De terugkeer van jezidi-vrouwen

‘Moeders houden van hun kind, zelfs als ze de vader dood wensen’

Brenda Stoter Boscolo sprak in Iraaks Koerdistan jezidi-vrouwen die bevrijd zijn van IS, maar die wel kinderen hebben van IS-strijders die hen verkrachtten. Hun families willen de kinderen niet. De vrouwen leven opnieuw in een hel.

Nadima stelt zichzelf voor als de vrouw van Emad en gaat naast mij op het matras zitten. Met haar lichtblauwe ogen, gebruinde huid en een bloem in haar krullende haar doet ze me een beetje aan een zigeunerin denken. Ik leg uit dat ik een boek over de genocide schrijf, dat ik het verhaal van het gezin gevolgd heb, en dat ik haar graag wilde ontmoeten nu ze eindelijk bevrijd is.

Ze gaat akkoord, ik mag alles opschrijven. ‘Het is belangrijk dat de wereld weet wat ons is aangedaan, zodat het nooit meer gebeurt’, zegt ze, al frunnikend aan het Delfts blauwe koekblik met stroopwafels dat ik voor haar heb meegenomen. Het is de eerste keer dat ik een echtpaar interview waarvan de vrouw jarenlang gedwongen getrouwd is geweest met een IS-strijder. Ik ben dan ook extra voorzichtig en stel een luchtige openingsvraag: hoe was het om elkaar weer te zien na al die jaren?

‘Onze hereniging was een geweldig moment’, antwoordt Emad. ‘Jarenlang hebben we ons best gedaan, en toen Nadima bevrijd werd door een smokkelaar kon ik mijn geluk niet op. Eindelijk bevrijd van Daesh.’ Hij kijkt liefdevol naar Nadima, die glimlacht, en dan verlegen haar hoofd afwendt.

Emad en Nadima zijn verre familieleden, ze kennen elkaar van jongs af aan. Nadima was een jaar of veertien toen ze inging op de avances van Emad, die een paar jaar ouder was. Samen liepen ze weg naar het huis van een bevriende sjiiet die in de buurt woonde, waar ze net zo lang bleven totdat een sjeik naar beide families ging om te bemiddelen. In de jezidi-cultuur is het traditie om samen weg te lopen als een van de families niet akkoord gaat met een huwelijk. Het leek me niet het moment om over kindhuwelijken te beginnen.

Nadima vertelt wat details uit een ver verleden, en komt dan bij de zomer van 2014. Ze begint haar verhaal waar Emad eindigde: toen ze in Sinjar van elkaar gescheiden werden. Op een nacht werden zij en haar drie kinderen vervoerd naar Tel Afar. Ze werden ondergebracht in een schoolgebouw, samen met andere jezidi’s die met bussen werden aangevoerd. Oude vrouwen, jonge vrouwen, kinderen: in totaal waren er drieduizend jezidi’s, schat Nadima.

De omstandigheden waren verschrikkelijk. Door het gebrek aan water en de verstikkende zomerhitte overleden pasgeboren baby’s. ‘Mensen die stierven van de dorst en honger, executies op straat, bombardementen, zelfmoord. Ik heb zoveel gezien en meegemaakt. Nog altijd slaap ik er slecht door’, vat ze de jaren van gruwelen samen.

Toen IS kinderen van moeders begon te scheiden, probeerden veel vrouwen zelfmoord te plegen. Nadima herinnert zich hoe militanten van IS probeerden drie kleine kinderen van hun moeder af te pakken. De moeder weigerde en even later waren de moeder en de drie kinderen dood. Nadima denkt dat IS, of de moeder zelf, gif in de melk heeft gedaan. Het is slechts een van de vele voorbeelden. ‘In Tel Afar ontmoette ik een vrouw die zes zonen en een dochter had. De zonen, van wie er drie dokter waren, waren al in Sinjar vermoord. Toen de strijders de jonge vrouwen begonnen uit te zoeken voor de slavernij, en hun oog lieten vallen op haar dochter, pleegde die zelfmoord door haar polsen door te snijden. De moeder bleef alleen achter.’

Nadat ze drie dagen in de school hadden doorgebracht, werden Nadima en de kinderen op de bus naar Raqqa gezet. Daarna werd Nadima als slaaf verkocht aan een Algerijnse strijder in de stad Mayadin, een plaats in het gouvernement Deir Ezzor in het oosten van Syrië, waar ze de rest van haar gevangenschap doorbracht. Midden in het verhaal verontschuldigt Emad zich. Hij is leraar en moet vandaag toezicht houden op het eindexamen Arabisch.

