Bagdad na de arrestatie

«Moedermelk is hier vermengd met angst»

Het regime van Saddam Hoessein heeft er bij de bevolking zo ingehakt dat de angst na zijn arrestatie niet snel zal verdwijnen. «Er zijn na de oorlog veel zorgen bij gekomen.» Een reportage.

BAGDAD — «Van mij mocht hij terug komen», schreeuwt een man op de markt in de wijk Shoaka. «We willen elektriciteit, we willen werk, we willen benzine, het Iraakse volk is niet blij!» Om hem heen klinken schoten. Het is vreugdevuur. Het is zondag. Zojuist is bekend geworden dat de avond tevoren Amerikaanse troepen Saddam Hoessein hebben gepakt.
De schreeuwende man is het levende bewijs van de herwonnen vrijheid in Irak. Onder Saddam Hoessein zou hij niet lang na een protest tegen de heersende macht het dode bewijs zijn geweest van onderdrukking. Het regime vermoordde tussen de drie- en vierhonderdduizend mensen. Toch weigert de man zijn naam te zeggen. Misschien wel zo verstandig. Omstanders luisteren met donkere blikken naar zijn relaas. De Amerikanen mogen dan niet geliefd zijn in deze wijk — «een van mijn mannen werd bij die markt gedood», vertelde kapitein Lewis van de Amerikaanse militaire politie — Saddam is dat al helemáál niet. In de nauwe straatjes achter de markt, waar rioolwater door open goten stroomt, beginnen steeds meer mensen zich te realiseren dat de gehate dictator misschien wel écht is opgepakt. Een groepje mannen zit rond een radiotoestel en hoort hoe Paul Bremer, de Amerikaanse bewindvoerder in Irak, Saddams arrestatie bevestigt en dat er een DNA-test plaatsvindt die honderd procent uitsluitsel moet geven. Saddam Hoessein had immers verscheidene dubbelgangers om hem te behoeden voor moordaanslagen. De mannen kijken elkaar grijnzend aan en steken hun duimen in de lucht.
In de straatarme wijk Sadr City wonen vooral sjiïeten. Zij werden door Saddams soennitisch georiënteerde regime keihard onderdrukt. Toch is het er rustig. Misschien is het nieuws nog niet bekend. «Jawel», zegt Riad Ahmed, «we hebben gehoord dat ze hem gepakt hebben.» Hij zit in een busje vol zwijgzame mannen. «We zijn heel blij», zegt Riad Ahmed een beetje timide. «We hopen dat ze hem net zo behandelen als hij ons behandeld heeft.» De rest van het busje blijft zwijgzaam. Dan kruist een van de mannen zijn handen voor de borst. «We willen hem zien», zegt hij, «op televisie, geboeid.»
Enkele uren later worden videobeelden getoond. Saddam met een lange, grijzige baard die lijdzaam een health check ondergaat. Een Amerikaanse militair woelt door zijn haar en kijkt met een lampje in zijn mond. Vernederende beelden die inmiddels eindeloos herhaald worden en daardoor hun kracht verliezen. Maar de eerste keer veroorzaken ze heftige emoties bij de Irakezen. Sommigen blijven sprakeloos, anderen worden woedend of verdrietig als ze zien hoe nietig de man is die hun leven tot een hel maakte. «Hij zal nooit meer aan de macht komen. Het hoofdstuk van Saddams terreur is nu gesloten», zegt generaal Ricardo Sanchez.
Maar zal met Saddams arrestatie ook de angst minder worden waarvan de Iraakse samenleving is doordrenkt? Voorlopig lijkt Bagdad zich nog niet te realiseren dat het monster eindelijk gekooid is. Geen mensenmassa’s op het plein waar in april het grote standbeeld van Saddam omver werd gehaald. Er verzamelt zich slechts een klein groepje sjiïtische geestelijken en wat getrouwen. Een van de geestelijken houdt een korte toespraak: dit was allemaal de wil van God, en Ali en Hoessein (respectievelijk de zwager en de kleinzoon van Mohammed de Profeet) zijn te prijzen. Er wordt religieuze poëzie gedeclameerd en dan is de kleine bijeenkomst afgelopen.

