Moederdier

Vonne van der Meer is zacht voor haar personages © Anneleen Louwes

Moederschap is een belangrijk thema in het werk van Vonne van der Meer. Dit zinnetje floept eruit en krijg ik nu ook niet meer weg. Dat terwijl ‘thema’ een nogal krampachtige aanduiding is voor de vanzelfsprekende manier waarop moederschap de levens van Van der Meers personages kleurt. Ook of juist als ze het niet zijn, moeder.

In het inmiddels klassiek geworden verhaal Afscheid van Phoebe’ wordt gerouwd over de vroeggeboorte van een ‘rot appeltje’, te klein nog om te kunnen begraven. In ‘Take me to the bullfight’ doet een 35-jarige vrouw, op vakantie in Portugal, alsof ze zwanger is – echt door een kussen onder haar kleding te dragen – om zich te vrijwaren van opdringerige blikken en lastige vragen. In ‘Het zingen, het water, de peen’ gaat een moeder heel ver om het geloof van haar zoon niet te beschamen. En dan heb ik het nog niet gehad over haar roman De reis naar het kind, een van de mooiste romans die ik ken over wat het betekent om de zorg voor een hulpeloos wezen op je te nemen.

Ik zou niet gauw terug durven grijpen naar werk van een schrijver van zo’n dertig jaar geleden – die in de tussenliggende drie decennia met ogenschijnlijk onverstoorbare regelmaat sterke romans is blijven publiceren – als haar nieuwe roman, Naar Lillehammer, niet opnieuw zo indringend zou reflecteren op dit ‘thema’ van de vrouwelijke lotsbestemming: ga ik kinderen krijgen, of niet.

De 49-jarige Cécile bevindt zich op een kruispunt in haar leven. Baan opgezegd, man verlaten, nieuw huis betrokken, nog wel menstruerende maar waarschijnlijk voorgoed vruchteloos. De vreemde omgeving scherpt haar blik, ook op zichzelf: wie ben ik, wat moet ik, waartoe. Maar wie kijkt vergeet soms dat er teruggekeken wordt. Op haar onvergelijkelijk fijnzinnige manier spint Van der Meer het web rond deze afwachtende vrouw die zomaar een hoofdrol krijgt in andervrouws leven, een Nigeriaanse die in de handen is gevallen van een vrouwenhandelaar.

Cécile komt tot een verrassend, en niet per se aangenaam, zelfinzicht

Naar Lillehammer had me niet meteen, maar wel heel gauw volkomen in de greep. Van der Meer is bijna vreemd niet-hedendaags zacht voor haar personages, het is heel eventjes wennen aan de kalm-ernstige verteltoon maar juist die kalme ernst betaalt zich uit. Cécile zit van het ene op het andere moment opgescheept met een driejarig kind, en heeft geen idee hoelang dit gaat duren. De moeder van het kind duikt op onverwachte momenten op, en vertrouwt haar ook het spaargeld toe waarmee ze uiteindelijk naar haar broer hoopt te komen die in Lillehammer, Noorwegen, het perfecte onderkomen heeft gevonden. Van een totaal tot stilstand gekomen leven met een allenig glaasje campari in de avonduren en tobberige gedachtes – ‘Zij wilde geen bangelijke, alleenstaande vrouw worden die bij gebrek aan drama in haar eigen leven overal onraad rook’ – is het maar enkele stappen naar volle, warme dagen met een kind dat gevoed en vermaakt moet worden. En toegezongen. ‘Jarenlang hadden die liedjes zich schuilgehouden en nu ze weer klonken maakten ze haar lichter en levenslustiger.’

Cécile krijgt steeds meer contouren, tussen de regels door klinkt de stem van haar al lang overleden moeder mee, en die van haar jaloerse ex. In toenemende mate wordt de hulp-vaardigheid van Cécile op de proef gesteld, maar ook haar opofferingsgezindheid. ‘Misschien moest je het op sommige momenten in het leven van een vreemde hebben’, denkt ze. ‘Waarschijnlijk was het makkelijker om een vreemde te helpen en door een vreemde geholpen te worden dan door iemand die je daarna nog wekelijks tegenkwam.’

Met Naar Lillehammer schreef Van der Meer een van haar meest spannende romans. Die spanning zit ’m op het verhalende niveau, maar ook in alles wat daaronder schuilgaat: een soepele, niet-nadrukkelijke meditatie over beweegredenen. Geconfronteerd met de rechtstreekse vragen van een vrouw met een volkomen andere achtergrond (‘Heb je het wel eens voor geld gedaan?’) komt Cécile tot een verrassend, en niet per se aangenaam, zelfinzicht.

Op een aangrijpende manier gaat dit boek over jaloezie. Jaloezie op het lichaam van een andere vrouw, jaloezie op haar moederschap. Destijds zag Cécile een bewerking van Othello in de schouwburg, en noteerde bij thuiskomst dit zinnetje in haar dagboek: ‘Een jaloers mens heeft geen reden nodig voor zijn jaloezie.’ Het ‘geen reden’ onder-streepte ze dik. Toen nog was het de bezitterigheid van haar man die haar parten speelde, zijn naspeuringen die haar verstikten. Maar welk monster, welk ‘gulzig allesverslindend moederdier’ gaat in haarzelf schuil? Lang leve de zelfkennis, maar ‘deze kaaiman’ had ze misschien liever niet leren kennen.

En dan is er ook nog een nieuwe man in het spel gekomen. Een man die bijna te goed is om waar te zijn. ‘Nat achterovergekamd haar, hij leek zo uit de douche te komen.’ Natuurlijk, Cécile is er alleen maar levendiger op geworden, zichtbaarder, met het kind aan de hand. Of ze inderdaad geen reden heeft om jaloers te zijn, is de vraag die Vonne van der Meer tot op de laatste bladzijde uitgekiend en behendig in de lucht laat hangen.