Essay: Het verlies van taal

Moedertaal een herinnering

Jarenlang praatte Ian McEwan net als zijn moeder, die een beetje bang was voor taal. Nu zij lijdt aan dementie — die haar geest langzaam leeg maakt — verdwijnen de woorden. «Ik moet me vasthouden aan de dingen die ze zegt, de kleine wendingen, de frases, want heel gauw zullen ze er niet meer zijn. Niets meer over van de moedertaal die ik het grootste deel van mijn leven heb proberen af te leren.»

Ik schrijf niet als mijn moeder, maar vele jaren lang heb ik net als zij gepraat, en haar bijzondere, angstige verhouding met taal heeft die van mijzelf gevormd. Er zijn mensen die zich vol vertrouwen bewegen binnen hun eigen horizonten van de spraak; of het nu Cockney, Estuary English, RP (Received Pronun ciation) of Valley Girl is, ze wandelen rond met het zelfverzekerde gemak van een grondbezitter op zijn eigen domein. Mijn moeder is nooit zo geweest. De taal die zij sprak, had ze nooit in bezit. Ze was niet op haar plaats binnen de ingewikkeldheden van het Engelse klasse-stelsel, wat gepaard ging met grote onzekerheid, en waardoor ze leerde om taal te beschouwen als iets dat in haar gezicht zou kunnen ontploffen, als een bombrief. Een woordenbom. Ik heb haar voorzichtigheid geërfd, of, om preciezer te zijn, als kind heb ik die aangeleerd. Ik dacht altijd dat het me een heel leven zou kosten om haar weer kwijt te raken. Nu weet ik dat het onmogelijk is, en onnodig, en dat je het moet doen met wat je hebt.
«Er zijn vandaag een hoop auto’s, toch?»
Ik rijd Rose de Chilterns in, naar een natuurreservaat waar we gaan wandelen en onze sandwiches en een kan thee zullen delen. Het is 1994, nog jaren te gaan voor de eerste tekenen van de vasculaire dementie die op dit moment haar geest leeg maakt. Haar kleine opmerkingen, zowel verlegen als intiem, hebben niet per se een reactie nodig.
«Moet je al die koeien zien.» En dan later: «Moet je die koeien zien en die ene zwarte. Die ziet er raar uit, toch?»
«Ja, nogal.»
Toen ik achttien was, tijdens een van mijn onregelmatige bezoekjes aan mijn ouderlijk huis, als ik voor de zoveelste keer had besloten dat ik minder nors, minder afstandelijk zou zijn, dreven herhaalde gesprekken van dit soort me in de richting van stille wanhoop, of ergernis, en uiteindelijk naar een toestand van zo intense geestelijke verstikking dat ik me soms verontschuldigde en mijn bezoek afbrak om weg te gaan.
«Kijk die schapen daar. Raar dat ze niet gewoon van de heuvel af vallen, toch?»
Misschien mist er iets bij mij, of is het jeugdige vuur aan het uitdoven, of misschien is het een oprechte toename van verdraagzaamheid, maar in elk geval begrijp ik nu dat ze simpelweg zegt dat ze heel blij is dat wij samen op pad zijn en dezelfde dingen zien. De inhoud is onbelangrijk. Het gaat om het samen delen.

