Zuid-Afrika debatteert over het verleden

«Moenie jou languages mix nie!»

Ruim tien jaar na de afschaffing van de apartheid debatteert blank Zuid-Afrika over het verleden, over schuld en over bevoorrechting. Maar ook over de eigen identiteit en de toekomstige rol van het Afrikaans. Het taaldebat lijkt nu echter vooral een sluier voor ongezouten kritiek op het democratisch bestel.

Pretoria, enige weken geleden. Met tranen in de ogen druipen ze af. Volwassen mannen, hun vrouwen en hun kinderen — allen in klederdracht, bijbel onder de arm. Ze wandelen terug, het nieuwe Zuid-Afrika in. De zonnestraal die zojuist nog via een ingenieuze constructie de massief marmeren tombe in het Voortrekkersmonument bescheen, is tot 16 december 2001 verdwenen. Pas dan zal de zon de tekst «Ons vir jou Suid-Afrika» weer doen oplichten en kunnen de paar honderd nostalgische Afrikaners zich met zang, dans en gebed weer voor een paar uur laven aan hun vertrouwde omgeving.

16 December: tegenwoordig «Verzoeningsdag», maar tot 1994 «Geloftedag», de herinnering aan de Slag bij de Bloedrivier in 1838 toen een kleine groep Voortrekkers korte metten maakte met vele duizenden Zulu’s. «De lichamen lagen opeengehoopt als pompoenen op een vruchtbare bodem», wist een historicus het in de jaren zestig beel dend te beschrijven.

Een handvol mensen houdt de herinnering levend aan wat eens het hoogtepunt van de Afrikaner geschiedenis mocht heten. Een enkeling laat zich bij het verlaten van het Afrikaner heiligdom door een toerist fotograferen. «Dit is de cultuur van Zuid-Afrika», verklaart een forse man, poserend voor een ossen wagen, zijn wat ongebruikelijke uitmonstering. De toerist kijkt de man vol ongeloof aan: is het hier dan toch geen openluchtmuseum?

Een treurig tafereel: mensen die zich in weerwil van de politieke omwenteling vastklampen aan een vertrouwd verleden. Wie het enorme, in de jaren dertig naar nationaal-socialistische maatstaven opgetrokken, bombastische bouwwerk binnentreedt, doet een stap terug in de tijd. Aan de hand van een muurreliëf wordt hier nog altijd de geschiedenis verteld van het Zuid-Afrika van voor 1990. De geschiedenis zoals Zuid-Afrikanen die generaties lang met de paplepel ingegoten kregen. Over barbaarse Zulu’s en over door God uitverkoren Voortrekkers. Over de heldendaden van Pretorius, over Potgieter en Piet Retief.

De toeristenbussen stoppen er dagelijks. Nog altijd. Het uitzicht over Pretoria blijft vanaf het monument dan ook magnifiek. Maar één dag in het jaar neemt de kleine groep onverwoestbare Afrikaners met heimwee bezit van het monument.

Om een paar uur later weer door te gaan in het nieuwe Zuid-Afrika.

Anders dan wat veel Nederlandse kranten in hun berichtgeving vanuit Zuid-Afrika graag doen geloven, is het maar een kleine groep die zich aan die Afrikaner mythe vastklampt. De sentimenten van een gezelschap fanatiekelingen op Geloftedag of de gebeurtenissen in apartheidsenclave Orania van de weduwe Verwoerd worden vaak opgeblazen tot enorme proporties. De discussies die Zuid-Afrika op dit moment bezighouden voeren verder. Onder tamelijk brede lagen van de witte bevolking is er debat. Debat over de Afrikaner, want de Afrikaner ver keert — en dat vindt bijna iedereen — in een identiteitscrisis.

En zo gek is dat niet.

