Moeflon-ooi op cowboylaarzen

Wie houdt er niet van goede beginzinnen? ‘Het was dinsdagavond kwart voor acht en een van de laatste dagen van oktober in het roemruchte stervensjaar van de gulden, dat schitterende, harde betaalmiddel met zijn waaier van kleurige biljetten als de staart van een paradijsvogel, dat met goedvinden van de kroon door de directeur van de Nederlandsche Bank verkwanseld werd voor de eenheidsmunt waar er al zoveel van zijn en die de “euro” wordt genoemd.’

Anton Valens, Het Boek Ont, € 19,95

Anton Valens, Het Boek Ont, € 15,99 (e-book)

Medium valens   het boek ont

Het boek Ont van Anton Valens heeft vele thema’s en onderwerpen die niet direct iets met elkaar te maken hebben, maar toch lijken te corresponderen. Bij elkaar vormen ze de beleveniswereld van Isebrand Schut, een begin-dertiger die net is kaltgestellt door het telecombedrijf waar hij werkte, en nu een beetje thuis hangt en op de bewuste dinsdagavond ‘verticale rivieren’ langs de torens van Groningen ziet stromen. In die storm belt Cornelis Meckering bij hem aan, een flamboyante prater, een manusje van alles die overal geld uit weet te trekken en een ex van zijn moeder is: ook hij wil lid worden van Man & Post, een soort zelfhulpclubje voor mannen die zo lethargisch zijn dat ze op gezette tijden bij elkaar gaan zitten, elkaars post openmaken en de gevolgen van de inhoud bespreken. Met enig gevoel voor populisme zou de ontmanteling van de gulden een sterk onderwerp zijn, lekker actueel, net zo zeer als het gegeven ‘post’ dat is, nu het beroep van postbode zo goed als vogelvrij is verklaard; en in het Man & Post-lid Ebel dat Groningen onafhankelijk wil maken, kun je een parabel vinden van het idee om uit de EU stappen. Maar in deze verhaalelementen kun je beter geen parabels zoeken: het zijn gewoon enkele van de vele symbolen voor mannen als Isebrand die de veranderende wereld niet bij kunnen benen.

‘Het noodweer was afgetrokken, de stad behouden.’ Met de komst van Meckering klaart de passiviteit van Isebrand op. Meckering verzint allerhande klusjes voor hem, van het meeschrijven aan zijn boek over taal (wat verklaart het onvoorspelbare gedrag van het voorvoegsel ‘ont’?) tot het optreden als ‘aide de camp’ in zijn gesprekken met zijn min of meer gebrouilleerde zoon. Meckering verplaatst zijn al dan niet malafide bv naar Isebrands adres en hangt er een lelijk schilderij op. Op het Nieuwjaarsfeest kijkt Isebrand voor het eerst in tijden weer eens enthousiast om zich heen: ‘Ik leef, dacht Isebrand vanaf de rand, ik doe mee.’ Isebrand neemt een baantje bij de ondergrondse toiletten en ontwikkelt langzaam gevoelens voor de typisch geheten Manja van der Ziel, de business minded vrouw die hem ontslagen heeft bij het callcenter: ‘Haar langwerpige gezicht, blonde vlechten en gevulde, rijzige gestalte deden hem altijd denken aan een moeflon-ooi op cowboylaarzen. Ze had een flinke bos hout voor de deur.’

Een auteur die het over ‘een flinke bos hout voor de deur’ heeft is al heel snel flauw (de alinea daarop heeft hij over ‘haar jetsers’), maar dit is dan ook, laten we dat voorop stellen, een heel dwaas boek. De aantrekkingskracht van het boek laat zich niet makkelijk uitleggen; als je de grappen navertelt, lijken ze vlug te gezocht (en dat zijn ze soms ook: zeker de te lange verhandelingen over taal), of te repetitief, of lijken de personages te bizar, maar als je het achter elkaar leest weet Valens een perfect gepaste toon aan te slaan om je mee te nemen in zijn verhaal. Valens schrijft in razend tempo, wars van Hollands realisme, en vuurt de grappen op de lezer af uit de losse heup. Die hebben geen lach-of-ik-schiet-gehalte, maar moeten een versterkend effect hebben. Een gecontroleerde gekte. Want op gezette momenten neemt Valens zijn vertelsnelheid terug, geeft sfeervolle impressies van Groningen in de wisselende jaargetijden, de A-kerk, de Martinitoren. Steeds weer zoekt de stille, volgzame Isebrand een zekere rust, die steeds weer overboord gaat zodra de uitzinnige Meckering verschijnt.

In de eerste scène komt Meckering ongevraagd bij hem binnen, laat hem een brief lezen van zijn zoon die hij niet durfde te openen, en vraagt dan of hij even gebruik van zijn toilet mag maken. ‘Het duurde een tijdje eer hij Meckering hoorde doortrekken en hem weer tevoorschijn zag komen. Hij zag er plotseling vermoeid, maar toch ook opgelucht uit.’ Vervolgens deelt Meckering hem mee dat hij ‘onder het poepen’ de brief heeft verscheurd.

Meckering. Het is een gruwel van een personage. Nooit helemaal geloofwaardig en toch volledig overtuigend.