Ik herinner me andere reisjes in de Home Counties die we midden jaren vijftig samen maakten met de trein. Die eindigden altijd op het perron van onze bestemming, waar mijn moeder uit haar handtas een geparfumeerde geborduurde zakdoek pakte, met haar tong bevochtigde en een nat hoekje ervan in een of ander deel van mijn gezicht priemde. De bedoeling was mij te ontdoen van «viezeltjes», entiteiten waarin ik geen enkel vertrouwen had. Ik moest een fris gepoetst gezicht hebben voor de tante of vriendin van haar bij wie we op bezoek gingen, wie het ook was. De treinen waren van het ouderwetse soort, met gangen, en leren riemen om de ramen open te houden, en stoffige coupés waarin het de gewoonte was beleefde conversaties te voeren met vreemden. Eén keer stapte er een dame in die in de ogen van Rose een aanzienlijke sociale standing moet hebben gehad. Ze begonnen te praten en ik weet nog dat ik verrast was door de verandering in mijn moeders stem. Ik zou diezelfde transformatie vele jaren later horen, toen mijn vader werd bevorderd van soldaat tot officier. Er waren twee stammen van officieren: zij die uit de middle classes waren gerekruteerd en op Sandhurst hadden gezeten, en zij die het gewone soldatendom waren ontstegen en die nooit veel verder kwamen dan de rang van majoor. Alle vrienden van mijn ouders hoorden bij de tweede groep. Elke keer als een of andere bijeenkomst in de officiersmess mijn moeder ertoe verplichtte een gesprek te voeren met de vrouw van de kolonel sloop de snobberige stem erin, met zijn vervormde klinkers — yais, naice — en h’s die gul werden rondgestrooid ter compensatie van al die andere h’s die op andere plekken wegvielen. Maar het meest opvallend was dat Rose bij die gelegenheden heel langzaam praatte, bijna apathisch, zich bewust van alle kleine taalhinderlagen die haar te wachten stonden.
Toen ik elf was, werd ik vanuit Noord-Afrika, waar mijn vader was gestationeerd, naar Engeland gestuurd om naar school te gaan. Naar alle normen was Woolverstone Hall een bijzondere plek, een behoorlijk geslaagd experiment van een linkse lokale autoriteit in ouderwets embourgeoisement. Het had de kenmerken van een public school — landhuis in Adam-stijl, enorm veel grond, rugbyvelden en meer van die dingen — maar dat karakter werd nogal stijlvol ondermijnd doordat er working class-jongens van voornamelijk lagere-schoolniveau uit hartje Londen werden aangenomen. Er waren een paar legerknullen zoals ik (hun vaders allemaal opgeklommen uit de soldatengelederen) alsmede een klein plukje jongens met een achtergrond van bohémien-middle-class.

In mijn vroege tienerjaren, terwijl mijn opvoeding vorderde, werd ik gezuiverd van de meer opvallende karaktertrekken van mijn moeder, meestal door een soort literaire osmose; toen ik veertien was, las ik gefascineerd de handvol romans die Iris Murdoch had gepubliceerd. Ook las ik Graham Greene. Langzaam verdwenen nothink, somethink, cestificate, skelington, chimley, net als de dubbele ontkenningen en verkeerde meervoudsvormen. Soms nam ik mezelf onder handen. Ik zat in de zesde klas toen ik met mijn beste vriend, Mark Wing-Davey, een zeldzaam en authentiek middle-class-type, afsprak dat hij hardop «did» zou zeggen elke keer als ik ten onrechte «done» zei. Maar op een middag tijdens geschiedenis kwam hij serieus in problemen. Ik stond heel ernstig een spreekbeurt te houden die ik had voorbereid over de gedurfde hervormingen van paus Gregorius de Zevende (en ik vond het geweldig om «the extirpation of simony» — de uitbanning van simonie — uit te spreken) toen Mark heel trouw een «did» mompelde. De geschiedenisleraar, een zachtaardige Welshman, meneer Watts, die we Charlie noemden vanwege zijn opvallende niet-gelijkenis met de drummer, raakte geïrriteerd door wat hij beschouwde als een uiting van brutaliteit en snobisme. Om te voorkomen dat Mark uit de klas werd gestuurd, moest ik ingrijpen en onze regeling uitleggen.