Alles waar het leeuwendeel van de Afrikaners jarenlang in geloven moest, bleek op mythes en onwaarheden te berusten. De toon aangevende elite, die tot 1990 voorschreef hoe de gewone Afrikaner in het leven diende te staan, predikte van de ene op de andere dag een volkomen ander geloof. Hun eens zo machtige Nationale Partij, die onder de apartheid denken en doen van ontzettend veel mensen bepaalde, ging eind vorig jaar bijna geruisloos op in de Democratische Alliantie van oppositieleider Tony Leon. Weer een leidraad verloren. Gelukkig was er nog de taal. Maar ook het Afrikaans bleek niet meer van deze tijd; het werd de laatste jaren steeds praktischer een aardig woordje Engels te spreken. Want hoewel volgens de grondwet van 1994 na een compromis tussen ANC en Nationale Partij Afrikaans een van de elf «ambtelijke» talen is geworden, wordt in de praktijk in overheidsinstellingen nog voor namelijk Engels gesproken. De mensen die evengoed de in overheidsdienst nauwelijks gebruikte minderheidstalen als Tswana of Swati spreken, maken zich volstrekt geen zorgen over het voortbestaan van hun taal, maar de Afrikaners weten het zeker: langzaam maar zeker wordt hun hele cultuur opgedoekt. Ze verloren hun macht, hun mentors en nu lijkt ook de taal geofferd te moeten worden.

Een van die voormalige leiders die tamelijk radicaal van gedachten veranderde, is professor Willem de Klerk, «Wimpie» voor intimi. Deze Willem is de oudere broer van F.W. de Klerk, de laatste witte president van het land. In zijn afgelopen jaar verschenen boekje Afrikaners, kroes kras kordaat legt De Klerk uit dat de Afrikaners er wijs aan doen in het nieuwe Zuid-Afrika iets meer bescheidenheid te betrachten. De Klerk, van huis uit theoloog, was onder het oude stelsel als redacteur van het boek Roeping en werklikheid en als lid van de ultra-geheime Afrikaner Broederbond verantwoordelijk voor de levensbeschouwelijke rechtvaardiging van apartheid. De in zijn boek verkondigde theologie voor de apartheid was voor Zuid-Afrikaanse studenten vanaf de jaren zestig tot ver in de jaren tachtig verplichte kost bij alle studierichtingen. Anno 2000 is De Klerk een heel andere weg ingeslagen. Hij besluit in zijn boekje dat de begrippen «Afrikaner» en «Afrikanervolk» te zeer zijn besmet met apartheid en te sterk worden geassocieerd met een exclusieve blanke etnische groep. De begrippen moeten op de helling en worden vervangen door één nieuw begrip: de «Afrikaanse gemeenschap», waar ook blanke Afrikaners toe behoren. Niet zozeer de inhoud als wel het belerende toontje van de oude De Klerk schoot velen, met name de mensen van een generatie later, in het verkeerde keelgat. Woordvoerder van de opposanten werd de 46-jarige radiojournalist Chris Louw, die in een aantal Afrikaanstalige kranten een open brief aan zijn voormalige hoofdredacteur Willem de Klerk publiceerde. Hoe bestond het dat De Klerk zonder één verwijzing naar zijn eigen verleden wederom de massa Afrikaners meende te kunnen onderrichten?

«Willem de Klerk schrijft met de arrogantie van iemand die geen verleden heeft», zegt Louw in de rumoerige kantine van omroeporganisatie SABC in Johannesburg. Chris Louw: «Je kunt je toch niet voorstellen dat in 1945 in Duitsland de ideologen van het nationaal-socialisme het volk zouden vertellen hoe het verder moest leven in de nieuwe tijd? Toch is dat wat hier gebeurt: de Broederbonders, de mensen die ooit de apartheid uitdachten, zijn nu diametraal van mening veranderd en willen me nu weer vertellen hoe ik me aan de nieuwe tijd moet aanpassen. Dan zeg ik: Fuck hulle!»

De politieke overgang was voor Afrikaners vooral ook een culturele overgang, meent Louw, die in zijn jonge jaren als beginnend journalist bij Die Transvaler al door hoofd redacteur De Klerk neerbuigend met boetman («jonkie») werd aangesproken. «Het was ook een culturele overgang, en vooral daarover is die enorme verwarring onder de Afrikaners. Toen de Amerikanen terugkeerden uit Vietnam werden ze uitgebreid gedebrieft. De Afrikaners zijn eerst een tijdje voor de gek gehouden en nu moeten ze zich van de ene op de andere dag aanpassen. Terwijl ze nog best even nodig zouden kunnen hebben om hun machtsverlies te verwerken.»

