Kaddisj voor de paap en m’n moer

Moederband en voedselsondes. Kaddisj voor de paap en m’n moer

Na de dood van Terri Schiavo werd haar man door zijn regering én door het Vaticaan uitgemaakt voor moordenaar. Tom Lanoye voelde zich geschoffeerd. Maanden geleden beslisten zijn familie en hij om de gedwongen voeding van zijn moeder af te breken.

Habebus maman

Ik heb levenslang bewondering ge koes terd voor dat verduveld sterke wijf van, op het eind, met moeite anderhalve meter hoog. Ik heb mijn dankbaarheid jegens mijn moeder nooit onder stoelen of banken gestoken maar nooit heb ik haar, naar mijn gevoel, meer verknochtheid en respect bewezen dan toen we haar toelieten eindelijk te sterven. Het voelde aan als een verlossing, en niet alleen voor haar. Een mens staat maar bij één persoon echt in het krijt. Ik heb die lei nu met liefde schoongewreven. Als ik al spijt heb is het van één ding. Dat we het niet eerder hebben gedaan. Misschien kan liefde maar één ding echt: uit liefde doden.

Omdat ze zelf niet meer kon slikken, kreeg ze haar voeding toegediend via een sonde in de neus, net als de paus. Haar kwam dat al snel te staan op een longontsteking en geïrriteerde slijmvliezen. Ze lag toen al goed en wel uitgemergeld op haar ziekbed, in wat heette «een subcoma», met een flank vol blauwe plekken en met een nog steeds omzwachtelde pols, opgelopen na alweer een pijnlijke val, en ze was deels vastgebonden opdat ze geen van haar draden en buisjes zou losrukken – haar levenslange eigenwijze koppigheid, verworden tot een reflex van revolte.

De volgende stap in haar professioneel prima begeleide aftakeling had een sonde moeten worden, operatief aan te brengen, rechtstreeks in haar maag. Daartegen hebben we ons verzet. Ook zij is, net als Terri Schiavo, daarna «uitgehongerd». Waarom niet? Ze was niet bij bewustzijn en ze kreeg verdoving. Waarom zouden wij ons gedwongen hebben moeten voelen om haar te voeden via een buis? Mijn moeder is geen gans, en ook bij ganzen vind ik die praktijk barbaars. Een sonde via de neus vond ik al erg, maar ook nog eens gaan snijden in mijn stervende moeder? Over mijn lijk.

Iedereen besefte dat haar eindspel aan de gang was. Haar hoge bloeddruk werd met paardenmiddelen onderdrukt, in haar hersens was een bombardement van piepkleine beroertes aan de gang, epilepsie en spasmen lagen op de loer, samenhangend praten kon ze al lang niet meer – haar taal, mijn moedertaal, was haar ver voorafgegaan in de onttakeling. Slechts bij momenten leek ze helder genoeg om je te herkennen, zonder dat je wist of ze je wel herkende. Je hoopte het, en door die hoop leken een geheven wenkbrauw en een gekrulde mondhoek weer de betekenis te dragen die ze vroeger echt bezaten. Een schilderij bestaat in de ogen van zijn beschouwer, niet op het doek.

Met die voedselsonde in haar maag zou ze nog weken voort kunnen, indien geen maanden! Zo werd ons verzekerd… Je mag zeggen van de Middeleeuwen wat je wilt, met hun Zwarte Dood en manke hygiëne, met hun oorlogen en furies, hun brandstapels en navenante levensverwachting – maar als het tijd was om te gaan, dan mocht je gaan. De dood was een oude bekende, geen reden tot hysterie. En de weinige wetenschap sloeg zelf nog niet om in een groteske kwaal, die kwellingen in stand houdt en vergroot in plaats van ze te bestrijden.

(En op de achtergrond speelde nog niet dat knagende wantrouwen mee: wie verdient in onze verzorgingsstaat toch al dat bloedgeld aan de vergrijzing? Wanneer is onze formidabele sociale zekerheid, troosteres der zwakken, omgeslagen in een jackpot voor de farmaceutische industrie en al haar filialen? Langdurig zieken brengen meer op dan een melkkoe, elke dag erbij is een dag winst. Dat maakt het aanprijzen van berusting en geduld alvast rendabeler dan het verkopen van de korte pijn.)

Laat dat menske gaan

Geen kwaad woord inmiddels over de dienaren der wetenschap – dokters, therapeuten, en niet in het minst de verpleging. Ik geloof niet in helden, tenzij ze zich verpleegster mogen noemen.