‘Blijf gerust, Nadima kan de rest van de vragen wel alleen beantwoorden’, zegt hij, pakt zijn tas en loopt de trap af. Hij heeft geen flauw vermoeden dat het interview al snel een andere wending zal krijgen.

Uit het raam zien we dat Emad een sprintje trekt. Hij is de hoek van de straat nog niet om of Nadima doet een bekentenis waar vertaler Ahmed en ik beiden stil van zijn: ze heeft een zoontje van twee jaar, Adam, een kind geboren uit verkrachting. De vader is de IS-militant in Mayadin aan wie ze verkocht werd. Natuurlijk haat ze Adams vader; ze haat alle IS-strijders. Het laatste wat ze wilde was zwanger worden van een terrorist. Maar toen werd Adam geboren. Twee jaar lang gaf ze hem borstvoeding, verschoonde ze zijn luiers, knuffelde ze hem in slaap. Ze hield van hem, net als van haar andere kinderen. ‘Iedere moeder houdt van haar kind’, zegt ze.

Een paar maanden na de geboorte blies de Algerijn zichzelf op tijdens een gevecht. Na zijn dood kwam een hooggeplaatste IS-leider aan de deur, die haar en de kinderen feliciteerde met zijn ‘martelaarschap’ en ‘toetreding tot het paradijs’. Nadima en haar kinderen kregen speciale papieren waarin stond dat ze geen slaaf meer waren omdat hun ‘echtgenoot’ en ‘vader’ dood was. Met andere woorden, ze waren nu normale inwoners van het kalifaat.

Hoewel ze al die tijd contact had met Emad, die haar uit het kalifaat wilde smokkelen, duurde het nog meer dan een jaar voordat ze daadwerkelijk bevrijd werd. Nadima durfde niet terug te komen, ze was bang dat haar kind niet geaccepteerd zou worden omdat het een kind van de vijand is. Ze was niet de enige. ‘Er waren zoveel vrouwen die weigerden terug te komen. Ze wisten dat kinderen van IS-strijders nooit geaccepteerd zullen worden door de jezidi-gemeenschap. Er was zelfs een geval van een vrouw wier kind na drie dagen onder verdachte omstandigheden kwam te overlijden. IS was ervan overtuigd dat ze het kind had vermoord, en stopte haar in de gevangenis.’

Dat ze toch akkoord ging met een ontsnappingsplan kwam door Emad. Hij haalde haar over, beloofde zelfs dat ze het kind mocht houden. Misschien konden ze samen emigreren? Uiteindelijk geloofde ze hem, ook omdat ze had gehoord dat Baba Sheikh, de religieus leider van de jezidi’s, had opgeroepen vrouwen die in dezelfde situatie verkeerden als zij te accepteren. Ze ging ervan uit dat dit ook voor hun kinderen zou gelden.

In augustus 2014 vielen militanten van IS het Sinjar-gebergte binnen. Honderdduizenden die weg konden komen, vluchtten. Degenen die in handen vielen van IS wachtte het noodlot. In totaal werden 6470 vrouwen en kinderen gekidnapt door IS-strijders of sympathisanten. De mannen, oudere jongens en oude vrouwen werden door IS vermoord en in massagraven gedumpt. Niemand weet precies hoeveel mensen er door IS zijn vermoord, de massagraven moeten nog worden ontruimd, maar alleen al in de dorpen Kocho en Hardan werden honderden mannen vermoord. Pas eind 2018, begin 2019, nadat het laatste bolwerk van het IS-kalifaat was verslagen door de coalitietroepen, maakte een speciaal VN-onderzoeksteam een begin met het ontruimen van de graven.

Er worden nog altijd 2900 jezidi’s vermist. Veel gekidnapte jezidi-vrouwen zouden zich schuilhouden in de kampen of in Syrië. Ze verbergen hun identiteit, omdat ze lijden aan het stockholmsyndroom of door verkrachting verwekte kinderen hebben. Een aantal van hen dook een jaar later op in het kamp Al-Hol in het noordoosten van Syrië. Ze werden vastgehouden door IS-leden in Baghouz, het laatste dorp dat IS nog in handen had voordat het werd bevrijd door strijders van de sdf. Activisten schatten dat honderden jezidi-vrouwen en meisjes kinderen hebben gekregen van IS-strijders. Momenteel wonen er nog rond de 350.000 jezidi’s in en buiten de kampen in Iraaks Koerdistan.