Maar die aanpassingen in spreken en schrijven waren oppervlakkig, en relatief makkelijk. Ze maakten deel uit van dat verhaal, bekend in de Engelse biografie, waarin kinderen die de opleiding genoten die hun ouders niet kregen, op een weg van culturele misplaatstheid werden gestuurd. Meestal zegt men dat dat een vervreemdend en pijnlijk proces is. Maar ik geloof inmiddels dat er méér mee aan de hand is. Er zijn winsten zowel als verliezen, in elk geval voor een schrijver. Verbanning uit een vaderland kan, hoezeer het ook een ellendige ervaring is, een schrijver brengen tot een vruchtbare, of tenminste een bruikbaar problematische verhouding met een geadopteerde taal. Een zwakkere versie hiervan, maar nog steeds een versie, is de interne ballingschap van sociale mobiliteit, vooral wanneer het de gelaagde linguïstische compactheid van de Engelse klassen betreft. Toen ik in 1970 serieus begon te schrijven, liet ik dan wel alle of de meeste van mijn moeders omgangsvormen met woorden vallen, maar nog steeds had ik haar houding, haar behoedzaamheid, haar onzekerheid van aanraking. Veel schrijvers laten hun zinnen zich experimenteel op de pagina ontvouwen om erachter te komen wat ze zijn, waar ze naartoe gaan, en hoe ze kunnen worden gevormd. Ik zat altijd zonder een pen in mijn hand een zin te bouwen in mijn hoofd, en raakte vaak het begin kwijt als ik bij het einde was gekomen, en pas als het ding zeker en compleet was, legde ik het vast. Dan keek ik er achterdochtig naar. Zei de zin echt wat ik bedoelde? Bevatte hij een fout of een dubbelzinnigheid die ik niet kon zien? Maakte hij me belachelijk? Uren van inspanning leverden heel weinig op, en heel weinig bevrediging. Voor een buitenstaander kunnen die traagheid en weifelachtigheid er hebben uitgezien als artistieke nauwgezetheid, en ik was blij dat ik het op die manier kon presenteren, of anderen dat voor mij laten doen. Het deed me goed als mensen goedkeurend spraken over het «harde oppervlak» van mijn proza, dat was iets waar ik me achter kon verbergen. Mijn methode representeerde een onzekerheid die voor een deel sociaal was. Ik deed mee aan de grote conversatie der literatuur die over het algemeen niet werd gevoerd in de taal van Rose of mijn niet zo verre jongere zelf; de stemmen van reuzen donderden boven mijn hoofd terwijl ik mezelf opschroefde om te beginnen met, als het ware, mijn eigen gesprek in de trein.

Natuurlijk geven de opmerkingen die ik in 1994 in een boekje neerschreef geen enkel idee van Rose’s warmte in een ge sprek, haar bijzondere emotionele toon. In de zomer van 1970 ging ik haar samen met mijn vader ophalen uit het militaire ziekenhuis in Millbank waar ze herstelde van een maagoperatie. Een luidruchtige, huilerige scène met veel tranen speelde zich af in de gang buiten haar zaal toen wij wilden weggaan. Een tiental patiënten, de jonge echtgenotes van soldaten en korporaals, kwamen afscheid nemen en geschenken geven aan de vrouw die — zo zeiden ze — had geluisterd naar hun problemen en ze haar wijze raad had gegeven. Tijdens haar herstel moet ze de zaal die was gereserveerd voor officiersvrouwen hebben verlaten. Ze was de echtgenote van een sergeant geweest, en daarvóór, in haar eerste huwelijk, van een gewone soldaat. Ze zou zich op haar plaats hebben gevoeld tussen de jongere vrouwen. En ze was ook in haar element in een openhartig gesprek. Geen taalgevaren daar. Ik herinner me dat toen ik zes was en wij op een legerbasis in Singapore woonden, ik onopvallend rondhing op de vloer achter de bank toen mijn moeder een vriendin op bezoek had, en ik luisterde naar die meanderende, intieme gesprekken. Grofweg vielen ze in twee groepen uiteen — operaties en slecht gedrag. Hoe meeslepend en bloederig waren ze, die verhalen over vlees onder mes, en de nasleep. Ik ben ervan overtuigd dat hun subliminale aantrekkingskracht invloed heeft gehad op mijn eerste korte verhalen. En met zoveel slechte mensen in de wereld, wat een gelukkige zesjarige dacht ik te zijn, aangezien mijn moeder en haar vriendinnen altijd aan de kant van het goede stonden.