Zij kennen de keerzijde van het krijgshaftige gebalk over «respect voor iedere vonk van leven». Zij weten wat dat betekent in de praktijk. Zij helpen de onmachtigen en de dementen hun vernederingen te doorstaan van alledag, van voeding tot ontlasting. Het zijn de zaken waar men liever over zwijgt, van CNN tot Vaticaanse woordvoerder. Het potsierlijk ge morste lopend voedsel, de drinkbeker voor kleuters in de handen van een huilende negentigjarige, de kunstgebitten met een verhemelte waaronder schimmel huist… De stoma’s, de urinezakjes hangend aan een kapstok naast het bed dat je nooit meer verlaat, de scheef zittende luiers… Dat ganse bittere repertoire van kots en kak.

In vergelijking met de pijn en de afhankelijkheid lijken ze onbelangrijk, maar ze symboliseren het best het gebrek aan waardigheid waarmee de schepping ons beloont indien wij haar eren door lang genoeg te blijven leven. Ik weet wel zeker dat mijn moeder – op de smetvrees af gesteld op zindelijkheid, en ook op flair en schone stijl – het vreselijk had gevonden te moeten beseffen dat ieder van haar kinderen, laat staan wildvreemden, haar van kop tot teen hebben helpen schoonmaken, de muren van het toilet erbij. Of haar minstens voorover hebben moeten doen buigen als een tweejarige, teneinde haar tweeëntachtigjarige kont af te vegen. Ik zeg het maar zoals het is. Dat deed zij ook altijd. «Als ik dement word, en je schiet mij niet neer, dan kom ik weerwraak nemen, in je dromen of zo», zei ze me een keer, letterlijk, na een bezoek aan haar eigen dementerende zus.

Haar neerschieten deed ik niet, na haar eerste zware beroerte. Nochtans gaf ze me weinig reden om te geloven dat ze van gedacht was veranderd. Ze lag, toen nog vol van levenskracht, op een bed in intensive care, stevig vastgebonden. Brullend en schuimbekkend in een onbestaande taal, opgebouwd uit klanken en woordresten waarvan zij als enige niet begreep dat niemand ze begreep – het tragische surplus van haar aandoening. Ze was woest omdat nie mand haar gehoorzaamde. Uit haar lich aams taal bleek duidelijk genoeg wat ze wilde: los gemaakt worden, bevrijd zijn van draden en infusen en tubetjes. Haar blik stond nog niet dof, integendeel bliksemend en strijdlustig. Na een tijdje echter staakte ze haar gebrul en ging over op een wanhopige klaagzang waarin ik dan toch een paar verstaanbare zinnetjes kon ontcijferen. «Laat dat toch gaan.» Ze zei het met een opeens gemoedelijke intonatie. Eens actrice, altijd actrice. «Laat dat oud menske gaan!»

«Kan geen kwaad. Laat maar gaan.»

Achterpoortjes naar de dood

We hebben haar pas anderhalf jaar later «laten gaan». Ik heb er geen spijt van dat we haar niet onmiddellijk hebben gehoorzaamd. In dat eerste jaar heb ik met haar nog momenten mogen beleven die ik voor geen goud had willen missen. Ieder afscheid is beter dan geen afscheid. Ik maak me sterk dat voor haar hetzelfde geldt. In het begin toch. Maar tijdens die laatste paar maanden?

Lof aan haar huisarts, een katholiek, die op mijn vraag hoe het zat met euthanasie bekende dat hij, vóór de dood van zijn eigen moeder, mijn vraag immoreel zou hebben gevonden. Nu dacht hij daar anders over. Niet dat het veel verschil uitmaakte. Officieel kon ze geen aanspraak maken op euthanasie. Uit de paperassen en reglementen bleek al snel dat wij Belgen ons volgens de wet wel degelijk op euthanasie kunnen beroepen maar dat de procedure moedwillig ingewikkeld en log is gehouden. Per jaar kunnen misschien maar een paar honderd mensen er gebruik van maken. Officieel dan toch. In de schemerzones van mededogen en gezond verstand hebben onze ziekenhuizen een lange traditie van «begeleid inslapen». Als je geluk hebt tenminste, met de instelling waar je vertoeft, en met de directie, en met je artsen, en met het verplegend personeel, en met de ziekenhuisproost. Een pilarenbijter is rap gevonden. Wij troffen hem niet, gelukkig. Ik zou niet instaan voor mezelf.

Waarom is onze officiële reglementering zo ingewikkeld? De huisarts gaf één verklaring. Er zijn misbruiken mogelijk, en geen geringe. Hij gaf het voorbeeld van een familie die hem ooit verzocht om de dood van een stervende verwant af te stemmen op hun vakantieplannen. En de palliatieve zorg moet aan de stervende, niet aan zijn familie, de kans geven om van zijn dood een zinvol orgelpunt te maken van zijn leven. En dat kan tijd kosten. Véél tijd, met de levens die wij leiden.

