Moederdag

Ik ben op weg naar mijn moeder, met de trein, en lees een artikel van James Wood, stercriticus van The New Yorker, schrijver van het meesterlijke How Fiction Works, over het werk van Ian McEwan. Ik krijg pijn in mijn buik van dat stuk. Het raakt aan iets ingewikkelds, bijna niet te snappen, maar cruciaal zolang ik het lees. Van de weeromstuit denk ik aan Robert Vuijsje en zijn roman Alleen maar nette mensen. Niet omdat ik word omringd door dikbillige negerinnen – mijn moeder woont hartje Bible Belt en daar bevindt zich weer een heel ander soort vrouwen – maar omdat ik me afvraag waarom steeds meer mensen de hele tijd maar zeggen, met opluchting in hun stem, dat met hem eindelijk een schrijver is opgestaan die zegt ‘hoe het is’. Wood schrijft dat McEwan er een meester in is om ons een rad voor ogen te draaien. En dat dat hem zo goed maakt.
Als ik de Volkskrant uit mijn tas pak, valt het Magazine eruit en staar ik minutenlang naar de foto van Nazmiye Oral die de cover siert. Ik probeer nog even op z’n Aarsmans de boel te analyseren. Waarom laat die vrouw zich bij een kranteninterview gedecolleteerd op de foto zetten? Of is het de combinatie met de quote ernaast die de boel zo onverteerbaar maakt (‘Het is bijna een vloek als mensen zoveel in je zien’). Welk smartelijk lijden, in combinatie met die lonkende borsten, wordt hier neergezet? Diezelfde avond nog zal ik op een verjaardagsfeest, in het gezelschap van overwegend Griekse en Italiaanse vrouwen, een discussie krijgen over deze kwestie. Want ja, alras lopen de gemoederen op en wordt het een kwestie, en krijg ik de vingers in míjn decolleté geprikt: ‘Wat ben jij voor een akelige calviniste?’ En: ‘Moeten vrouwen dan altijd maar hooggesloten door het leven gaan?’
Maar daar heb ik nu nog geen idee van, hobbelend naar de Bible Belt – waar ik overigens mijn roots niet heb liggen. Ik laat Oral voor wat ze is (‘Ze is zo lief! En zo mooi!’ zullen mijn Griekse zusters ’s avonds roepen) en begin de krant te lezen. Op de Forumpagina stuit ik op het betoog van Anousha Nzume, onder de kop ‘Roman Robert Vuijsje lokt koloniaal seksisme uit’.
Vuijsje hangt in de lucht. Hij is opeens omnipresent.
Ik snap wat Nzume schrijft en tegelijkertijd denk ik: laat ’t. Ook zij maakt het boek belangrijker dan het is. Maar goed dat ze de tekst van het juryrapport van De Gouden Uil nog even en passant hekelt. Hierin wordt over Vuijsje’s stijl opgemerkt dat die ‘swingt als een Afrikaanse tiet’. Tiet? Waarom niet ‘swingt als een zwarte lul’? In de krant stond daags na de uitreiking overigens ook nog een quote die inmiddels op miraculeuze wijze uit het juryrapport – zoals dat op de website van De Gouden Uil is na te lezen – is verdwenen. De roman zou zijn ‘als een zachte hand om je ballen’. Ballen? Waarom niet ‘als twee zachte handen om je borsten’?
Vuijsje’s stijl doet overigens eerder nogal klompendanserig aan. Zijn boek is goed geschreven zoals boodschappenlijstjes goed geschreven zijn. En dan dat hij de waarheid over de multiculturele samenleving zou onthullen. Wat gaat daar voor een hang naar verdonkiaanse klare taal achter schuil? Alsof Vuijsje’s romanfiguur, geënt op zijn schepper, opeens onze grote leidsman in de multiculturele samenleving is. Terwijl het wereldbeeld van deze David gekleurd wordt door het feit dat hij maar één ding wil. En hierin is hij een pathologisch geval.
Zo heeft iedereen uiteindelijk z’n hang-ups. Misschien trekken vrouwen zich het beeld dat van vrouwen wordt geschetst in een boek of een film, of op covers van krantenbijlagen, te persoonlijk aan. Terwijl mannen zich op geen enkele manier beledigd voelen door de pathetische hunkeraar die Vuijsje neerzet, voelen vrouwen zich plaatsvervangend gegangbangd en in hun blote tieten (ik haat dat woord) gezet.
James Wood beschrijft hoe McEwan zijn lezer op alle niveaus weet te manipuleren. Zo laat hij zijn personages zich vergissen in wat ze zien: die twee grote beesten zijn geen ezels, maar zwarte honden; daar ligt niet het hoofd van een gesneuvelde soldaat, maar daar staat een soldaat in een net gedolven graf zodat je vanuit de verte alleen zijn hoofd kan zien. Maar hij doet het ook door informatie achter te houden: zijn personage verbergt haar zwangerschap, en dus weten wij van niks. Bovenal doet hij het door ons te laten geloven in het verhaal dat hij vertelt, om uiteindelijk door te laten schemeren dat we slechts een verhaal hebben gelezen.
Gelukkig staar ik even later bij mijn moeder op het balkon uit over een kerkplein waar absolute zondagsrust heerst.
‘Wat gebeurt er toch altijd veel in de wereld’, zegt mijn moeder.