In mijn tweede termijn op Woolverstone werd ik om een boodschap gestuurd naar de secretaris van de rector. Het kantoor was leeg, en terwijl ik wachtte, zag ik op een bureau een vertrouwelijk rapport liggen met mijn naam erop. «Hopeloos verlegen», «Kan geen woord uit hem krijgen», en, verontrus tend: «Een vertrouwelijke jongen». Ik wist half wat dat woord betekende. Maar je moest toch zeker vertrouwelijk zijn met iemand. Ik zocht het woord op en zag dat bij een tweede betekenis geheimen werden genoemd. Ik had er geen, maar het was waar dat ik alleen vrijuit sprak in een één-op-één- situatie. Ik speelde nooit in toneelstukken, ik zei nooit iets tijdens de les, ik deed zelden mijn mond open in een groep jongens. Vertrouwelijkheid was wat mijn tong losmaakte, en ik was altijd aan het uitkijken naar die ene ware beste vriend. Mijn vader hield ervan om in een groep vrienden het voortouw te nemen, vooral als hij ze aan het lachen kon maken, dus ik stond veel dichter bij mijn moeder wat stijl van converseren betrof. In mijn eerste verhalen wilde ik zo dichtbij komen als maar kon, mijn lippen tegen het innerlijke oor van de lezer leggen. Dat waren bijna parodieën van artificiële vertrouwelijkheid. Toen ik voor de eerste keer een publieke arena betrad, deed ik mijn best — té verbeten, zeiden sommige mensen — om duistere geheimen te verschaffen voor een stel gestoorde vertellers. Als mannen die te lang alleen waren geweest, hadden ze te veel te vertellen. Door ze te dwingen hun biecht te doen in een paar honderd woorden per dag, en binnen een literaire traditie, dacht ik mezelf te bevrijden van mijn ver leden. Schrijvers die hun kindertijd fictionaliseren, zo verklaarde ik in mijn eerste interviews, verveelden me. Het gaat om het verzinnen. Dus verzon ik — vertrouwelijk, intiem, met de beschaamde weifelachtigheid van de onverstaanbaren — in mijn moedertaal.

Rose Moore werd geboren in 1915 in het dorpje Ash, vlak bij het legerstadje Aldershot. Haar vader was een huisschilder. Een van mijn eerste herinneringen is dat we bij hem op bezoek gaan in de grootste van twee slaapkamers boven waar hij lag te sterven aan tb. Het huis toen, in de vroege jaren vijftig, was zoals het in mijn moeders kindertijd was geweest. Een steile, onverlichte centrale trap, gasverlichting, een naargeestige keuken die rook naar klamheid en gas, de lichtere ongebruikte voorkamer, de bijkeuken met een stoof waaronder elke maandag een vuur werd aangestoken voor de wekelijkse was. In de tuin een pruimenboom en de houten wc tronend boven zijn gruwelijke put. Verderop de weides van Boer Mayhew die zich uitstrekten tot aan een lage heuvelrug die bekend stond als de Varkensrug. Mijn moeder was de oudste van vijf. Haar moeder was een onwillige huisvrouw, een kettingroker die graag naar Aldershot liep om te gaan window shoppen, en Rose op de kleintjes liet passen. Oma Moore was op zestienjarige leeftijd overgekomen uit Ierland met een academische opleiding, volgens mijn moeder. Mijn moeder ging van school af op haar veertiende, en de leeftijd waarop mensen gingen studeren of afstudeerden, zei haar weinig. Ze wist niet waar haar moeder was opgegroeid, of wat haar achtergrond was. Mijn vader, die opgroeide in Govan, Glasgow, wist ook weinig over zijn familielijn. Zijn ouders waren allebei trambestuurder voor de City Corporation, en hun ouders waren landarbeiders uit het Stirling-gebied. Dat was alles wat hem werd verteld. Dat niet-bijzondere gebrek aan wortels is kenmerkend voor onze familie. Ik voel het zelf, een totaal gebrek aan belangstelling voor stambomen, of rondspitten in gemeentearchieven. Twee of drie generaties terug ligt het land, en ongetwijfeld een zwaar leven. Maar wiens land, en wat voor soort leven precies, is vergeten. Zelfs dat niet — het is nooit geweten.