Maar er is ook een andere, historische verklaring. Hoezeer conservatieve christenen ook schermen met hun «cultuur van het leven», dankzij hen leven wij in een cultuur die niet kan omgaan met de dood. Dat de dood ook op zich zinvol kan zijn, en waardig, en toch zelfgekozen en zelf geënsceneerd – het klinkt, alle ontkerstening ten spijt, een handvol katholieke zeloten nog steeds als een vloek in de oren. Het leven hoort hún God toe, en niet de mens. Laat staan de ongelovige mens.

Die gedachte vervuilt nog steeds het debat, én de uitkomst ervan. Waarom moet een Belg die als optie kiest voor euthanasie, om de vijf jaar opnieuw zijn optie schriftelijk bevestigen? Alsof men hem de eerste keer niet echt gelooft. En de tweede en derde keer nog niet.

En waarom moet de echtgenoot van Terri Schiavo – en in hem mensen als mijn familie en ik, die in eer en geweten een verwante het menswaardig levenseinde hebben gegund dat zij verlangde – uitgemaakt worden voor moordenaar? Eerst in christelijk Amerika, maar al gauw geruggensteund door heel het Vaticaan? Ik vind dat kwetsend, vulgair, fundamentalistisch en misplaatst.

Niet dat ik iets anders had verwacht. Leer mij de tact van kerken kennen.

Non habemus papam

Bij het schrijven van dit stuk was de paus nog in leven maar men verwachtte zijn dood. Ik ben geen katholiek, dus ik heb daar in principe geen oordeel over te geven. Maar omdat ieder van onze journaals ermee opent en sluit, en omdat ik niet de gewoonte heb mijn mond te houden als ik word uitgescholden, geef ik graag alsnog mijn mening, onbescheiden en zonder valse tact.

De manier waarop deze paus zelfs van zijn stervensproces een kruising heeft gemaakt tussen een dagelijkse soap en een onverbiddelijke propagandashow sterkt mij in mijn oordeel over de rooms-katholieke leer. Het zoeken naar een zingeving voor het menselijke lijden is in de loop der eeuwen ontaard in het aanbidden van lijden. Het pronken met pijn, het zwelgen in zeer, het verlangen naar leed, het wellustig etaleren van aftakeling als bewijs van de Schepping… Welke andere godsdienst knielt en zingt voor een man die niet alleen aan een kruis is genageld, maar ook nog eens een kroon van doornen draagt?

Het katholicisme is tot in zijn kern masochistisch, lustgevoelens niet zelden inbegrepen. Het Opus Dei – «Werk van God», voor katholieken wat heavy metal is voor popmuziek, en bijgevolg ruim gesteund door dit pontificaat – heeft zelfs de barbaarse traditie van de zelfgeseling weer in ere hersteld. Onder meer als middel tegen… masturbatie. Bespottelijk want in wezen gaat het natuurlijk om een identieke daad van zelfbevrediging. Waarbij het nog maar de vraag is bij welke van beide handelingen de mystiek het grootst is. (In het nadeel van de zelfkastijding spreekt dat bloed gemakkelijker vloeit dan sperma. Maar het maakt wel hardnekkiger vlekken.)

Op de letterlijke valreep benoemde de paus nog een resem handlangers, tot en met aartsbisschoppen, om over de grenzen van zijn graf heen nog immer zijn wil te verkopen als de wil van God. Overmoed was nooit een rem voor de IJzeren Pool. Hij is «nog lucide», schrijven de kranten, waarmee ze allicht bedoelen dat hij goed genoeg beseft dat hij zijn onfeilbare erfenis beschermen moet, want dat ze na hem wel eens rap op de tocht van de verandering zou kunnen komen staan.

In dat opzicht is het nu al uitkijken naar de verkiezing van zijn opvolger. Dat gebeurt via een op zich lekker spannend format, een soort religieuze Idool 2005, maar dan met een draaglijke regelmaat – om de zesentwintig jaar. (Tenzij er eentje mysterieus gemakkelijk en snel de pijp uitgaat.)

Maar het wordt vooral uitkijken naar de samenstelling van het conclaaf. Bij de verkiezing van de Belgische moslimraad werden zelfs een paar vrouwen verkozen. Ik ben benieuwd hoeveel er zelfs maar mee mogen kiezen, in de Sixtijnse Kapel. Zoals ik ook benieuwd ben naar wie van onze politici daarover een opmerking zal durven maken, wijzend op de manifeste ongelijkheid tussen man en vrouw, én op de lonen die wij desondanks betalen aan bedienaren van de katholieke eredienst.

Mijn moeder zou het niet laten, mocht ze nog leven.