In de wijk Karada danst een tiental jongemannen met kalasjnikovs en pistolen op Arabische muziek. Zo nu en dan wordt er in de lucht geschoten. Een Mercedes met vier ongure, bewapende leeftijdgenoten stopt. Vanuit de raampjes en het open dak worden vreugdeschoten gelost. Dan komen de cameraploegen en doen de jongens hun kunstje op verzoek nog maar een keer. «Alleen de dieven vieren nu feest», moppert een omstander, «fatsoenlijke mensen zwoegen voor hun brood.» Echt uitgelaten is de stemming voor het hoofdkwartier van de communistische partij. Hier doen ook vrouwen mee aan de vreugdedans. De communisten hebben in Irak veel aanhang wegens hun taaie verzet tegen Saddam. Tienduizenden van hen werden geëxecuteerd. «Op deze dag hebben we jarenlang gewacht», zegt Salam Sukeini. «Alles zal nu beter worden.»
Irak heeft echter nog een lange weg te gaan. De mensen spreken smalend over de Amerikanen die het land maar niet op orde krijgen. «Dit land is kapot en leeg», vertelt een Nederlandse majoor die zich bezighoudt met de wederopbouw. «De Irakezen verwachten dat we alles opnieuw neerzetten, maar ze zullen toch echt veel meer zelf moeten doen.» Voor de benzinestations staan lange rijen terwijl Irak de op een na grootste olie- en gasreserves ter wereld heeft. Gemiddelde wachttijd vijf uur. De oorlog heeft de raffinage capaciteit vrijwel vernietigd en benzinepomp houders verkopen op grote schaal de benzine door op de zwarte markt, tegen een veel hogere prijs. De elektriciteit valt continu uit, er is geen telefoonnetwerk, de criminaliteit is al net zo onbeheersbaar als de armoede.
Het aantal aanslagen kruipt weer naar de veertig per dag. Het effect van de Amerikaanse contraguerrillaoperatie Iron Hammer was van korte duur. De vraag is wat voor uitwerking de arrestatie van Saddam Hoessein op het verzet zal hebben. Toen Bagdad net begon te wennen aan het idee dat hij was uitgeschakeld, blies een zelfmoordterrorist zich op bij een politiestation in Khalidiyah. Er vielen zeventien doden. Een dag later vielen tien doden bij twee zelfmoordaanslagen op politiebureaus in Bagdad en omgeving. Bij een politiecheckpoint wil de zojuist door agenten gecontroleerde Hajder Karim pas spreken buiten gehoorsafstand van de agenten: «Ik geloof niet dat de politie nog zomaar je huis binnenvalt en martelt zoals onder Saddam. Maar de agenten zijn nog steeds corrupt en tegen terroristen kunnen ze ons niet beschermen. Nee, ik voel me niet veilig.»