Rose kreeg de Engelse ziekte door ondervoeding. Op een foto, met haar moeder, en haar vader die net terug was uit de oorlog in 1918, draagt ze kalibers op haar benen. Armoede had het op de botten gemunt. Net als velen van haar generatie en klasse verloor Rose al haar tanden voor haar dertigste. In mijn kindertijd gaf haar valse gebit — boven en onder, ’s nachts als berenvallen loerend in een glas naast haar bed — haar telkens weer problemen. Opnieuw een belemmering voor makkelijk spreken. Midden jaren dertig trouwde Rose met Ernest Wort, ook een huisschilder, en mijn halfbroer Jim en mijn halfzuster Margy werden geboren. Rose vertelde het volgende verhaal om de «onwetendheid van die tijd» te illustreren: toen ze op het punt stond om van haar eerste kind te gaan bevallen, geloofde en vreesde ze dat «het uit mijn achterste zou gaan komen». De verbijsterde vroedvrouw hielp haar uit de droom. Ern was geen geweldige kostwinner, hoewel hij duidelijk charme had. Vaak was hij dagen of weken aan een stuk zoek — hij leefde onder afdakjes, volgens Rose, maar zij zal alleen hebben geweten wat hij haar vertelde. Op gezette tijden bracht de politie hem terug. Tot dat moment leefden zij en de twee kinderen «van de gemeente» — voorzieningen die waren getroffen onder de oude Armenwetten, tot het bijstandssysteem werd ingesteld in het decennium daarna.

Ern stierf in 1944 aan de maagwonden die hij opliep na de D-Day-landingen. In 1947 trouwde Rose sergeant-majoor van het regiment David McEwan, en het jaar daarop werd ik geboren. Op een trouwfoto is haar gespannen, onzekere glimlach te zien. Mijn vader ging ook van school op zijn veertiende — de armoede van de familie dwong hem zijn opleiding af te breken, en vier jaar later dwong de werkloosheid aan de Clyde hem naar het wervingskantoor. Zijn gebrek aan formele opleiding zou zich zijn hele leven op een ongelukkige manier verhouden met zijn woeste intelligentie. Er hing altijd een air van frustratie en verveling om hem heen. Hij was een zachtaardige man, maar hij was ook bazig, met een Glasgowse-arbeidersliefde voor de pub — en de sergeantenmess.
Rose leed onder de dronkenschap maar ze durfde hem er nooit mee te confronteren. Ze was altijd bang voor hem, en dat was ik ook. Toen ik vroeg volwassen werd, was ik net als zij, te sprakeloos om zijn ijzeren zekerheden het hoofd te bieden. Ik zat trouwens op kostschool, en rond mijn vijftiende begon ik mijn vakanties in het buitenland door te brengen met vrienden. Daarna dreef ik verder en verder weg, en bewaarde mijn duisterder gedachten voor mijn literatuur, waar vaders, vooral die in The Cement Garden, niet erg vriendelijk werden neer gezet. Onze hevigste botsing kwam een paar jaar later, toen ik in de twintig was en mijn ouders bezocht in Duitsland. Rose had de hele dag thuis niets anders te doen dan de meubels poetsen. Toen haar een baantje werd aangeboden, in de middag een legerbibliotheek leiden die thrillerpockets uitleende aan de troepen, wees David de baan namens haar af. Zijn rechtlijnige opvatting was dat een vrouw die het huis verliet om te gaan werken, op een slechte manier op hem zou afstralen. Twee jaar na onze ruzie diende het baantje zich opnieuw aan en, meegaand met de geest van de tijd, gaf hij toe.
