Moeras, de ruysdael van de amerikaanse literatuur

Cormac McCarthy, Al die mooie paarden. Vertaald door Ko Kooman, uitgeverij De Arbeiderspers, 319 blz., f29,90 De boeken van Cormac McCarthy verschenen bij Albert A. Knopf. Nederlandse vertalingen van Blood Meridian, Suttree en Child of God staan bij De Arbeiderspers op stapel.
Van de personages in het vroege werk van Cormac McCarthy kun je zeggen dat ze ronddwalen in een wereld waar het maar niet licht wil worden. Op de achterflap van McCarthy’s eerste boek, The Orchard Keeper (het verscheen, onopgemerkt, in 1965) valt de term ‘drama’, maar dat roept een beeld op van conflicten in morele, politieke of psychologische zin, van personages die besluiten nemen, doelen nastreven en zich daarin op dramatische wijze gehinderd weten door de realiteit. En van dit soort drama is in de eerste romans van McCarthy niet of nauwelijks sprake. Ook niet The Orchard Keeper, dat in zijn brede opzet, met waaierende verhaallijnen die verknoopt raken en heen en weer schieten tussen verleden en heden, aanvankelijk wel de dramatisering van een idee lijkt te worden. Gaandeweg groeit de handeling echter krom en slibt de boel uiteindelijk dicht. Bomen, een donkere berg, sneeuw, regen, een rivier waarin iemand verdrinkt - de natuur neemt de loop der dingen over, de mensen dwalen er enkel wat in rond.

The Orchard Keeper eindigt ergens met een man die nog eens langs het oude huis loopt waar een groot deel van het boek speelde, maar het is nu verlaten. Het is, zo staat er dan, een huis voor de winden geworden. De man rookt zijn sigaret, gaat de weg op, komt een oude neger tegen met een kar. Hij loopt de heuvel op, ziet daar een man en een vrouw in een auto, zwaait naar hen, maar ze reageren niet. Even is er het licht van de zon, de man gaat door een gat in de afrastering, het miezert, hij verdwijnt in schaduwen. Het boek besluit met een voor McCarthy typerende reflexie: ‘They are gone now. Fled, banished in death or exile, lost, undone. Over the land sun and wind still move to burn and sway the trees, the grasses. No avatar, no scion, no vestige of that people remains. On the lips of the strange race that now dwells there, their names are myth, legend, dust.’
Dat klinkt naar een geronde cirkel, maar inhoudelijk is er niet of nauwelijks sprake geweest van de afwikkeling van een conflict. Het verhaal is rafelig en onuitgesproken gebleven, zo ongeveer als het leven zelf, maar trager dan de wereld die wij kennen. Het is bijna tot stilstand gekomen in de esthetica van het moment. Als op een schilderij van Ruysdael.
Ik kom op Ruysdael door een opmerking die Denis Donoghue maakte in een lang en diepgravend essay over Cormac McCarthy in The New York Review van 24 juni 1993. Donoghue heeft het over het onderscheid tussen het Nederlandse en Italiaanse vertelprocede, zoals hij dat aantrof in The Art of Describing, een boek dat handelt over de Nederlandse schilderkunst, geschreven door Svetlana Alpers. In een Nederlands schilderij gaat het om het uiterlijk van de dingen, terwijl het er bij een Italiaans schilderij om gaat door het uiterlijk van de dingen heen op dramatische, theatrale wijze zicht te krijgen in een wereld daarachter. En bij Cormac McCarthy, zeker bij zijn eerste boeken zegt Donoghue, is het als op die Nederlandse schilderijen.
Een intrigerende vergelijking. Want inderdaad, als je de boeken van McCarthy leest, word je door zijn verbluffend sterke beeldende vermogen een werkelijkheid ingesleurd, terwijl alles tegelijkertijd ongrijpbaar, geheimzinnig blijft, alsof je er van buitenaf naar kijkt. Het is de schoonheid van Vermeer. Je bent er, je bent er helemaal, maar alles blijft toch buiten.
Het lijkt alsof Cormac McCarthy bij zijn tweede boek, Outer Dark, begreep dat hij zijn focus moest verkleinen om dat effect te vergroten. Outer Dark speelt alweer in de heuvels van Tennessee, en ook hier zijn de doodarme mensen onwetend van nog een andere wereld. Een broer en een zus hebben samen een kind gekregen. De broer legt dit kind direct na de geboorte in de bossen. Het wordt gevonden en meegenomen door een ketellapper. Dan gaat de zuster op zoek naar haar kind en vervolgens de broer naar zijn zus, en zo dwalen ze het boek door. Als het kind dan min of meer per ongeluk wordt gevonden, is daar nog maar weinig van over; het is zelfs de vraag of het ook echt het bewuste kind is. Heel terloops komt dat ter sprake. Je leest er bijna overheen, het gaat al gauw weer over andere zaken.
Wat is dat voor een verhaal? Het is wel degelijk een verhaal, want je leest het gespannen door naar het einde. En het is wel degelijk ook een einde met dramatische kracht. De broer komt op een weg een blinde man tegen, ze houden een praatje, of er nog iets te roken valt en dat het een mooie dag is, een van die prachtige luie lulpraatjes waar Outer Dark mee vol staat. De blinde man glimlacht en zegt dat hij de broer al eerder heeft gezien, maar de broer kan zich daar niets van herinneren. Dan gaat de broer verder, het is een heel eind lopen, maar uiteindelijk loopt de weg dood in een moeras. 'He tried his foot in the mire before him and it rose in a vulvate welt claggy and sucking. He stepped back. A stale wind blew from this desolation and the marsh reeds and black ferns among which he stood clashed softly like things chained. He wondered why a road should come to such a place.’
Goed, en dan loopt de broer de weg weer terug en komt hij die blinde man weer tegen, die glimlacht. Maar de broer zegt niks tegen de blinde man. Hij vraagt zich af waar de blinde man heengaat en of die wel weet dat de weg dood loopt in het moeras. En dan luidt de laatste zin: 'Someone should tell a blind man before setting him out that way.’
Zo'n einde - het lijkt natuurlijk symbolisch, als je denkt aan die broer en die zus, zelf ontheemden, blinden in een vreemde wereld. Ook benadrukt zo'n zin de apathie van de broer, die tenslotte zelf wel iets tegen die blinde man had kunnen zeggen, maar hem gewoon het moeras in laat lopen, zoals alles en iedereen in het boek hulpeloos het moeras in lijkt te lopen. Maar een dergelijk versleten symboliekje, dat kan toch niet meer zijn dan een inkleuring, een toon, het kan toch niet datgene zijn waar het verhaal in feite om draait. De grandeur van Outer Dark schuilt in de trage, maar prachtige bewegingen die de vertelling maakt, in de onnavolgbare stijl ook, niet in het idee achter het verhaal. En net zo is dat het geval met Lester Ballard, de eenzame seriemoordenaar en necrofiel in McCarthy’s derde roman Child of God, die zich ook al afspeelt in de donkere heuvels van Tennessee, en deels zelfs onder de grond, in een grot.
Grotten keren nadrukkelijk terug in de vierde roman, Suttree. Het ondergronds gaan, mol worden, lijkt een vanzelfsprekende consequentie te worden voor de personages bij McCarthy. Suttree is een aanzienlijk omvangrijker boek, en speelt weliswaar nog steeds in Tennessee, maar nu in een stad: Knoxville. De hoofdpersoon Cornelius Suttree heeft om onduidelijke redenen voor het zwerversbestaan gekozen. Hij woont in een wrakkig bootje aan de rivier, leeft van de vissen die hij vangt en maakt wat avonturen mee, ook met mooie vrouwen die verliefd op hem worden, maar uiteindelijk ontvalt alles hem en dat lijkt hij ook na te streven. Zo zoekt Suttree de wilde staat van zijn, waarin de personages van McCarthy’s vorige boeken eenvoudigweg leven. De figuur Suttree betekent dus een revolutie binnen McCarthy’s werk. Suttree is de eerste die kiest, en dan is het nog een extra zware keuze, omdat hij kiest voor iets wat volstrekt niet voor de hand ligt. Wat hij wil is eigenlijk juist het willoze, het loslaten. Dat drama laat Cormac McCarthy verder voor wat het is, en zo verduistert hij het daarmee weer.
Wat Suttree ook tot een afwijkend boek maakt, is de autobiografische suggestie. Cormac McCarthy, zo valt bijvoorbeeld te lezen in een reportage in Der Spiegel, leefde in de jaren vijftig als zwerver onder een brug in Tennessee, hij kwam zelfs in de ge vangenis terecht, maar hij groeide op in een rijke katholieke familie. (De biografische informatie bij het boek zelf rept overigens enkel over zijn woonplaats Knoxville en het feit dat hij daar werkzaam was aan de universiteit.)
Als de schrijver van Tennessee verhuist naar de woestijnstad El Paso, verandert ook het landschap van zijn boeken dramatisch. Blood Meridian, Or the Evening Redness in the West wordt gedomineerd door de desolate ruimte van Texas, Mexico, New Mexico en Arizona. Er is breed zicht nu. In grote, heldere lijnen wordt een snel verlopend epos neergezet over een westwaarts trekkende bende. Regelmatig explodeert het boek in eng knap uitgetekende bloedbaden, die na de benauwenis van zijn eerdere boeken de uitwerking hebben van een flinke onweersbui aan het eind van een dag met louter vochtige hitte. Het is ook niet voor niets dat de hoofdpersoon in Blood Meridian de veertienjarige Kid is, een uitgemergeld jongetje uit de heuvels van Tennessee. Kid is de heuvels uitgetrokken en wordt een man.
All the Pretty Horses, het eerste deel van wat 'The Border Trilogy’ moet gaan heten, betekent McCarthy’s doorbraak naar het grote publiek. Maand na maand stond het boek in de Amerikaanse bestsellerlijsten, en er verschenen al snel vertalingen in het Duits, Frans en Nederlands. Misschien is al dat succes wel te danken aan het feit dat McCarthy de dualiteit als vertelprocede is gaan gebruiken. Die dualiteit wordt frontaal ingezet met de openingszin waarin sprake is van een dubbele spiegeling: een kaarsvlam en het beeld van die kaarsvlam in een spiegel flakkeren op als er een deur wordt geopend, en dit gebeurt nogmaals wanneer die deur wordt gesloten.
Dat spiegelspel vindt het hele boek door plaats. All the Pretty Horses is niet enkel het verhaal van rondtrekkende mannen op paarden in de Texaans-Mexicaanse grensstreek. In diepere zin - maar toch niet echt diep in het verhaal verborgen - gaat het over man contra vrouw, wilde paarden contra getemde, natuur contra cultuur, en over moed vanuit aangedaan onrecht tegenover overlevingsdrang, het Amerikaanse tegenover het Mexicaanse, en zelfs ook over goed tegenover kwaad, leven tegenover dood. De personages in All the Pretty Horses zien zich genoodzaakt scherpe keuzen te maken die hun levens richting geven. Dat gebeurt bewuster dan in McCarthy’s eerdere boeken en het resultaat is een begrijpelijk, toegankelijk boek.
Het gaat zelfs zo ver dat een wat oudere, intellectuele Mexicaanse vrouw van adellijke afkomst aan het einde van All the Pretty Horses haar analytisch verantwoorde levensverhaal vertelt, met alle cultuurpolitieke en sociologische implicaties van dien. In het werk van Cormac McCarthy is zo'n verregaand staaltje van zelfkennis ronduit een Fremdkorper.
Dat McCarthy zijn personages de grens met Mexico laat oversteken, is natuurlijk ook niet voor niets. Na een lange dwaaltocht door het donker heeft Cormac McCarthy het licht gevonden. Hij raakt in All the Pretty Horses zelfs aan de edelkitsch, met name als de romantische liefde tussen man en vrouw aan de orde komt, en dan nog wel de moreel precaire tussen een arme Texaan en een Mexicaanse van rijke afkomst. Een liefde die niet kan, als in een Hollywoodsprookje. Wat rest is een stilistisch vermogen om jaloers op te blijven.