Toen Emad haar na een lange reis kwam ophalen in Khanasor, bleek zijn belofte van de baan. Hij wilde dat Nadima haar zoontje zou achterlaten in een weeshuis. In eerste instantie verzette ze zich hevig, maar uiteindelijk ondertekende Nadima, nog altijd angstig en vermoeid door haar reis, toch een papier waarin ze verklaarde afstand te doen van het kind, op voorwaarde dat ze hem elke maand mocht bezoeken.

Inmiddels is dat zes maanden geleden. Adam heeft ze nooit meer gezien. Elke keer als ze over hem begint, wordt Emad kwaad, want hij vindt dat ze het kind moet vergeten. ‘Ik stel me hem voor, ergens in een weeshuis, helemaal alleen, huilend om mij. Dat beeld zie ik elke nacht voor me als ik mijn ogen dichtdoe. Hoe kan een moeder haar eigen kind vergeten?’ Nadima’s felblauwe ogen vullen zich met tranen. Een paar weken geleden is ze van huis weggelopen, vertelt ze. ‘Naar de politie in Duhok, om te kijken of die iets voor me kon doen.’ In plaats van haar te helpen, brachten ze haar naar een vrouwenopvangcentrum en werd de familie ingelicht. Toen ze na een maand eindelijk vrijgelaten werd, nam de hele familie het haar kwalijk dat ze was weggelopen. ‘Als je nog één keer over dat kind van Daesh begint, vermoord ik je’, dreigde haar vader.

Nadima’s dochter komt binnen met schalen rijst, kip en rauwkost. We zijn al zo lang in gesprek, dat geen van ons drieën doorheeft dat het lunchtijd is. ‘Toen ik wegliep was ik een beetje gek’, zegt ze als het meisje de kamer uit is. Nadima rolt met haar ogen en wijst naar de zijkant van haar hoofd. ‘Maar nu niet meer hoor. Ik zal me in de toekomst gedragen, normaal doen. Beloofd.’

Ik kijk naar Nadima, naar haar gebogen schouders, haar zenuwachtige handgebaren en naar de kleine tatoeages op haar kin en haar voorhoofd, en zie niet een gek persoon. Wel zie ik een eenzame, getraumatiseerde vrouw die zich geen raad weet met haar verdriet. ‘Het spijt me dat je dit moet doormaken. Het zou niet zo mogen zijn’, zeg ik.

Tijdens de thee zijn vertaler Ahmed en Nadima druk in gesprek. Nadima mompelt iets in het Koerdisch. Als Ahmed merkt dat ik probeer te ontcijferen waar ze het over hebben, richt hij zich tot mij. ‘Vind je het goed als ik informeer naar mijn vrouw? Misschien heeft ze haar wel ontmoet in Syrië. Ze zegt nog contact te hebben met sommigen’, zegt hij aarzelend.

‘Als je nog één keer over dat kind van Daesh begint, vermoord ik je’, dreigde haar vader

Niet alleen de blik in zijn ogen, ook de vraag is pijnlijk. Bijna alle vrouwen en kinderen van Ahmeds familie werden gekidnapt. Door de jaren heen werden de meesten bevrijd, op een paar na. Zoekacties van smokkelaars, de gemeenschap of de familie zelf lopen op niets uit. Van Ahmeds vrouw ontbreekt nog steeds elk spoor. Nadima moet hem teleurstellen. Tijdens haar gevangenschap is ze zijn echtgenote niet tegengekomen.

‘Heb je er wel eens aan gedacht om opnieuw te trouwen, voor je zoontje?’ vraagt ze hem. Ze zou het haar man Emad niet kwalijk hebben genomen als hij dat gedaan zou hebben, zegt ze. Hun huwelijk staat behoorlijk onder druk sinds hij haar gedwongen heeft haar zoontje op te geven. ‘Elke keer als ik hem aankijk, denk ik aan wat hij mij heeft aangedaan, hoe hij mij heeft voorgelogen’, zegt Nadima, die eigenlijk zelfs had gehoopt dat Emad een tweede vrouw zou nemen, zodat ze meer vrijheid zou hebben om op zoek te gaan naar Adam.