In mijn twenties verdedigde ik Rose vaak, of probeerde haar te verdedigen, tegen David, of het op een of andere manier voor haar op te nemen. Het effect op mijn schrijven was behoorlijk direct, hoewel ik meen dat ik in die tijd geen duidelijk idee had van het verband. Ik las The Female Eunuch in 1971 en vond het een openbaring. Het feminisme van de jaren zeventig pakte zonder omwegen een kluwen problemen aan in het hart van ons familieleven. Ik ontwikkelde het romantische idee dat als de geest der vrouwen werd bevrijd, de wereld zou worden genezen. Mijn vrouwelijke personages werden de vergaarbak van alle goedheid die mannen niet bezaten. Met andere woorden: met mijn pen in mijn hand ging ik mijn moeder bevrijden. Thuis hing er geweld in de lucht. Dat was altijd zo geweest, maar pas nu kon ik het echt zien voor wat het was, en het gaan beoordelen. Mijn vader, weet ik, vond dat hij er recht op had, en het ging niemand iets aan behalve hemzelf. Toen ik in de late jaren zeventig mijn ouders bezocht, vertelde Rose me over de meest recente voorvallen. Ik bood aan om met David te gaan praten, maar bij het idee alleen al huiverde ze. Het zou dingen alleen maar erger maken zogauw ik weer was vertrokken. Die week gaf hij me als een verlaat verjaar dags cadeau een Olivetti typemachine. Ik was dankbaar — mijn oude machine viel uit elkaar. Maar het eerste wat ik erop schreef, in een klein slaapkamertje boven, was een brief aan mijn vader die ik aan Rose gaf om te bewaren. Zij moest hem aan David geven als ze weer werd bedreigd. In de brief schreef ik aan David dat ik van hem hield. Ook vertelde ik dat het een misdrijf was om Rose te slaan, en dat als het nog een keer gebeurde ik uit Engeland zou komen en zowel de Militaire Politie als zijn Commanding Officer zou opzoeken. Uiteindelijk bleek dat zij de brief vernietigde, een week nadat ik was vertrokken. Ze zei dat ze ’s nachts niet kon slapen met dat ding in huis. De dingen gingen zoals ze altijd waren gegaan, en ten slotte werd het probleem slechts opgelost door de mildheid van het ouder worden, ziekte en toenemende afhankelijkheid.
De herinnering aan een andere brief uit die tijd doet me nog steeds glimlachen en een beetje krimpen, en nog steeds is ze een waarschuwing. Haastige spoed is zelden goed. Aan het eind van een vrijdagmorgen, net voordat ik mijn appartement verliet, typte ik een paar regels op hoge poten aan de Spectator over het onrecht dat mij, vond ik, was aangedaan in het nummer van de week daarvoor. Over het algemeen is het een vergissing om te gaan klagen, maar dat had ik toen nog niet geleerd. Ik stopte een kopie in mijn zak en haastte me naar de vrijdagse lunch in Bertorelli. Ergens in het gesprek, terwijl het hoofdgerecht werd geserveerd, kwam het Spectator-artikel over mij ter sprake. Ik haalde mijn vlammende weerwoord te voorschijn, en het ging de tafel rond, van Clive James naar Mark Boxer, Martin Amis naar Karl Miller, van Christopher Hitchens naar Terry Kilmartin naar Peter Porter naar Julian Barnes. Het deed me goed dat de schrijver en critici wier mening ik het meest op prijs stelde mijn brief lazen. Er was algemene stilte, vervolgens enig keel geschraap en een poging om van gespreksonderwerp te veranderen, toen Jeremy Treglown, die de kopie als laatste had gezien, zijn hand als een kom bij mijn oor bracht en vriendelijk fluisterde: «Er zit een fout in de eerste regel.» Dah! — zoals Amis en Hitchens altijd zeiden. In het vierde woord. Dat verontwaardigd onthechte tegenwoordig deelwoord. Mijne heren, zo moet het ding ongeveer hebben geluid, mijn bedoelingen vernietigd hebbende met oneerlijk tegenover geplaatste citaten, ben ik verbijsterd door de plotselinge concessie van uw recensent aan de rechtvaardigheid… Ossobucco heeft nog nooit zo vies gesmaakt.