Shawket Fadhil verloor een broer, een oom en een nicht. Ze werden gearresteerd, gemarteld en geëxecuteerd. Hij laat een foto van zijn broer zien. Een slanke jongen van negentien. Het is de laatste foto die van hem werd gemaakt. «Ik weet nog hoe mijn vader huilde toen hij het bericht kreeg dat hij geëxecuteerd was. Ze gaven hem een briefje met daarop mijn broers naam, een nummer en de kennisgeving van executie. Geen begrafenis, geen graf, geen lichaam.»
«Er was een systeem van angst», zegt Fadhil. «Je kon overal over praten behalve over Saddam Hoessein en over politiek of religie. Zagen ze je bidden, dan werd er al een vraagteken achter je naam gezet. Het was de binnenlandse veiligheidsdienst die ons in de gaten hield. Het lidmaatschap van elke andere partij dan de Baath-partij was een dood vonnis. Zelfs als je alleen maar verdacht werd van lidmaatschap kon je worden opgepakt. Dan kreeg je een paar maanden gevangenis en werd je gemarteld.»
Elke zes maanden werd Fadhil gesommeerd op het hoofdkwartier van de binnenlandse veiligheidsdienst te verschijnen. Dan werd hij volgens een vast patroon ondervraagd over zijn broer, zijn oom en zijn nicht. «Familie zijn van zo veel geëxecuteerden betekende dat je zelf ook verdacht was», zegt Fadhil. «Ik had er eigenlijk nooit bij stilgestaan dat dit onzin was. Ik voelde me verdacht. Toen ze dreigden mijn dossier te heropenen, dacht ik dan ook dat het met me gedaan was.»
Fadhil kon er slechts onderuit als hij betaalde. Honderd dollar, aan kapitein Haded, die naam staat in zijn geheugen gegrift. Indertijd, in 1999, bedroeg een gemiddeld maandsalaris twee dollar. Fadhil: «Je geest is steeds bezig ontsnappings mogelijkheden te zoeken. Steeds komen dezelfde vragen terug: wat zullen ze me aandoen, wat zal er van mijn familie worden? Ik weet niet meer hoe ik het geld bij elkaar heb gekregen, maar het is gelukt. We waren bankroet. Dat was niet zo erg. Het was de angst. Die was verschrikkelijk.»
Fadhil dacht dat zijn broer geëxecuteerd werd omdat hij verdacht werd van het lidmaatschap van de streng verboden sjiïtische Dawah-partij. Na de oorlog kreeg hij het dossier van zijn broer te pakken. Daarin vond hij de werkelijke reden. Zijn broer studeerde regelmatig in de universiteitsbibliotheek. Op een dag werd daar een papiertje gevonden waarop stond geschreven: «Dood aan Saddam». Degene die het briefje vond, werkte voor de veiligheidsdienst en rapporteerde zijn vondst. Hij kreeg opdracht uit te zoeken wie er die dag in de desbetreffende studiezaal waren geweest en hen allemaal te arresteren. Samen met Fadhils broer werden ook veel van diens vrienden opgepakt. Niet één keerde terug. «Van één gezin werden de drie zonen vermoord. En het was om niks. In het dossier zit een opdracht om het handschrift van mijn broer te vergelijken met dat op het briefje. Dat gebeurde ook bij zijn gearresteerde vrienden. Het is niet bekend wat het resultaat was, maar ze kunnen onmogelijk allemaal schuldig zijn geweest. Toch zijn ze allemaal geëxecuteerd.»
De angst zit er nog steeds in, merkt hij. Als iemand met hem over politiek begint, dan kijkt hij eerst om zich heen. «Het is een neiging die ik niet kan bedwingen. Je weet nooit, denk ik dan.» Fadhils gedrag spoort met de uitkomsten van een recent onderzoek van BBC World Service in Irak. De helft van de ondervraagden zei nooit met anderen de politiek te durven bespreken. Negentig procent van de ondervraagden meende dat men op elk gebied zeer wantrouwend moest staan tegenover anderen, zelfs als het bekenden betrof.