Ahmed peinst er niet over opnieuw te trouwen, zegt hij. ‘Ik heb nog steeds hoop dat ze op een dag terugkomt en dat we ons leven weer kunnen oppakken.’

Ahmed zegt niet veel als we na het interview richting Sharya rijden. Zijn blik is strak op de weg gericht. Voor jezidi-vertalers zijn de interviews nog zwaarder dan voor mij, omdat ze in alle slachtoffers hun eigen zus, moeder of vrouw herkennen. Normaal gesproken ga ik aan het einde van de dag juist het gesprek aan met mijn vertaler, vandaag niet. Ahmed lijkt me het type dat even met rust gelaten wil worden.

Het interview met Nadima blijft door mijn hoofd spoken. Voor zover ik weet heeft nog geen enkele journalist uitgebreid geschreven over jezidi-vrouwen die onder druk werden gezet om hun door IS-strijders verwekte kinderen op te geven. Het is een belangrijk verhaal.

Ik moet wel op zoek naar een nieuwe vertaler. Ahmed vond het gesprek te pijnlijk, maar durfde het me niet zelf te vertellen. Daarom lichtte zijn broer Ismael, die ik vorig jaar interviewde over zijn twee broertjes die door IS werden gedwongen een aanslag te plegen met een explosievenauto, me in, en zocht hij direct een andere vertaler voor me. Mijn nieuwe vertaler heet Farhad, hij is leraar Engels en heeft eerder als tolk voor het Amerikaanse leger gewerkt. Farhad heeft geen familieleden die door IS tot slaaf zijn gemaakt of vermoord. Ik verwacht daarom dat het werk voor hem makkelijker zal zijn dan voor Ahmed.

Nadima geeft ons vijf namen van vrouwen die net als zij kinderen van IS-strijders hebben gekregen. Ik hoop via deze vrouwen, zonder de naam van Nadima te noemen, weer nieuwe namen te krijgen, voor het geval er een paar afvallen. Nadima loopt een stukje met ons mee naar de woning van de eerste vrouw op de lijst. We zijn weg uit de bewoonde wereld en passeren een kudde schapen en pasgeboren kuikentjes. We kijken vanaf een heuveltje naar het landschap dat achter ons ligt. Ik maak een foto.

Na een kilometer komen we aan bij de rand van het kamp. Nadima wijst naar de tenten aan de linkerkant. ‘Daar wonen twee vrouwen die je meer kunnen vertellen.’ Of ze zullen instemmen met een interview weet Nadima niet, maar ze heeft goede hoop. ‘En kom nog een keer langs voordat je weer naar Nederland vertrekt, dan zal ik een goede lunch bereiden. Mijn dochter kan nog niet zo goed koken’, zegt ze glimlachend. Als ik toezeg en haar bedank, knikt Nadima. ‘Ser chava.’ Ze loopt de heuvel weer op en gaat terug naar huis. >

Een paar seconden kijk ik haar na. In het weidse landschap met de zon op haar rug lijkt haar frêle silhouet heel krachtig.

‘Zal ze in de toekomst weer proberen weg te lopen, of zal ze haar huwelijk met Emad nog een kans geven?’ vraag ik Farhad, die ik kort over Nadima heb verteld.

‘Alleen God weet het’, zegt Farhad. Hij belooft met niemand over de inhoud van de komende interviews te spreken.

Het moment dat Soham, een twintigjarige overlever van IS, na jarenlange gevangenschap eindelijk herenigd werd met haar familie in Noord-Irak had vreugdevol moeten zijn, maar werd een van de ergste dagen uit haar leven. Tijdens de vijf uur durende rit van Mosul naar Duhok kon ze niet stoppen met huilen. Het was niet haar keuze om haar peuter bij de Iraakse autoriteiten in het Hamam al-Alil-kamp achter te laten, zegt Soham, maar een beslissing die voor haar werd genomen door haar oom. ‘Ik huilde en schreeuwde, maar hij hield voet bij stuk: het kindje was niet welkom’, zegt ze.

Farhad en ik hadden verwacht dat deze jonge vrouw een interview zou weigeren, maar dat deed ze niet. Soham is meer op haar hoede voor mensen binnen haar eigen gemeenschap. Ze luistert en stopt af en toe met praten als ze geluiden buiten de tent hoort, omdat ze bang is dat iemand haar zal horen. Erover praten kan haar in de problemen brengen, zegt ze. ‘Zelfs mijn eigen zussen hebben me op het hart gedrukt het kind te vergeten en er met niemand over te spreken. Dat komt door de mannen: zij bepalen alles in onze gemeenschap. Vrouwen hebben geen inspraak.’