Het is voorjaar 2001, en ik haal Rose op van het verpleeghuis om haar mee uit lunchen te nemen. Soms weet ze precies wie ik ben, en soms weet ze alleen maar dat ik iemand ben die zij goed kent. Het lijkt haar niet erg dwars te zitten. In het restaurant snijdt ze haar belangrijkste thema aan: ze is naar het huisje in Ash geweest om haar ouders op te zoeken. Haar vader zag er niet goed uit. Ze maakt zich zorgen over hem. Haar moeder zal haar komen opzoeken in het verpleeghuis, maar ze heeft geen geld voor de bus en we moeten het haar sturen. Het heeft geen enkele zin Rose te vertellen dat haar vader is gestorven in 1951, en haar moeder in 1967. Dat maakt nooit enig verschil. Soms pakt ze een plastic zak vol spulletjes — een halve liter melk, een brood, een reep chocola en wat ondergoed uit de wasmand. Dan doet ze haar jas aan en meldt dat ze naar Ash gaat, naar Smith’s cottages, naar het huis waar zij is opgegroeid en waar haar moeder op haar wacht. Die thuiskomst mag lijken op een voorbereiding op de dood, maar ze is doodserieus over de details, en de laatste tijd is ze ervan overtuigd dat ze al is geweest en gauw opnieuw moet gaan. Tijdens de lunch zegt ze dat wat ze echt graag zou willen is dat haar moeder komt en haar kamer in het verpleeghuis bewondert en met eigen ogen ziet dat het goed gaat met haar dochter.

Na afloop rijd ik haar door de straten van de west-Londense buitenwijken. Dat is wat ze wil: zitten en kijken en naar dingen wijzen als wij van Northolt naar North Harrow naar Greenford rijden.
«O-o, ik vind dit echt heel erg leuk,» zegt ze. «Ik bedoel, moet je mij toch zien! Ik rij rond als Lady Muck!»
Als we over de M40 rijden in een zware regenbui, voorbij vliegveld Northolt, valt ze in slaap. Ze was altijd zo fladderig en nerveus dat overdag slapen ooit ondenkbaar was. Ze was een druktemaker, een slapeloze. Binnenkort zullen al haar herinneringen zijn verdwenen. Zelfs de vervormde herinneringen — haar moeder, het huis in Ash met de pruimenboom in de tuin. Het is een dood die je besluipt. Binnenkort zal ze mij of Margy of Jim niet meer herkennen. Terwijl de dementie haar geheugen leegmaakt, zal de ziekte haar beroven van haar spraak. Er zijn nu al eenvoudige zelfstandige naamwoorden die haar in de war maken. De zelfstandige naamwoorden zullen verdwijnen, en vervolgens de werkwoorden. En na haar spraak, haar coördinatie, en het hele motorische systeem. Ik moet me vasthouden aan de dingen die ze zegt, de kleine wendingen, de frases, want heel gauw zullen ze er niet meer zijn. Niets meer over van de moedertaal die ik het grootste deel van mijn leven heb proberen af te leren. Ze was levendig en opgewekt tijdens de lunch, maar voor mij is het de zoveelste treurige middag geweest. Elke keer als ik kom, is er een klein beetje méér van haar verdwenen. Maar er is één klein ding waar ik dankbaar voor ben. Terwijl zij slaapt en de wissers zwoegen om de voorruit schoon te vegen, kan ik alleen maar denken aan wat ze zei — rondrijden als Lady Muck. Dat heb ik in jaren niet gehoord. Lady Muck, mevrouw Neusindelucht. Where there’s muck, there’s brass. (Er is veel te verdienen met zaken waar anderen hun neus voor ophalen.) Dat moet gangbaar zijn geweest in de jaren dertig, of veertig. Ik zal het gebruiken. Het past precies bij wat ik aan het doen ben. Ik hou het. Dan zal ik altijd onthouden dat zij het zei. Ik heb op dit moment een personage in wording dat haar woorden kan gebruiken. Dus dank je, Rose, voor dat — en alle andere dingen.

Vertaling: Rob van Erkelens