Moedig meisje

SONYA HARTNETT
HET ELFENKIND
Uit het Engels vertaald door Karin Breuker
Clavis, 116 blz., € 14,95

‘Ze is een van die auteurs die momenteel een nieuwe weg inslaan in de jeugdliteratuur, zowel naar vorm als inhoud, door deze dichter bij die van de literatuur voor volwassenen te brengen en het onderscheid te doen vervagen. Maar ook verlegt ze voortdurend haar eigen grenzen. Geen twee van haar boeken zijn hetzelfde. Kundig past ze haar mooie, nauwkeurig geformuleerde en beeldende taal en haar briljante verteltechniek aan de eisen van elke roman aan’, aldus de jury van de prestigieuze Astrid Lindgren Memorial Award over de winnaar van 2008, de Australische Sonya Hartnett (Melbourne, 1968).
Van Hartnetts twintig romans zijn er maar vier in het Nederlands vertaald. Dat is weinig voor iemand die in eigen land wordt omschreven als ‘the finest Australian writer of her generation’ en ‘a novelist of genius’. Maar gelukkig wel voldoende om het oordeel van de jury van ‘de Alma’ te onderschrijven.
Hartnetts nieuwste boek lijkt inderdaad in niets op haar eerdere werk. Het elfenkind is minder historisch dan bijvoorbeeld Het tunnelkind, dat zich afspeelt in de traumatische crisisjaren rond 1930, maar ook minder beklemmend en onheilspellend dan Valstrik, dat rauw en realistisch vertelt over de incestueuze familie Willows in Australië’s ‘outback’.
Het elfenkind lijkt eigenlijk het meest op een sprookje: een ingetogen, romantische fabelachtige vertelling over de overweldigende maar onmogelijke liefde tussen de eigenzinnige hartstochtelijke Matilda van goede komaf en de mysterieuze goddelijke ‘wildeman’ Feather die zij op een dag langs de vloedlijn van een strand vol verlangen ziet kijken ‘naar de lijn waar de lucht en de oceaan elkaar raken’.
Als we Matilda ontmoeten is ze een oude dame die haar levensverhaal vertelt aan een ongenode jonge jongen die ze na terugkomst van een wandeling met haar hond in haar gebloemde leunstoel in de woonkamer treft. Wie deze jongen is en waarom hij ‘als een sterke brutale vogel’ onverwacht Matilda’s kamer is ‘ingevlogen’, wordt gaandeweg haar dichterlijke verhaal duidelijk.
Dat verhaal begint met een schets van een moedig, jong meisje rond het begin van de vorige eeuwwisseling dat zoekt naar duurzaam geluk, maar niet weet hoe je dat geluk moet halen ‘uit iets dat zo belangrijk en ingewikkeld is als een leven, een leven dat zo gemakkelijk beschadigt en dat je niet over kunt doen’.
Drie keer in haar leven denkt Matilda dat ze weet waar duurzaam geluk voor haar verborgen ligt, maar alle drie de keren ontdekt ze dat niets blijvend en zeker is: de intieme relatie met haar vader die haar gedurende een tweejarige wereldreis de wonderlijke schoonheid van de wereld heeft laten zien verandert in een afstandelijke bij thuiskomst. Haar liefde voor Feather is zodanig groot en meeslepend – en dus egoïstisch – dat zij hem ongewild te veel verandert in dat wat hij niet is waardoor de liefde hen ontglipt en de gelukzalige dagen van doelloos naar de golven kijken snel verworden tot dagen van zwoegen, gevolgd door nachten van slapen. En haar nieuwe intense liefde voor haar ongeboren ‘elf’ moet ze loslaten wanneer hij, onvoldragen, sterft en haar lichaam verlaat.
Mooi en rijk aan metaforen, dromerige beelden en intense kleuren, beschreven in lyrische zinnen als ware het een episch heldendicht is Matilda’s queeste die volgt. In een houten zeilboot, geholpen door Zephyrus de westenwind, ‘steekt ze de horizon over’ hopend Feather opnieuw ‘te vinden’ en antwoord te krijgen op de vraag waarom hij en de ‘elf’ haar verlaten hebben en hoe ze, nadat ze de liefde heeft leren kennen, verder moet leven zonder dat verlies voor altijd te blijven voelen. Ze vindt Feather op ‘zijn Eiland van eenzaamheid’ waar zijn liefste wens, ‘vergetelheid’, in vervulling is gegaan. Maar meer dan ‘zijn restanten – de klank van zijn stem, zijn geur –’ herkent Matilda niet: ze begrijpt dat iedereen uiteindelijk trouw moet zijn aan zichzelf, waarna ze haar eigen weg kiest in de wetenschap dat het leven geen verhaal is.
Terug in de woonkamer bij haar hond en de jonge jongen in de gebloemde stoel weet ze dat haar geluk is gelegen in de kans die ze heeft gehad om te leven. Dat inzicht zorgt voor een droeve en melancholieke ondertoon in een verhaal dat leest als een universele elegie over gevonden en verloren liefde en haar zoete, maar pijnlijke herinneringen, ‘herinneringen die zelden goed genoeg zijn om een hart troost te bieden’.
Toch ervaart Matilda aan het einde van haar leven dat het uitzicht vanaf haar ‘bergtop’ mooi is. ‘Maar’, vertelt ze haar bezoeker, ‘je kunt alleen duidelijk de weg zien die je hebt genomen om de plek te bereiken waar je staat. De andere wegen – de paden die je had kunnen nemen, maar niet genomen hebt – zijn ook overal om je heen, maar het zijn spookwegen, spookreizen, spooklevens, en ze liggen voor altijd verborgen achter de wolken.’
Hartnetts woorden raken je recht in het hart en beroeren de ziel. Eens te meer blijkt dat het de taal is die het verhaal maakt: Matilda’s elfenkind ligt weliswaar achter een wolkendek, maar Hartnetts Elfenkind is indringend en zichtbaar als het heldere schijnsel van een volle maan in een koude nacht.