Ze zit naast mij in de tent, en gedurende het hele interview kijkt ze Farhad geen enkele keer aan, maar alleen mij, alsof er geen vertaler tussen zit. Op mijn verzoek laat ze een foto zien van haar dochtertje, een meisje met donkere krullen en grote bruine ogen. Ze heeft een wit jurkje aan.

Soham praat niet graag over de biologische vader, een IS-emir die haar twee jaar lang als slaaf hield, sloeg en verkrachtte. Het enige wat ze vertelt is dat hij dol was op zijn dochtertje. Hij noemde haar Zeynap, ‘vaders kostbare juweel’ in het Arabisch. Vanaf de geboorte van Zeynap behandelde hij haar, Soham, beter, maar het bleef een afschuwelijke man.

Ze had nooit verwacht te kunnen houden van een kind van een verkrachter, maar moederliefde is iets vreemds. ‘Dat is wat moeders doen, ze houden van hun kind, zelfs als ze de vader dood wensen. Je moet zelf moeder zijn om dat te begrijpen’, fluistert ze, nog zachter dan daarvoor.

Inmiddels is het bijna een jaar geleden dat ze Zeynap voor het laatst zag. Ze weet het niet zeker, maar ze denkt dat ze nu ergens in een weeshuis in Bagdad woont. Ze zou er graag achter willen komen, maar niemand kan of wil haar helpen met de zoektocht. ‘Wat ik niet begrijp is dat de regering en de gemeenschap niet meer voor ons doen. Na alles wat ons is overkomen, en na alles wat we hebben meegemaakt, is er nog steeds niemand die ons helpt.’ Haar groene ogen kijken vragend: is er iemand die haar zou kunnen helpen haar kind terug te krijgen? Ik beloof dat ik het zal aankaarten bij de ngo’s of bij andere instanties. ‘We hebben al zoveel verloren, en nu verliezen we ook nog eens onze rechten. Het is oneerlijk’, zegt ze.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Brenda Stoter Boscolo over het leed van de jezidi-vrouwen en het taboe op hun onwettige IS-kinderen.
Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Het kost even moeite om Hayat, de tweede vrouw op ons lijstje, te vinden. We weten wel in welk kamp ze verblijft. Als we Essyan binnen zijn gereden, spreken we de eerste man die we tegenkomen aan, een wat oudere man met een baard. Hij verwijst ons door naar een andere man. Die geeft een locatie door, en vrij snel daarna drinken we thee in Hayats tent.

‘Ik zal mijn dochter nooit vergeten, niet zolang ik leef. Zodra ik weet waar ze is, haal ik haar op en neem ik haar mee’

Hayat heeft een soortgelijk verhaal als Soham en Nadima. Ze is nog maar achttien jaar, een kind nog. Voor de zekerheid vragen we ook toestemming aan Hayats moeder of we haar dochter mogen interviewen. Dat mag, maar dat moeder, een gezette vrouw met rode en vlekkerige wangen, een oogje in het zeil houdt, blijkt uit alles. Meerdere malen loopt ze strompelend de tent binnen, de ene keer met kopjes thee, dan weer om kleding uit te zoeken.

‘Mijn moeder had het er zelf ook moeilijk mee toen ik Safea moest afstaan, maar ze kon weinig doen’, verdedigt Hayat haar. ‘Ze zei dat mijn dochter niet tot onze religie behoort en dat onze stam en de gemeenschap haar nooit zouden accepteren. Het kind houden zou ons problemen opleveren.’ Ze schudt haar hoofd: ‘Ik snap mijn eigen religie en mijn eigen gemeenschap niet meer. Waarom doet niemand iets?’

De laatste keer dat ze Safea zag was in een vrouwenziekenhuis in Duhok, vlak na haar bevrijding uit IS-gebied. Ze hadden twee dagen in een hotel gelogeerd, uit angst voor de jezidi-geruchtenmolen (stel dat iemand haar met een kind zou zien). In het ziekenhuis werden ze op dezelfde verdieping als de zwangere vrouwen en de kersverse moeders geplaatst.