Dr. Hasan H. Ibrahim al-Falahi, psycholoog aan de Universiteit van Bagdad, ziet dat wantrouwen als een van de psychosomatische erfenissen van Saddam Hoesseins regime. Hij meent dat de Irakezen vooral lijden onder onzekerheid. De samenleving heeft erg geleden onder de vele oorlogen en dreigingen van geweld. De mensen hebben dagelijks te maken met zorgen die niet weggenomen kunnen worden. Dat veroorzaakt zware psychologische storingen bij veel mensen tegelijk en dat heeft invloed op de samenleving. Het is geen toeval dat Irak op dit moment een chaos is, stelt hij. Veel Irakezen vertonen onevenwichtig en ongecontroleerd gedrag. Er was geen mogelijkheid om je te uiten, het lijden kon er niet uit. Bovendien was er geen enkele vorm van ontspanning ten tijde van Saddam. Volgens Al-Falahi heeft dat alles geleid tot een heel hoog percentage van mensen die lijden aan wat hij «repressie» noemt, een psychologische conditie die het geestelijke lijden verergert.
Al-Falahi: «Je merkt het in het gedrag. Mensen nemen geen initiatieven meer, ze willen niet meer met elkaar samenwerken, de competitie neemt toe. Je ziet ook steeds vaker dat mensen overgevoelig en agressief reageren als iets misloopt. Ook de neiging tot onvergeeflijkheid en wraak die je nu in de samenleving ziet en het grijpen naar vuur wapens hoort bij repressie. Dit is een groot probleem en het is veroorzaakt door Saddams regime van de angst.»
De beste behandeling is het wegnemen van de zorgen, het bieden van ontspanning en het herstellen van het zelfvertrouwen. Daarom is het heel belangrijk dat mensen werk kunnen doen dat bij ze past en waarvoor ze een rechtvaardig loon krijgen. «Maar we zien nu juist dat het alleen maar erger wordt. Er zijn na de oorlog veel zorgen bij gekomen. De aanslagen en de criminaliteit, het gebrek aan elektriciteit en benzine.»
Ahmed Alrikabi schrok toen hij terugkwam in Irak. In 1991 vluchtte hij uit Zuid-Irak waar een sjiïtische opstand woedde, die door Saddam bloedig werd neergeslagen. Meer dan twaalf jaar woonde hij in Nederland. Enkele maanden geleden keerde hij terug. Hij trof een samenleving die «ziek is van angst»: «Het is niet meer alleen angst voor Saddam. Het is ook angst voor de toekomst. Die angst maakt mensen vals en agressief. Je ziet het aan de criminaliteit. Het kidnappen van kinderen, zelfmoordacties, drugsgebruik. De angst heeft nu de vrijheid gekregen om zich bot te vieren. Deze angst maakt mensen gevaarlijk. Dat is waar ik het meest van schrik. Als je in dit land de borst krijgt drink je moedermelk vermengd met angst. Ik weet nog dat ik als kind Saddam op tv zag en iets wilde zeggen over hoe hij eruitzag. Ik deed het niet omdat ik wist dat de muren oren hadden. Mijn moeder heeft eigenlijk altijd in angst geleefd. Twee van mijn broers vochten tegen Iran. Als er op tv beelden van die oorlog waren, mochten we niet praten. Dan moesten we kijken en denken aan onze broers. Elke week werden er martelaren bijgezet op het politiebureau. Dan gingen de moeders erheen om te zien of het hun zoons waren die gedood waren. Het was onmenselijk om een moeder te zijn in dit land.»

Alrikabi’s broers overleefden de oorlog, maar daarmee was het niet gedaan met de angst van zijn moeder. Alrikabi vluchtte en liet noodgedwongen zijn moeder in onzekerheid achter. Een van zijn broers vluchtte ook, naar Iran, maar keerde terug en werd gearresteerd. «Mijn broer heeft iets meer dan twee maanden vastgezeten. Pas toen ik onlangs terugkwam in Irak heeft hij me verteld wat ze met hem gedaan hebben. Hij zag elke dag mensen uit de cel verdwijnen om vermoord te worden. Ze zaten met ongeveer honderd man in een kleine kamer. Ze konden alleen maar tegen elkaar staan of op elkaar liggen. Je mocht niet naar het toilet, je kon je niet wassen. Per dag kreeg je één dadel te eten. Dagelijks kwamen de bewakers met metalen kabels waarmee ze de gevangenen sloegen. Elke dag werd één iemand uitgekozen die geëxecuteerd werd. Willekeurig. De rest moest kijken naar de executie.»
Het duurt lang voordat die angst uit je systeem is, vertelt hij. «In Nederland mochten we veel meer dan we voor mogelijk hielden. We werden niet gevolgd of in de gaten gehouden. In het begin konden we dat niet geloven. Pas na jaren raak je eraan gewend. Het kan zelfs omslaan. Ik ken Irakezen die in Nederland met de politie hebben gevochten omdat ze geen enkele inbreuk op hun vrijheid meer accepteren en zich door niemand meer bang laten maken. Zúlke Irakezen hebben we nu nodig in Irak om de angst te overwinnen.»