Ger Groot

Moedertje

De zelfverzekerde vaststelling dat het persoonlijke politiek is, heeft me altijd verbaasd. Ze werd in de vroege jaren zeventig vooral in feministische kringen populair. Hoe konden linkse bewegingen een slagzin omhelzen die naar inhoud en bewoording wortelde in Mussolini’s fascisme? Doorzichtige burgers, de fossiele brandstof van de staat: dat is wat ieder totalitarisme wil, en daarin kan het geen scheiding tussen staatsburger en privé-persoon gebruiken.

Gemakkelijk verenigbaar met de dromen van na 1968 was dat niet. Het persoonlijke dat politiek moest worden, betrof dan ook vooral het onrecht dat zich achter de huislijke façaden verborg. Hand in hand daarmee gingen de aanzienlijk romantischer verlangens die meenden het onmogelijke te moeten eisen om realistisch te zijn. Op die uitnodiging drong de politiek het privé-leven maar wat graag binnen. De staat begon niet alleen huiselijk geweld te bestraffen, maar zich ook te bemoeien met de huishoudelijke gewoonten van de burger, al kreeg die daar wel weer een luisterend oor voor terug. Ongemerkt veranderde de overheid in een dienstverlenende sector met zorgzame aandacht voor de wensen van de burger, die na de triomf van de marktideologie zijn «klant» was gaan heten.

Vadertje staat werd moedertje staat, constateerde Dorien Pessers vorig jaar bij haar ambtsaanvaarding als hoogleraar «juridische grondslagen van de persoonlijke levenssfeer» aan de Vrije Universiteit. Terwijl het persoonlijke politiek werd, werd de politiek van de weeromstuit persoonlijk, zo constateerde ze. In haar nu bij Boom Juridische Uitgevers gepubliceerde oratie Big Mother vindt Pessers dat een bedenkelijke zaak.

De fortuynisering van de politiek is daarvan een symptoom, maar niet het belangrijkste. De vermoederlijking van de staat toont zich vooral in diens wil de burger tegemoet te komen in zijn persoonlijke verlangens, die als ononderhandelbare rechten op tafel worden gelegd. De burger eist en de overheid zorgt. Wat verdwijnt is het politieke waarom het allemaal begonnen was.

Want politiek is geen optelsom van individuele wensen en ongenoegens en de staat geen helpdesk die de eisen van de klanten zo goed mogelijk tracht te managen. Het politieke forum verheft zich boven de sfeer van het individu en kijkt naar het algemene welzijn, waarvan het individuele — binnen minimumgrenzen — is afgeleid. Verdwijnt die blik, dan blijft een strijdveld over van individuele aanspraken die stuk voor stuk van hun onaantastbaar recht overtuigd zijn en doof zijn geworden voor iedere bemiddeling via het algemeen welzijn.

In enkele tientallen bladzijden legt Pessers nog eens haarscherp uit wat politiek nu wel en niet is en wat de grenzen zijn van wat de staat moet willen en kunnen. Haar oratie zou dan ook niet alleen verplichte literatuur moeten zijn voor iedere jurist, politicus en ideoloog, maar ook elke actievoerder, journalist en — waarom niet? — iedere burger. Pessers herinnert opnieuw aan de simpelste grondregels van het democratisch staatsbestel, die achter de strijd van opinies en belangen nog wel eens verduisterd raken.

Misschien blijft in het boekje de continuïteit tussen het vaderlijke en moederlijke staatsbestel wat onderbelicht. Want de staat dwingt en straft nog altijd, en in de persoonlijke sfeer zelfs meer dan ooit. Maar de zachte en diffuse drang waarmee die straf inmiddels vaak voltrokken wordt, hoort opnieuw tot het moederlijke repertoire, waaraan men, zoals bij elke diffuse machtsuitoefening, veel moeilijker ontsnapt dan aan de zichtbare vaderlijke autoriteit. Daaraan doet de politieke verharding die inmiddels schijnbaar is ingezet weinig af.

Licht ongemakkelijk lijkt Pessers zich te voelen wanneer er aan het slot een klein aapje uit de mouw komt. Zij werd benoemd dankzij een universitaire maatregel die met de aanstelling van een handvol vrouwelijke hoog leraren op minieme deeltijdbanen de statistieken wat toonbaarder moest maken. Glunderend kondigde de Vrije Universiteit die stap indertijd aan, in de kennelijke overtuiging dat de wereld bedrogen wil worden.

Creatieve statistiek onttrekt in Nederland nu eenmaal wel vaker het ongewenste aan het zicht. Dat Pessers’ benoeming zelf een symptoom is van het vermoederlijkte beleid dat zij bekritiseert, getuigt van een wrange ironie waaraan we maar niet al te zwaar moeten tillen. Zolang het oraties oplevert als deze moet je niet zeuren over een beetje gegoochel.