De toekomst van de islam

Moet ik de handdoek in de ring gooien?

Elke slechte trainer gaat bij het vormen van een voetbalploeg eerst op zoek naar een spelmaker. Een nummer 10, een Maradona. Maar ook al is mijn team in de loop van de tijd verworden tot degradatiekandidaat en krijg ik van mijn baas jaar in, jaar uit uitbranders omdat het volgens hem alleen maar mijn schuld is dat zijn droom aan diggelen is geslagen, blijf ik elke nacht voor het slapen gaan tegen mezelf zeggen dat ik geen een slechte trainer ben. En omdat ik geen slechte trainer ben besloot ik als eerste wie mijn keeper moest worden. Na een eeuw nadenken wist ik het: ik koos voor het Arabische schiereiland. Want, misschien weten jullie het niet, maar de lui met de minste bezittingen vechten het hardst om het weinige dat ze hebben te behouden. Op het Arabische schiereiland is er bijna niets, behalve zand, bomen waar dadels aan groeien en van dat plakkerige spul onder de grond. Sinds mijn keeper tussen de palen is gaan staan in de jaren 600 versaagt hij geen moment. Hij is nog steeds net zo fit en geconcentreerd als in de eerste dagen van zijn carrière. Toch is de bittere werkelijkheid dat we waarschijnlijk gaan degraderen. Want na 1400 jaar voetballen staan we met 340.000-132 achter.
Laatst wilde mijn baas voor de miljoenste keer praten. Hij wilde weer eens weten waarom zijn club een vrije val maakt in de competitie. Hij snakte naar een paar hoopvolle woorden uit mijn mond. Toen zei ik hem dat onze tegenstander de laatste tijd steeds meer eigen doelpunten maakt. Er verscheen een glimlach om zijn lippen. De baas heeft me dus weer niet ontslagen.
Over mijn ploeg heb ik honderd jaar nagedacht. Welke trainer denkt bij het begin van het seizoen niet dat de ploeg onder zijn handen de allerbeste is? De sleutel voor succes is het positieve denken, dat wisten we toen ook wel, heus. Ik geef toe, toen ik mijn elftal op het veld zag, verkeerde ik in de wolken van optimisme. Een ploeg die de tegenstander - een tegenstander die geen zeden en moraal kende en onbedekte vrouwen in de straten toeliet en van dat smerige varkensvlees in de magen duldde - zou vermorzelen.
Om deze hatelijke tegenstander onder de duim te krijgen begeerde ik twee onvermurwbare backs die werken als een tierelier, twee verdedigers die blijven doen waar ze het best in zijn: tegenhouden wat tegen te houden is. Mijn rechtsback werd Afghanistan en mijn linksback Soedan.
Een laatste man dient een buitenbeentje te zijn. Een verdediger die kan voetballen, tegen de verwachting in van iedereen de aanval zoekt en zo nu en dan zijn doelpuntje meepikt. Mijn Beckenbauer werden de sjiieten van Perzië. En heeft mijn libero niet voortreffelijk gevoetbald, de verdediging geleid en niet alleen de tegenstander dwarsgezeten, maar ook zijn medespelers door het geloof naar zijn eigen hand gezet? Heeft de krabbelaar van de verzen van de satan geen onrustig leven moeten leiden door de onverwachte schijnbeweging van mijn libero? Ja, ik ben een goede trainer. En omdat ik een goede trainer ben, heb ik het volk tussen de rivieren Tigris en Eufraat het shirt met het nummer 10 gegeven. Toen ik dat deed, hield ik een peptalk en zei dat zijn voorouders het schrift hadden uitgevonden, kunstwerken maakten van alle metalen. Dat, terwijl de varkenseters in grotten leefden, zijn voorouders de mooiste muziek maakten. Mijn spelverdeler, mijn creatieveling, mijn mooie jongen van de beste passes, mijn oogappel met het beste bloed… Wat was hij mooi toen hij de bal driehonderdduizend keer hoog hield en daarbij nooit moe werd. Nu weet ik dat hij het eeuwige talent was. Hij heeft nooit een goal kunnen produceren en bleek breekbaarder dan de door de vijand beschoten ramen van het paleis van zijn dictator.
Minder was mijn geloof in mijn spits. Bij gebrek aan beter koos ik voor de robuuste Turk. Enigszins traag was hij wel voor een spits. Lang niet zo frivool en mooi als de door mij op de flanken gestationeerde Marokkanen en Algerijnen. Mijn spits counterde een keer op pure wilskracht tot aan de muren van Wenen. Daarna werden we weer in de verdediging gespeeld en kwamen we nooit meer toe aan combinatiespel.
Tegen mijn baas durfde ik het niet te zeggen, maar het ergste is niet dat onze ploeg gaat degraderen, maar dat onze spelers zelfs de taal van de tegenstander spreken. Ook onder elkaar. Die hatelijke tegenstander overlaadt ons met zoveel listen dat mijn jongens elkaar niet meer kunnen begrijpen als ze zijn taal niet zijn bezigen. Mijn jongens zeggen auto, televisie, vliegtuig, telefoon, drukkerij, lamp, Facebook, computer, YouTube, mixer, parachute en duizend andere woorden van de tegenstander. Een miljoen nieuwigheden die mijn jongens nog meer in de verdediging drukken en hen op de varkenseters doen lijken. De vrouwen van mijn jongens gaan nu ook onbedekt door het leven. Mijn jongens vinden het zelfs goed dat hun vrouwen hun benen tonen aan vreemde mannen op straat.
Is de strijd dan helemaal gestreden? denk ik niet zelden. Moet ik de handdoek in de ring gooien? vraag ik me vaak af. Altijd als ik op het punt sta om met de witte vlag te zwaaien zie ik mijn keeper en mijn twee backs. Dat zijn de momenten waarop ik besluit om op het allerlaatste fluitsignaal te wachten. Want zoals ik tegen mijn baas ook zei: bij de tegenstander zijn er gasten die denken een tikje terug te geven op hun keeper en de bal steevast in de kruising van hun eigen doel schieten. Een van hen heeft geblondeerd haar, waarvan zelfs de zon schrikt en sneller dan normaal achter de duinen wegduikt.

Erdal Balci (1969) is journalist en columnist. Hij schreef De kinderen van Atilla: Een geschiedenis van het hedendaagse Turkije (Meulenhoff, 2007) en Vandaag geen pont: Impressies van Istanbul (Meulenhoff, 2009)