Het kleine meisje huilde aan één stuk door, alsof ze wist dat dit de laatste keer was dat ze in haar moeders armen zou liggen. Hayat probeerde haar te kalmeren en deed haar snel nog even in bad. Daarna trok ze haar een schoon, lichtblauw jurkje aan, en kamde haar donkerbruine krulletjes. Toen kwam Hayats moeder de kamer binnen. Ze pakte Safea op en gaf haar aan een onbekende vrouw. ‘Mama, mama’, huilde het meisje. Hayat, die inmiddels net zo hard huilde als haar dochtertje, keek niet op of om. Ze kon het niet. In opstand komen zou toch niets uithalen. ‘Bovendien zag ik niks door mijn tranen.’

Hayats moeder en ooms beloofden dat de scheiding tijdelijk was: Safea zou na een paar maanden terugkomen. Ze moesten eerst haar identiteitspapieren in orde maken. Maar ook in het geval van Hayat werden de beloftes verbroken en werd haar op het hart gedrukt het kind te vergeten. ‘Maar ik zal Safea nooit vergeten, niet zolang ik leef. Zodra ik weet waar ze is, haal ik haar op en neem ik haar mee’, zegt ze strijdlustig. ‘Desnoods naar een ander land.’

Net als Soham begint Hayat niet zelf over de vader van het kind. Als ik naar hem vraag, zegt ze dat het een Iraaks IS-lid was van een jaar of dertig, en dat ze al die tijd bij hem en zijn familieleden woonden. ‘Zijn familie behandelde me erg slecht, ik moest hard werken. En dan had je nog de bommen en de gevechten. Het was een verschrikkelijke periode, ik probeer het te vergeten’, zegt ze.

Als Hayats moeder voor de vijfde keer de tent binnenloopt, deze keer met de mededeling dat er een storm op komst is, besluiten we het interview af te ronden. Als ik mijn notebook en pen weg wil stoppen, vertelt Hayat dat ze tweeënhalve maand zwanger was toen ze terugkeerde naar haar familie in Iraaks Koerdistan. Ze was ervan overtuigd dat ze dit kind ook van haar zouden afpakken, daarom ging ze akkoord met een abortus. ‘Je kunt dus opschrijven dat ik niet één, maar twee kinderen heb verloren’, zegt ze.

Verspreid over meerdere dagen spreek ik uiteindelijk vijf vrouwen in verschillende ontheemdenkampen in Iraaks Koerdistan. Allen gingen akkoord met een interview, maar uit angst voor negatieve reacties uit de gemeenschap beloofde ik hun namen en leeftijden te veranderen. Ik hoefde vaak niet eens over het beladen onderwerp te beginnen: meestal begonnen ze zelf over hun kinderen te vertellen.

Slechts een van de vijf vrouwen zweeg over haar geheim. ‘Die vragen kan ik helaas niet beantwoorden’, antwoordde ze verdrietig toen Farhad heel omzichtig over verloren IS-kinderen begon. Het interview stopte daarna niet, want ook zij wilde meer aandacht voor survivors zoals zij. Dina is 24 jaar en werd meerdere keren verkocht. De laatste keer door een man die al twee vrouwen had. Daar werd ze zo hard met stokken geslagen dat ze nog last heeft van haar handen.

Farhad vertaalde het volgende: ‘Ik woon nu bij mijn alleenstaande tante, niet bij mijn ouders. Daar voel ik me beter bij. De meeste jezidi’s zijn blij dat we terug zijn, maar er zijn er ook die zich voor ons schamen. Ze praten over ons, over de slavernij, op een manier waardoor het lijkt of we er vrijwillig voor hebben gekozen. Voor hen zijn we de sabiyya die door Daesh werden verkocht. Daarom praat ik met niemand over wat ik heb meegemaakt. Ik vrees hun woorden, hun starende blikken, hun oordelen. Als ze maar even konden zien wat wij hebben meegemaakt. Het is niet onze schuld dat dit ons is overkomen.’

Al de hele dag probeer ik een betrouwbare inschatting te maken hoeveel jezidi-vrouwen kinderen hebben gekregen tijdens hun gevangenschap. Een onmogelijke opgave. Mensenrechtenorganisaties en de lokale autoriteiten houden niet bij hoeveel kinderen geboren worden uit verkrachting. Onwettige kinderen van IS-strijders zijn zo’n taboe dat er binnen families zelf nauwelijks over wordt gesproken, laat staan met buitenstaanders. Ook is het moeilijk om informatie te vergaren over de duizenden vrouwen en meisjes die nog altijd vermist worden. De talloze ngo’s en jezidi-leiders die ik heb bestookt met vragen, hebben ook nog niet gereageerd.

