alle sabelbontmantels die ze in vijf verschillende depots heeft laten opslaan: uit de mode en de tijd gevallen, maar nog éven te kostbaar om achter te laten. Want: ‘Je kan eigenlijk niets weggooien omdat alles een historie heeft.’