Een van de eersten die sprak van een Afrikaner identiteitscrisis is voormalig politicus Frederik van Zyl Slabbert. In zijn twee jaar geleden verschenen boek Afrikaner Afrikaan doet hij een poging de rol van de Afrikaner in het nieuwe Zuid-Afrika te beschrijven. Regelmatig draagt hij bij aan de levendige discussies op opiniepagina’s van landelijke dagbladen, ironisch genoeg vooral vaak in The Citizen, een Engelstalige krant met een van oorsprong Afrikaans sprekende hoofd redacteur. Afrikaners moeten zich na alles wat is gebeurd maar wat gedeisd houden, vindt Van Zyl Slabbert, maar met vrienden als schrijver/dichter Breyten Breytenbach denkt hij wel voortdurend na over de wijze waarop in elk geval iets van de taal behouden kan blijven. Als er uiteindelijk één Afrikaanstalige universiteit en een paar radiostations overblijven, dan is «Slabbert» tevreden.

Vanaf 1948, toen de Nationale Partij aan de macht kwam, is de kwestie van etnische of rassenidentiteit gebruikt als basis om te regeren, zegt Slabbert. Zelf heeft hij daarom nooit wat opgehad met die partij. Al vroeg koos hij voor de oppositie. «Het begrip ‹Afrikaner› is vanaf 1948 gekoppeld ge weest aan het rassenconcept. Taal alleen diende niet als basis voor de identiteit, maar taal in combinatie met ras. Daaruit is een bepaald ideologisch concept van de Afrikaner ontwikkeld waarmee ik mezelf nooit heb kunnen identificeren. Voor mij ging het om de taal, niet om het ras. Daardoor ben ik vanaf het begin in aan varing gekomen met die Nationale Partij én met de instellingen die daaraan verbonden zijn.» In de «correcte Afrikaner» zoals die door de Nationale Partij gecreëerd was, heeft Van Zyl Slabbert zich nooit kunnen vinden. «Je stemde op de Nationale Partij, behoorde tot de Nederduits Gereformeerde kerk, je was blank en sprak ook nog eens Afrikaans. Alleen dát was een Afrikaner.» In 1990 verloren die «rasgedefinieerde Afrikaners» hun politieke macht. «En zonder politieke macht wisten ze niet meer wat hun identiteit was, ze konden zich voor hun gevoel niet meer beschermen tegen de anderen», zegt Van Zyl Slabbert.

Vanaf dat moment is de vraag ontstaan wie dan wél Afrikaner is. «Daar is nie Afrikaners nie, daar is Afrikaanssprekendes», is nu het motto. «Maar als we het hebben over Afrikaanssprekenden», zegt Slabbert, «bestaat er dan wel een gemeenschappelijke identiteit? Kleurlingen klaagden. Zij zeiden: ‹De taal behoort niet alleen aan de Afrikaners toe, die taal behoort toe aan een ieder die Afrikaans praat. Wij willen geen Afrikaners genoemd worden omdat we per ongeluk Afrikaans spreken.› Niemand weet nog wie Afrikaner is en waarom. Het begrip Afrikaner is terminaal. Je moet tegenwoordig geloven in Dingaan (de opvolger van Zulu-koning Shaka — pv) én in Van Riebeeck, de boerenhelden en zoveel meer. Dat gaat dus niet gebeuren. Onze gezamenlijke geschiedenis moet nog gemaakt worden. Het Afrikanerschap wordt gewoonweg niet meer zomaar losgekoppeld van de Nationale Partij en de smet van apartheid. En zolang dit niet gebeurt, is de overlevingskans van het Afrikaans en de Afrikaner heel gering. De taal heeft bijzondere bescherming genoten in het voormalige regime, en op school. Het was een officiële taal die je moest leren op school en in de ambtenarij. Je had macht via de taal. Dat nu is voorbij. De taal moet overleven op grond van haar culturele waarde. Het blijft de bron van een bepaalde culturele identiteit, en als Afrikaanssprekenden moeten wij nu maar besluiten wie we zijn, wie er bijhoren.»

Van de klassieke blanke Afrikaners zoals Van Zyl Slabbert die beschrijft blijven er echter niet veel over. Niet alleen omdat steeds meer mensen Engels gaan praten en hun kinderen op Engelstalige scholen zetten, maar vooral ook omdat mensen die het zich kunnen veroorloven vaker elders een nieuw bestaan aanvangen. Ze vertrekken naar Australië of het Verenigd Koninkrijk, maar ook vaak naar Nederland of België. Van Zyl Slabbert: «De mensen die achterblijven moeten aan de slag voor een nieuwe identiteit. Pessimistisch ben ik niet. Die oude identiteit was strontvervelend, zoals Nederlanders dat zouden zeggen.»

Wél pessimistisch is Dan Roodt, taalactivist en filosoof. Ook hij schrijft regelmatig op de opiniepagina’s, zij het voornamelijk in de Afrikaanstalige pers. In bijna elke bijdrage poogt hij iemand op zijn nummer te zetten die in zijn ogen het Afrikaans verkeerd gebruikt heeft. De laatste en meest omstreden campagne van de beroepsquerulant is die tegen het zuivelconcern Parmalat, dat op pakken melk tegenwoordig de inhoud nog slechts in het Engels vermeldt. En dat terwijl de meeste melkdrinkers toch Afrikaners zijn, meent Roodt. Regelmatig ook publiceert Roodt in Fragmente, Tijdskrif vir Filosofie en Kultuurkritiek. In de jongste uitgave van het blad stond Roodts stuk «Het nieuwe a-patriottisme» afgedrukt. Het is een nogal cynisch epistel over een «staatsvyandigheid» jegens de Afrikaners en het Afrikaans die nochtans zal ontaarden in een soort opleving van de Afrikaanstalige literatuur — James Joyce was immers al van mening dat schrijvers slechts in ballingschap naar behoren kunnen functioneren.

«Hoe kan een mens leven zonder vaderland? Dat is vandaag de dag het fundamentele dilemma van de Afrikaner/Afrikaans sprekende», schrijft Roodt. Traditioneel wordt immers het westerse denken gedomineerd door het denken vanuit patriottisme en nationalisme, vervolgt hij. Maar voor de klassieke Afrikaner is er in Zuid-Afrika geen plek meer. «In zekere zin is het woord ‹Zuid-Afrika› voor mij iets vreemds geworden, ‘n lege huls, een soort historisch ongeluk dat weigert te beseffen dat zijn eigen toevalligheid hem reeds lang heeft ondermijnd. Niemand kan zichzelf serieus een Zuid-Afrikaan noemen. Wij zijn gevangen tussen de Amerikaanse droom en de Afrika-nachtmerrie, en het enige dat we aan werkelijke eigenheid hebben, is de Afrikaanse taal.»

De lobby van een chique hotel in Rosebank, Johannesburg. Een pikzwarte ober wil bij Dan Roodt de bestelling opnemen. De taalactivist kan het niet laten. Of de ober Afrikaans spreekt, vraagt hij. De barman reageert nauwelijks en wacht beleefd op duidelijker instructies. «Altijd even testen», zegt Roodt, die danig teleurgesteld toch maar weer zijn cappuccino in het Engels bestelt.

Dan Roodt is de drijvende kracht achter «Praag», de Pro-Afrikaanse Actiegroep. Behalve de veelbesproken veldtocht tegen de zuivelfabriek ontketende hij eerder al eens een campagne tegen de in het Engels publicerende Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar Nadine Gordimer, die in Roodts ogen de Afrikaners in recent werk als The House Gun (1998) wat al te lomp voor de dag laat komen. In 1999 startte hij een handtekeningenactie met als doel een herwaardering van het Afrikaans te realiseren. Met de «Taal petitie» maakte hij, en een groep medeondertekenaars waar tot ieders verbazing ook de meesttijds meer genuanceerde Breyten Breytenbach toe behoorde, bezwaar tegen de bevoordeling in overheidskringen van het Engels ten opzichte van het Afri kaans. Dit is niet alleen strijdig met de grondwet maar, aldus Dan Roodt cum suis, ook een verwerpelijke Angelsaksische neokoloniale stuiptrekking, waarvoor een onafhankelijke republiek als Zuid-Afrika toch gespaard zou moeten blijven. Ondanks een intensieve campagne, onder meer via literair webwerf Litnet (www.litnet.co.za), wist Roodt maar weinig handtekeningen te verzamelen. De één miljoen die hij op 1 mei 2000 met een protestmars naar de regeringsgebouwen in Pretoria aan president Mbeki had willen aanbieden, werd althans bij lange na niet gehaald.

De taalactivist verdient zijn geld met de handel in aandelen. Als in dezelfde hotellobby in Johannesburg halverwege ons gesprek over de positie van het Afrikaans opeens het scherpe geluid van zijn telefoon opklinkt, wordt ieder nobel taalstreven alras opzijgezet. Een lang dispuut over een of ander aandelenpakket wordt per zaktelefoon volledig in het Engels afgehandeld. Zaken doe je nu eenmaal in het Engels, vindt kennelijk ook Dan Roodt.

Waarmee het opportunisme van de taalstrijders maar weer is blootgelegd. Max du Preez, ooit hoofdredacteur van het opstandige Vrye Weekblad, schreef in reactie op een eerdere grootscheepse actie van de taalstrijders al niet helemaal overtuigd te zijn van de werkelijke motieven van de beweging. «Het enige wat ze met elkaar delen, is frustratie over de nieuwe democratie en dezelfde moedertaal», schreef Du Preez. Hij suggereerde voorts dat de acties een soort sluier waren om kritiek te kunnen uitoefenen op de regering, een gevolg van het «machtsverliessyndroom». Daarbij komt nog dat Afrikaans in de ogen van Du Preez een taal is «wat nie regtig bedreig word nie».
Van Zyl Slabbert: «De Westkaap, dát is de natuurlijke heimat van het Afrikaans. Dáár wordt het Afrikaans gebruikt, voor alles en door iedereen. Maar hoe verder je richting Johannesburg trekt, hoe minder je het Afrikaans hoort. De Afrikaanssprekenden die je in het noorden tegenkomt, zijn vaak die van de vorige bedeling: wit en bevoorrecht.»

En vooral deze mensen hebben er zo'n moeite mee als de taal afwijkt van het standaardafrikaans zoals dat jaren door de Nationale Partij is voorgeschreven. Het gebruik van Engelse woorden in het Afrikaans is voor Dan Roodt nog altijd taboe. «Dat is geen taalverandering, dat is toegeven aan Amerikaans taalimperialisme», zegt hij. «Als je niet je eigen taal gebruikt om je op alle mogelijke manieren te uiten, dan verliest je cultuur zijn creativiteit.»

Maar het mengen van taal is aan de orde van de dag. Althans in de Kaap, waar haast niemand zich druk maakt om iets als een taal debat. «Ach, die taal. Het is nog het enige dat ze hebben», verzucht acteur en stand-up comedian Basil Appollis. Volgens de apartheidsstratificatie is hij kleurling, hij spreekt Afrikaans en groeide op in het epicentrum van het Afrikaans: Paarl, niet ver van Kaapstad en het universiteitsstadje Stellenbosch. «Op het moment dat je campagne gaat voeren voor je taal, dan is er iets grondig mis. Zolang het gesproken wordt is er toch geen issue? Wij spreken het hier met miljoenen», zegt hij. «De Afrikaners hebben gewoon geen macht meer en taal wordt door hen gebruikt als een soort excuus om tegen de huidige regering te kunnen protesteren. De taal van de witte Afrikaners staat stil, ons Kaapse Afrikaans is in beweging. Afrikaans begint bij ons steeds meer een mixtaal te worden en dat is wat de heren opinion leaders niet zint.

Moenie jou languages mix nie. Maar it’s a bad habit wat jy nie easily kan avoid nie.»

Appollis joeg heel wat mensen tegen zich in het harnas toen hij ten tijde van de apartheid op een plaatselijk radiostation een programma kreeg waarin hij in beurtzang met zijn witte medepresentator regelmatig poëzie voordroeg. Appollis zelf nam tot ergernis van velen steevast de Afrikaner dichters voor zijn rekening. «Veel gedichten met my land en my god — heerlijk provocerend», zegt hij nu. Indertijd leverde het hem een beroepsverbod op.

Hij mag dan Afrikaans spreken, een Afrikaner is hij niet. Basil Appollis is «gewoon Zuid-Afrikaan». «Afrikaners plaatsen mensen graag in een categorie en zien zichzelf dan als conservatief en christelijk religieus, terwijl bij mijn weten de eerste Afrikaanstalige publicatie een islamitische korantekst was. Ha!»

De weg van Johannesburg naar de Kaap is lang en recht. Honderden kilometers gaat het, door de verzengende hitte van de Karoo — het uitgestrekte stuk woestijn, dat door het trillende asfalt in parten gesneden wordt. De eindeloze geelbruine vlaktes, slechts onderbroken door wat cactusachtige begroeiing en zwartgeblakerde keien, trekken oneindig langzaam aan de autoraampjes voorbij. Om de paar honderd kilometer verschaft een benzinestation dat kleine beetje schaduw dat mens en motor nodig hebben. Zo ook bij het stadje Touws Rivier, waar het maanlandschap van de Karoo langzaam plaats gaat maken voor de groene vergezichten die zo kenmerkend zijn voor de wijnstreek.

De tientallen pompbediendes die gezamenlijk menen de ruitjes van de auto te moeten lappen, lachen me hard uit als ik in het Engels vraag om de tank nog even met loodvrije benzine vol te gooien. «Waarom Engels? Wij horen heus wel dat je Afrikaner bent.» Leg dat maar eens uit aan Dan Roodt. In deze regionen zou zijn missie volstrekt overbodig zijn.

Na Touws Rivier is het niet ver meer. Een paar uitlopers van de Karoo, het begin van de Kaapse wijnranken en dan Appollis» geboortestad Paarl, waar de torens van de plaatselijke betonnen taaltempel de hemel in priemen. Hoog verheven boven alles, op een koppie (heuvel), midden tussen de wijnvelden een ander symbool van doorgeslagen Afrikaner triomf: 57 meter hoog, van verre te zien, het Afrikaanse taalmonument. «Afrikaans. Dit is ons erns», staat er op blauwe vlaggen die wapperen aan het begin van de oprijlaan naar het betonnen gedenkteken. De hoogste van de drie pijlers staat symbool voor het Afrikaans, de twee minder hoge zuilen moeten de republiek Zuid-Afrika en het «heldere westen» verbeelden. De architect maakte hiervoor gebruik, zo meldt een informatieve brochure, van de woorden van de in 1970 overleden dichter N.P. van Wyk Louw, die schreef dat het Afrikaans met het ene been in het «heldere westen» staat en met het andere been in het «magische Afrika».

De literator zou zich omdraaien in zijn graf als hij had geweten waar interpretatie van zijn poëzie vijf jaar na zijn dood en honderd jaar na stichting van het Genootskap van Regte Afrikaners toe zou leiden. Dat genootschap wordt trouwens nader beschouwd in het even verderop gelegen Afrikaanse taalmuseum. In het voormalige woonhuis van G.J. Malherbe, lid van het genootschap. In dit huis werd onder auspi ciën van het genootschap in 1876 de eerste Afrikaanstalige krant gedrukt. Tot die tijd was als officiële geschreven taal nog vooral het Nederlands in zwang. Voor wie het taalmuseum heeft gezien, lijkt de geschiedenis zich te herhalen. Al zolang het Afrikaans gesproken wordt, is er strijd over de taal.

De Dan Roodt van de negentiende eeuw heet C.P. Hoogenhout. Op een plaquette in het museum wordt een gedeelte van zijn gedicht Vooruitgang aangehaald.

Engels! Engels! alles Engels! Engels wat jy sien en hoor

In ons skole, in ons kerke, word ons moedertaal vermoor.

Ag hoe word ons volk verbaster, daartoe werk ons leeraars saam,

Hollans nog in sekere skole: is bedrog, 'n blote naam!

Wie hom niet lat anglisere word geskolde en gesmaad.

Tot in Vrystaat en Transvaal al, oweral dieselfde kwaad.

«Dis vooruitgang!», roep die skreeuwers, dis beskawing wat nou kom!

Die wat dit nie wil gelowe, die is ouderwets en dom.

Basil Appollis’ «Moenie jou languages mix nie» is sommige mensen kennelijk al langer uit het hart gegrepen. De taal van de bekende dichteres Antjie Krog is ze een gruwel. Krog gebruikt het Engelse woord poetry waar ze poëzie bedoelt. Het Afrikaanse poësie vindt ze «hoogdravend». Zelfbenoemd literatuurpaus Daniel Hugo, presentator van het landelijk te ontvangen Afrikaanse station Radiosondergrense, stelde onlangs bij een interview over Krogs nieuwste bundel Kleur kom nooit alleen nie wat kritische vragen over het moderne taalgebruik en kreeg direct na afloop van het interview de volle laag. «Daniel Hugo, jy is een poephol!» zei Krog. Het standaardafrikaans van de conservatieve Hugo was de beroemde dichteres in het verkeerde keelgat geschoten.

Een doelbewuste provocatie is het niet, Krogs Engels-Afrikaanse mix. Althans, dat is wat de onder de rook van de parlementsgebouwen in hartje Kaapstad wonende Krog zelf zegt. «Het mengen van talen is in Zuid-Afrika aan de orde van de dag. Zuid-Afrikanen gebruiken als ze spreken een verscheidenheid aan talen. Als je luistert naar de nieuwste Afrikaner popmuziek, als je werk van jonge schrijvers leest, als je werk van kleurlingschrijvers leest of als je gewoon op straat je oren gespitst houdt, dan realiseer je je dat dit de manier is waarop mensen spreken. Ik doe het bewust omdat het de steriele opvattingen over poëtisch taalgebruik ondermijnt.»

Met oud-ambassadeur Carl Niehaus en voormalig Waarheidscommissielid Mary Burton zette Krog onlangs nog een handtekeningenactie op de rails die witte Zuid-Afrikanen ertoe moest brengen medeverantwoordelijkheid voor de apartheidsterreur te erkennen en toe te geven in enigerlei opzicht van het vorige regime geprofiteerd te hebben.

En weer was er een thema waar in den brede over gedebatteerd werd. Volgens Krog is de actie ondanks het beperkte aantal ondertekenaars van de petitie geslaagd. «Het overtrof al mijn verwachtingen. Waar de Waarheidscommissie zich vooral richtte op specifieke groepen daders, legt deze campagne de nadruk op alle mensen die profiteerden. Het debat dat nu in de kranten gevoerd werd had tijdens de verhoren van de Waarheidscommissie moeten plaatsvinden.» En wat het extra spannend maakte is dat sommige mensen nadrukkelijk ook aangaven de lijst niet te willen ondertekenen omdat ze al lang voor het nieuwe Zuid-Afrika aan de slag zijn, vindt Krog. «En dat is toch wat we willen!»

Ook boetman Chris Louw tekende de lijst. Binnenkort zal van zijn hand het boek Boetman en die Swanesang van die Verligters verschijnen. Hierin probeert hij de tientallen mythes rond het Afrikaner nationalisme af te breken. De Afrikaner identiteit is een geschapen identiteit, meent Louw die zich door de oude elite niets meer wil laten wijsmaken. Hij heeft juist het dagboek van de negentiende-eeuwse Afrikaner voorman Louis Trichardt gelezen. In het hele dagboek vond Louw tot zijn geruststelling niet één verwijzing naar de bijbel. Zijn conclusie: «Als in 1912 de Broederbond opgericht wordt, besluit men kennelijk doelgericht dat de Afrikaner een identiteit moet krijgen. Men kiest voor het christelijk-nationalisme en direct na dit besluit is een begin gemaakt de geschiedenis te herschrijven. Dan pas wordt de Grote Trek gezien als een goddelijke onderneming.» Wat aan persoonlijke bezittingen van Piet Retief en andere Voortrekkers in het curiositeitenkabinet in de kelder van het Voortrekkersmonument in Pretoria bewaard is gebleven, is een selectie van wat in de nieuwe gecreëerde identiteit zou passen.

Het boek moet in april uitkomen en zal zonder twijfel de post-apartheidsdepressie van velen verstevigen. De mensen die van plan waren zich op 16 december 2001 naar het Voortrekkersmonument te begeven, zijn tenminste alvast gewaarschuwd.