Moedig voorwaarts

Na de val van het kabinet kan de PvdA eindelijk eens gaan doen wat ze zich na de mokerslag van acht jaar geleden had voorgenomen: zich grondig herbezinnen. Telkens kwam daar weer iets tussen.

Als dadelijk tussen de voormalige coalitiegenoten CDA en PVDA alle verwijten over en weer wel zo ongeveer zijn gemaakt en het onderlinge wantrouwen wel zo ongeveer tot op het bot is uitgevent. Als dadelijk een deel van de Nederlandse burgers heeft besloten wie van de twee kemphanen het wil geloven over wie er schuldig is aan de val van het kabinet-Balkenende IV en het andere, te vrezen valt steeds groter wordende deel het na deze vertoning allemaal wel gelooft wat ze daar in Den Haag doen. Dan breken er voor de PVDA kille tijden aan.
Met een partijleider, Wouter Bos, die ambteloos burger is en net als zijn D66-collega Alexander Pechtold bij de verkiezingen van 2006 vanuit zijn achtertuin campagne kan gaan voeren. Met het vooruitzicht na die verkiezingen de komende jaren in de Tweede Kamer in de oppositiebankjes te moeten doorbrengen. En met zoals het er nu uitziet een fractie die in de geschiedenis van de sociaal-democraten nog nooit zo klein is geweest.
De eerste test voor deze voorspelling is komende woensdag, de dag dat de kiezer zijn stem mag laten horen in zijn gemeente. Of de lokale politici het op prijs stellen of niet, door de val van het kabinet zijn de gemeenteraadsverkiezingen nog meer dan anders een graadmeter voor de landelijke voorkeuren en een afrekening met Den Haag. Uiteraard zal elke partij daarbij een eigen ijkpunt hanteren, net hoe het uitkomt en met de uitleg die voor de eigen partij het meest gunstig is.
Maar voor de PVDA is zelfs dat problematisch. Een vergelijking met de uitslag van de raadsverkiezingen van vier jaar geleden zal – zoals het er tot nu toe in de peilingen uitziet – voor de sociaal-democraten slecht uitpakken. Wouter Bos glorieerde destijds, hetgeen zich vertaalde in veel raadszetels en wethoudersposten. Maar ook een vergelijking met de daarop tegenvallende Kamerverkiezingen in het najaar van datzelfde 2006 pakt volgende week waarschijnlijk ongunstig uit. Zelfs als de graadmeter de desastreuze uitslag van 2002 is, kan deze nog nadelig zijn. Dat wordt wonden likken.
Toch is er één lichtpuntje. De PVDA kan eindelijk eens gaan doen wat ze zich na de mokerslag van acht jaar geleden had voorgenomen: zich grondig herbezinnen. Want alle goede bedoelingen en vele interne rapporten ten spijt, telkens kwam daar weer iets tussen.
Het was al de bedoeling in 2002, nadat na acht jaar Paars onder aanvoering van Pim Fortuyn de onvrede in de samenleving in de stemhokjes naar buiten was gebarsten en de PVDA ongelooflijk op haar falie kreeg. Toen dacht de PVDA in de oppositiebankjes tijd te krijgen voor het door-exerceren waar de sociaal-democratie in de 21ste eeuw voor staat. Maar toen de lpf van Fortuyn het kabinet-Balkenende I al snel ten val bracht, deed de PVDA het onder aanvoering van Wouter Bos in 2003 al weer een stuk beter. Met als voorlopig absoluut hoogtepunt de raadsverkiezingen van 2006. Dan is fundamenteel ruziemaken over de juiste koers niet meer het eerste waar politici aan denken: ze laten zich in slaap sussen of vinden het niet meer in hun eigen belang.
Na de negen zetels verlies bij de Kamerverkiezingen van 2006 leek de noodzaak echter wel weer aanwezig. Toen gingen er stemmen op die pleitten voor nauwere samenwerking met GroenLinks en D66, waar dan tegenover werd gezet dat juist de sp de partner zou moeten zijn. Maar ook die richtingenstrijd, sociaal-democratie in een moderne jas versus een terugkeer naar de meer klassieke opstelling, werd toen niet uitgevochten. De PVDA kwam in de regering en had het daar druk mee.
Maar nu ontkomen de sociaal-democraten er niet meer aan. De verkiezingen dwingt ze, de oppositiebankjes daarna geeft ze nog meer tijd.
Vanwege de komende Kamerverkiezingen zal de PVDA haar visie moeten geven op een overheid die vanwege de economische crisis flink moet bezuinigen en hervormen. Welke fundamentele keuzes maakt de sociaal-democratie dan?
De PVDA zal moeten laten zien hoe ze wil omgaan met een arbeidsmarkt waarop werknemers met een vaste baan aan de goede kant van de streep lijken te zitten en een grote groep werknemers met een flexcontract de klappen opvangt. Ze zal moeten beslissen of ze publieke diensten wil blijven behandelen als was het de vrije markt of dat ze hiervan terugkomt. In een partij met twee zielen, waar het dringen wordt om zetels en baantjes, kan het er dan wel eens hard aan toe gaan.
Eind januari plaatste partijleider Bos tijdens de Den Uyl-lezing de Derde Weg, die de sociaal-democratie in de jaren negentig van de vorige eeuw was ingeslagen, in historisch perspectief. Hij legde uit waarom destijds noodzakelijkerwijs een positievere houding was ingenomen ten opzichte van de vrije markt, het ondernemerschap en het bedrijfsleven en noemde het tragisch dat dit gebeurde in een tijd dat het moderne kapitalisme veranderde in een ‘ontketend monster’.
Zelfs zij die Bos’ analyse deelden, misten een duidelijke toekomstvisie. Ze hadden gehoopt dat de partijleider had geschetst hoe het verder moest. Daar kan Bos nu niet meer aan ontkomen. Een snelkookpanprocedure wordt dat, want de verkiezingen laten niet lang op zich wachten.
Voordeel van de val van het kabinet is dat de PVDA zich niet meer gehouden weet aan de kabinetsmantra dat bij toekomstige hervormingen niks taboe is. Als binnenkort de negentien ambtelijke commissies met hun adviezen komen, mogen PVDA’ers direct én in de openbaarheid reageren. Ze zullen het nooit hardop zeggen, dat zou maar de suggestie wekken dat de PVDA bewust op een crisis heeft aangestuurd, maar het werkt wel bevrijdend dat ze over die hervormingen niet eerst binnen het kabinet de strijd met het CDA moeten aangaan. De PVDA heeft daar immers intern de handen al vol aan.