Tijdens het eten kaart ik het onderwerp aan. Ik vertel Ismael over de druk van de gemeenschap, het verborgen leed van de vrouwen en mijn vermoeden dat veel jezidi-vrouwen niet terug naar huis durven. ‘Heb jij daar wel eens iets over gehoord in het kamp?’ vraag ik hem.

Ismael knikt. Een van zijn buurvrouwen had een kind van IS, had hij laatst gehoord. ‘En mijn zusje weigert terug te komen uit Syrië omdat ze een kind heeft’, voegt hij er tot mijn verbazing aan toe. Ik heb hem wel eerder over zijn tienerzusje gehoord, dat twaalf was toen ze als slaaf werd verkocht. Maar dat ze een kind heeft van een IS-strijder, heeft hij nooit verteld. ‘We hebben alles geprobeerd, we hebben gezegd dat ze het kind mag houden, dat we nu familie in het buitenland hebben waar ze samen met het kind kan wonen, maar niets helpt. Ze weigert terug te komen.’

De laatste keer dat ze uit Syrië heeft gebeld is maanden geleden. ‘Waarschijnlijk heeft ze de verhalen van andere jezidi’s gehoord. Hun familieleden beloofden immers precies hetzelfde, en die belofte werd verbroken toen ze eenmaal thuis waren’, leg ik uit.

Ismael leunt naar voren en kijkt indringend. ‘Jij gelooft me toch wel?’ Hij zweert dat hij alles zou doen voor zijn familie, zelfs zorgdragen voor een kind dat geboren is uit een verkrachting door mannen die hij intens haat.

‘Ik geloof je wel, alleen ben ik bang dat je zusje dat niet doet’, antwoord ik. ‘Stel dat ze weer contact opneemt, dat ze terugkomt, wat ga je dan doen om haar te beschermen tegen mensen die het kind nooit zullen accepteren, die jouw familie onder druk zullen zetten om het kind op te geven? Hoe ga je om met roddels en afwijzingen van de gemeenschap? Ben je daarop voorbereid?’ Het klinkt botter dan de bedoeling is.

‘De gemeenschap kan mijn rug op. Ik wil gewoon mijn zusje terug, met of zonder kind’, zegt hij fel, en schuift het inmiddels lege bord opzij. Als ze terugkomt, zal hij tijdelijk een huis huren. Ver weg van de gemeenschap, voor hemzelf, haar én het kind. Daarna neemt hij haar mee naar Amerika. En iedereen die haar of zijn familieleden schoffeert, kan rekenen op een pak slaag.

Journalisten zijn er om het nieuws te brengen, niet om een oordeel te vellen, laat staan om het probleem op te lossen. Toch zit het me dwars dat vrouwen die jarenlang op de meest gruwelijke manieren misbruikt werden nu met extra leed opgezadeld worden. Leed dat, als ik de vrouwen moet geloven, grotendeels veroorzaakt wordt door beslissingen van mannelijke stamhoofden, religieuze leiders en familieleden.

‘Maar als jij en Farhad er al anders over denken, moeten er toch wel meer mannen zijn die in het belang van de vrouwen naar een oplossing willen zoeken?’ vraag ik hoopvol.

‘Tja, dat zou je denken. Helaas vrees ik dat we in de minderheid zijn’, zegt Ismael, en: ‘Ik kan niet wachten om weg te gaan uit dit verdomde land’, zijn favoriete uitspraak.

Ik heb met hem te doen. Ismael wil niets liever dan een echte Amerikaan zijn, zonder zich druk te maken om typische jezidi-zaken. Toch wordt hij continu meegezogen in een web van gemeenschapsdruk, erekwesties en beknotte vrijheden. Fysiek zit hij nog in Irak, maar zijn hoofd is al lang in Amerika. Ik vrees dat wanneer hij eenmaal terug is in Amerika, de zorgen met hem mee reizen, en dat het dan precies omgekeerd zal zijn.


Dit is een bewerkte voorpublicatie van Het vergeten volk: Het verhaal van de Jezidi’s over de laatste genocide van Brenda Stoter Boscolo dat deze week verschijnt bij De Arbeiderspers. Op 7 oktober is er in De Balie in Amsterdam een avond over de jezidi’s.. Op 8 oktober is de boekpresentatie in Arminius in Rotterdam.
Het boek kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek