Mensen wachten met vragen en verzoekschriften voor het hoofdgebouw van de Joodse Raad aan de Nieuwe Keizersgracht in Amsterdam, rond 1942 © Jaap Klaas / Stadsarchief Amsterdam

In februari 1941 pakt de Duitse bezetter zo’n vierhonderd joodse mannen op en brengt die naar een interneringskamp in Schoorl. Van daar worden ze naar Buchenwald getransporteerd. Op 23 maart komt in Amsterdam het bericht binnen dat Machiel Wertheim, 33 jaar oud, vader van drie kinderen, is overleden. Vijf dagen later volgt het overlijdensbericht van David Blits, 29 jaar, op 5 april Abram Agsteribbe, 33, en de 32-jarige Henoch Leviet, daags daarop Levie Hofman, 27, en vier dagen later de twintigjarige Benjamin Bierman. Drie maanden na het transport is één op de acht gestorven.

De doodsoorzaken zijn verwarrend en de data kloppen vaak niet. Gezonde jonge mannen blijken bezweken aan een hartstilstand of tuberculose, de sterfdatum van een enkeling is vroeger dan zijn laatste levensbericht. De overlevenden worden overgebracht naar Mauthausen, net als de mannen die bij andere razzia’s zijn opgepakt. Het sterven gaat door. In september 1941 is één op de drie niet meer in leven. Aan het einde van 1941 heeft niemand nog illusies over het lot van joden die in kampen als Mauthausen belanden.

Voor de Joodse Raad, een op bevel van de Duitsers ingesteld orgaan dat als bestuursorgaan tussen Duitse instanties en de joodse gemeenschap moet functioneren, is 1941 een lawine van gebeurtenissen. De raad is sinds februari van dat jaar in functie, geleid door diamantair en politicus Abraham Asscher en classicus David Cohen. Zij zijn hun taak begonnen in de hoop dat ze voor joden nadelige besluiten kunnen verzachten, vertragen en misschien zelfs verhinderen. Er zijn regelmatig bijeenkomsten met Duitse instanties. In de loop van dat eerste jaar blijken die weinig zekerheden te bieden. Het contact is afwisselend dreigend en geruststellend en de Joodse Raad is al gauw vooral bezig van het ene incident naar het andere te hollen.

Historicus Bart van der Boom beschrijft de lotgevallen van de Joodse Raad in De politiek van het kleinste kwaad. Die titel omvat de bijna wanhopige pogingen van de raad om in de malicieuze chaos van de jodenvervolging te redden wat er te redden valt. Die pogingen bestaan enerzijds uit hulp aan de joodse gemeenschap (van armen- en ziekenzorg tot het transport van gevulde rugzakken naar Westerbork voor wie van daar ‘op reis’ moest), het vrij kletsen van mensen die op transportlijsten kwamen en de verzorging van de communicatie tussen de Duitse overheid en de joodse gemeenschap. Dat laatste bestond uit het doorgeven van een eindeloze reeks maatregelen van de bezetter en het voortdurend benadrukken van het opvolgen van de regels.

Vooral dat laatste kenmerkt het beleid van de raad: de vaste overtuiging bestond dat erger kon worden voorkomen door gehoorzaamheid. Dat idee kwam niet uit de lucht vallen. De bezetter dreigde voortdurend met willekeurige strafmaatregelen als zijn aanwijzingen en maatregelen niet werden opgevolgd. Met de ramp van Buchenwald en Mauthausen nog een verse herinnering was een werktuig te zijn in de handen van de Duitsers een klein kwaad dat een veel groter kwaad – geen invloed op het beleid en geen centraal georganiseerde zorg voor de joodse gemeenschap – mogelijk kon voorkomen.

Het liep allemaal verkeerd af. Uiteindelijk had de Joodse Raad de functie vervuld die de bezetter voor ogen stond, en werd opgeheven. Leden en werknemers, tot dan redelijk gevrijwaard van vervolging, werden naar de kampen in het oosten getransporteerd. Toen de Tweede Wereldoorlog voorbij was, bleek dat 102.000 joden uit Nederland waren omgebracht. Het werk van de Joodse Raad had dat niet voorkomen.

Het duurde daarna niet lang voordat de kritiek aanzwol. Beide voorzitters, Asscher en Cohen, werden in 1947 gearresteerd op de verdenking dat de Joodse Raad had bijgedragen aan de vervolging. Tot een proces kwam het niet en dat had veel te maken de rol van Nederlandse instanties tijdens de oorlog. In 1952 adviseerde procureur-generaal mr. Arnold A.L.F. van Dullemen de minister van Justitie af te zien van rechtsvervolging. Volgens hem stond de goede trouw van de voorzitters buiten kijf en was het mogelijk dat hun vervolging sluimerend antisemitisme zou aanwakkeren. ‘Voor ons volk beschamende’ feiten konden mogelijk worden opgerakeld, zoals de rol van de Hoge Raad, de politie en de hogere ambtenaren, die ‘een treurig-slappe houding’ hadden aangenomen. ‘Dit alles wederom openlijk ten toon te spreiden acht ik weinig gelukkig’, schreef Van Dullemen.

‘Misschien moeten we de bezetting niet langer behandelen als een morele vertelling waarin bijna iedereen tekortschiet, maar gewoon als geschiedenis’

De handelswijze van de Joodse Raad was een kwestie geworden waar iedereen iets van vond en maar waar weinig mensen iets van wisten. Zowel in joodse als niet-joodse kring was de raad slecht of goed, maar nooit iets daartussenin. Bij joden was er een overheersend gevoel van schaamte (’onze eigen mensen…’), bij niet-joden was er enerzijds de opluchting dat de joden zelf ook niet zuiver op de graat waren en anderzijds leedvermaak. Er was geen ruimte voor nuance. Tot Bart van der Boom zijn boek schreef.

De uitgangspunten van Van der Boom zijn bekend uit eerder werk en die zijn ook in De politiek van het kleinste kwaad leidend. Veel van wat we vinden over de periode 1933-1945 wordt bepaald door de uitkomst: de puinhopen van een verwoest Europa en de massamoord op het Europese jodendom. Je kunt Van der Booms onderzoeksbenadering, en die van een aantal vakgenoten, beschrijven als het volgen van de chronologie terwijl je probeert blind te zijn voor het resultaat daarvan. Daardoor ontstaat een beter begrip van het ‘niet-weten’ en voor ‘the fog of war’. Het verwijt dat Van der Boom vaak treft, is dat hij zo een soort nivellering creëert, een grijs universum waar goed en slecht niets meer betekenen. Zelf schreef hij daar eerder dit jaar, naar aanleiding van de verrader-van-Anne-Frank-kwestie, dit over: ‘Misschien moeten we na de zelffelicitatie van de eerste decennia na de oorlog, en de zelfkastijding die daarop volgde, de volgende stap zetten. Misschien moeten we de bezetting niet langer behandelen als een morele vertelling waarin bijna iedereen tekortschiet, maar gewoon als geschiedenis, die we met feitenkennis, empathie en nieuwsgierigheid proberen te begrijpen.’

Daar kun je weinig tegenin brengen, en wie De politiek van het kleinste kwaad leest kan niet anders dan constateren dat het Van der Boom niet aan feitenkennis, empathie en nieuwsgierigheid ontbreekt. Voor het eerst sinds 1945 wordt de Joodse Raad niet met het morele kompas van na de oorlog bekeken. Van der Boom maakt het aannemelijk dat de raad verdwaalde in een moeras van goede bedoelingen en zelfoverschatting, ondertussen bedreigd, voorgelogen en gemanipuleerd door een bezetter die zijn intenties goed wist te verbergen. Het handelen van de Joodse Raad werd verder sterk bepaald door een vorm van georganiseerde zelfzorg die de Europese joden in de afgelopen eeuwen had helpen overleven onder antisemitische vorsten, opgejaagd en vermoord tijdens pogroms en gekortwiekt door beroepsverboden en speciale jodenbelastingen. Het was een traditie en een plicht (tsedaka) om voor het eigen volk te zorgen, omdat niemand anders dat deed (integendeel), en uit die traditie kwam ook de figuur van de ‘Hofjude’ voort. Hij was degene die op het dunne koord van de luimen van wereldse en kerkelijke vorsten danste om de joodse zaak te bepleiten. Daarbij ging het meestal niet om het verbeteren van de omstandigheden, maar om verdere verslechtering zo niet te voorkomen dan op z’n minst te verzachten.

Asscher, Cohen en hun medebestuurders raakten gevangen in een web van traditionele plichten en een kwaadaardigheid die ze verwachtten noch begrepen. Het aantal keren waarop de raad bijeenkwam omdat er weer een grens was overschreden en nieuw bedrog door de Duitse leiding duidelijk werd, is niet op de vingers van één hand te tellen. De discussies waren altijd ‘ernstig’, maar leidden nooit tot opheffing. Steeds weer was de cruciale vraag wie dan voor de mensen zou zorgen en steeds weer was het antwoord dat de last van het kleine kwaad gedragen moest worden om een mogelijk groter kwaad te voorkomen.

De enige die na de oorlog begrip toonde voor de handelswijze van de Joodse Raad was Abel Herzberg, die niets wilde weten van a posteriori geklets over eer en principes.

Praten over eer en principes was hem ‘te simpel’, schreef Herzberg: ‘Aan je schrijftafel kan je dat doen, achteraf, als je met alle negatieve gegevens voor je, je traditionele waarde-oordelen toe gaat passen op wat eens bloediger ernst is geweest, en daarna de balans op gaat maken over een tijd, waarin iedere mogelijkheid om zulke oordelen tegen elkaar af te wegen, de mensen volkomen uit handen was geslagen.’ Het dilemma van de Joodse Raad was, aldus Herzberg: ‘Onheilig tegenover onheilig. Het onheilige kiezen om het nog onheiliger te vermijden.’

Dat is precies het moeras waarin de Joodse Raad verzeild raakte. Van der Boom heeft dat met evenveel aandacht als empathie beschreven. Zijn boek markeert het einde van een door emoties en prinzipienreiterei geleide discussie en het begin van een poging dit soort kwesties te onderzoeken vanuit de mêlee van de gebeurtenissen, zonder een a priori moreel oordeel. Daar is niets grijs of nivellerends aan.

Overigens moet ik Van der Boom op één punt corrigeren: Heintje Davids is geen ‘oer-Amsterdammer’, zoals hij schrijft. Zij, en haar broer Louis, zijn in de Rotterdamse jodenbuurt geboren.