Hans Olink, De oorlogen van een Indische krijgsgod: Het wonderbaarlijke leven van Louis Grondijs

Moeder Oorlog

Hans Olink

De oorlogen van een Indische krijgsgod: Het wonderbaarlijke leven van Louis Grondijs

Atlas, 447 blz., e 24,90

Oorlogen oefenen altijd aantrekkingskracht uit op mannen die met het oorspronkelijke conflict niets te maken hebben, maar die worden gedreven door de zucht naar avontuur en het verlangen iets te bewijzen. Wat ze willen bewijzen is vaak onduidelijk en dikwijls gaat het om niets meer dan een vage notie van het begrip «mannelijkheid». Om het voor de achterblijvers acceptabel te maken, beweren deze avonturiers niet zelden dat ze gegrepen zijn door de idealen van een van de strijdende partijen. Weinigen zullen zich echter met zo veel overtuiging en zo’n afgerond wereldbeeld in allerlei vreemde oorlogen hebben gestort als de Nederlandse natuurkundige, filosoof en kunsthistoricus Louis Grondijs.

De in 1878 in Nederlands-Indië geboren Grondijs zegde in de zomer van 1914 zijn baan als leraar aan een middelbare technische school in Dordrecht op om naar het front in België en Noord-Frankrijk te trekken. In de NRC deed hij verslag van zijn bevindingen en deze artikelen werden nog hetzelfde jaar door de Wereld bibliotheek gebundeld tot het boekje Een Nederlander in geteisterd België. Naar eigen zeggen was Grondijs niet partijdig, maar wilde hij als een objectief waarnemer gadeslaan of de strijdende partijen zich aan de regels van het oorlogsrecht hielden. Hij gaf menig voorbeeld van hoe hij met pure bluf Duitsers ervan weerhield om oorlogsmisdaden te plegen.

Eigenlijk was dat nogal vreemd, want in zijn uit 1907 daterende filosofische traktaat Het vraagstuk van den wereldvrede had hij verkondigd dat het onzinnig was te verwachten dat in conflicten tussen staten plaats zou zijn voor moreel besef. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zou hij dan ook schrijven dat oorlog «niet alleen het gerecht is, waar de Toekomst de levensaanspraken en overheersingsrechten der rassen en volkeren tegen elkaar afweegt», maar vooral «een goddelijk laboratorium, waarin de menschelijke ziel, onder inwerking van ziedende angsten en bijtend leed, gedwongen wordt, zeld zame ingesluimerde vermogens open te leggen».

De oorlog was «de moeder aller dingen», de «schepper aller aristocratische waarden». Oorlog bracht de beste en zuiverste menselijke instincten naar boven en toonde aan dat pacifisme en gelijkheidsidealen volstrekt tegen natuurlijk waren.

Omdat Grondijs’ bewegingsvrijheid aan het westelijk front nogal beperkt was en de oorlog daar een enigszins statisch karakter had gekregen – in 1916 zou hij nog een tijdje in Verdun ver blijven, maar ook dat begon hem al spoedig te vervelen – besloot hij zijn geluk te beproeven als oorlogscor respondent aan het Russische front. Daar opereerde hij als extremely embedded journalist, aangezien hij enthou siast meevocht in de zogenoemde Wilde Divisie uit de Kaukasus. Na 1918 vocht hij in de Russische burgeroorlog aan de zijde van de «Witten» tegen de bolsjewieken.

Na de communistische overwinning ging hij terug naar West-Europa om kunstgeschiedenis te studeren en in 1931 werd hij privaatdocent in de oost-christelijke cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Utrecht. De oorlog bleef echter trekken en het jaar erop nam Grondijs al weer enthousiast deel aan de Japanse veldtocht in Mantsjoerije.

Ook de in 1936 uitgebroken Spaanse burgeroorlog kon hij niet aan zich voorbij laten gaan. Hij bezocht zowel de Republikeinse als de Nationalistische sector, en hoewel zijn sympathie uiteraard uitging naar Franco viel het hem op dat er eigenlijk helemaal geen sprake was van een burgeroorlog. Het was een strijd tussen twee kleine groepen die de macht wilden, terwijl de grote massa alles gelaten over zich heen liet komen. Vol dédain keek de would be-aristocraat Grondijs neer op het grote publiek: «De massa’s zijn traag en stompzinnig: wenscht men hare medewerking en goede wil, dan is geen idee te vlak, geen drift te primitief, geen zeep te luid en te wreed.»

Afgaande op deze levensloop zou men verwachten dat Grondijs tijdens de Tweede Wereldoorlog enthousiast partij zou kiezen voor de nazi’s, maar die waren hem veel te plebejisch. Hij ging niet in het verzet maar weigerde tevens zich voor het karretje van de Duitsers te laten spannen. Hij zou de oorlog ruimschoots overleven, om pas in 1961 te overlijden tijdens het beoefenen van zijn favoriete sport. Uiteraard was dat schermen.

Het boek De oorlogen van een Indische krijgsgod van Hans Olink leert ons veel over het turbulente leven van deze hoogst opmerkelijke man. Niettemin blijft de lezer enigszins onbevredigd achter. Driekwart van het boek bestaat uit – hoogst interessante maar tegelijkertijd nogal gezwollen en pedante – teksten van Grondijs over zijn avonturen tijdens de Eerste Wereldoorlog en de Russische burgeroorlog. Over zijn belevenissen in China en Spanje en over de rest van zijn leven vernemen we alleen iets in het biografische voorwoord van Olink, dat met negentig pagina’s best uitgebreid is, maar natuurlijk nooit recht kan doen aan een leven dat zo tumultueus en uitzonderlijk was. Grondijs verdient een forse biografie, waarin hij tevens geplaatst wordt in de intellectuele en ideologische context van zijn tijd.