Het voorbeeld van de Caraïben

‘Moet je die koelies zien’

Het Caraïbisch gebied geldt als een voorbeeld van probleemloze raciale gemengdheid. Er is een ramp gebeurd, de slavernij, maar daaruit is onbedoeld een nieuw gemengd volk ontstaan. Toch heb je ook daar ‘de ander’.

Medium hh 4834696
Paramaribo, Suriname © Merlin Daleman / HH

Je gaat je al snel ergens thuis voelen als de mensen het op die vreemde plek vanzelfsprekend vinden dat je er bent. Het is lastig niet een beetje sentimenteel te worden wanneer mensen jou herkennen als iemand die ze vagelijk al eerder hebben ontmoet, want je lijkt een beetje op hun oom of achterneef. En het wordt helemaal jofel wanneer ze je maar meteen in het Sranan of Papiaments beginnen aan te spreken. Even bereikt het feest der herkenning zijn absolute en zwijgende hoogtepunt, om daarna met een ongemakkelijke stilte en een anticlimax te eindigen. Want mijn Sranan is naadje en mijn Papiaments non-existent. Ik blijf opzichtig in gebreke in Suriname, op Curaçao of Aruba, en die verwantschap, die je net nog begeleidde als een stille metgezel, blijkt een spookgestalte te zijn. Want zodra ik mijn mond open doe en Nederlands spreek, in die voormalige Nederlandse, overzeese gebieden, is de magie verbroken.

Lang geleden, zo’n 25 jaar, zette ik voor het eerst voet op Surinaamse bodem. Ik bestelde in Hotel Krasnapolsky een biertje – ‘Mag ik een biertje van u’ – en ontmoette verbaasde, daarna lacherige en ten slotte wild verkrampte gezichten. Iemand was zo vriendelijk me even na te bauwen: ‘Mag-ik-een-bier-tje-van-u.’ De stroom toeristen was in die moeizame jaren tachtig in Suriname opgedroogd tot een tamelijk dun stroompje, de meeste bezoekers hadden Surinaamse roots en kenden de mores. Ik viel met mijn tong echt uit de toon, ondanks mijn toen nog aanwezige dreadlocks. Om een idee te geven: je kon in die tijd geen plattegrond van Paramaribo kopen bij boekhandel Varekamp, omdat het crisis was en iedereen die in Suriname kwam zijn weg al kende. Ik hoefde toen Kras maar binnen te lopen of het gegiechel achter de bar steeg op.

Dit is geen verlate klacht, maar een constatering. Wat mij toen, als begin-dertiger, opviel was iets anders. Jarenlang heb ik in een land gewoond, of liever gezegd een streek, waar ik de plaatselijke taal wel min of meer verstond. In Twente spraken in mijn jeugd veel mensen Twents. Ik bedoel niet het accent, ik bedoel echt de streektaal – denk aan Herman Finkers. Mijn vader sprak het als-ie zijn broer ontmoette die in Amsterdam woonde. Ik hoorde het de kinderen op het schoolplein spreken. Ik begreep bijna alles wat ze zeiden en bedoelden. Maar nooit heeft mijn vader Twents tegen mij gesproken; de kinderen van school praatten Hoog Hollands tegen mij, zoals ze het noemden. Er werden voorzorgsmaatregelen genomen, om vooral toch niet mijn gebrek aan het licht te brengen. Want ik sprak geen Twents – mijn ooo’s en aaa’s hadden de verkeerde klank, mijn r was te rollend. Ik werd nog even op Twentse les gezet om beter te integreren, maar dat was geen succes. Bovendien: iedereen meende toen van buitenaf al te kunnen zien dat ik diep van binnen niet Twents kon zijn. Kroeshaar was toen per definitie niet Twents.

Dit was mijn constatering: in mijn jeugdland Twente, waar ik niet geboren maar wel getogen ben, werd ik gezien als een buitenstaander, totdat ik vertrok naar Amsterdam. Ik werd ook zo toegesproken: als mensen niet hun intieme omgangstaal met je delen, en jij daar trouwens ook geen moeite voor doet, val je er buiten. Twente was mij zeer bekend, maar ik werd er niet automatisch herkend. In Suriname, op Curaçao en Aruba gebeurde het omgekeerde: ik werd er binnengehaald als een verwant, de mensen herkenden contouren in mij die ik zelf amper zag; ik werd er acuut geadopteerd. Maar daar viel ik door de mand vanwege de praktische, beter gezegd de onpraktische omgang.

Kan een lichaam misplaatst zijn waar het woont, waar het geboren of toch getogen is? Kunnen de kleur van huid, de val van tong en nog zowat van die dingen jou je plek wijzen? Anders gesteld: ben je thuis waar je zelf denkt thuis te zijn, of is het daar waar anderen vinden dat je thuis hoort? Het is een vraag die verder gaat dan etnisch of raciaal verschil. Het is een universele vraag – geef ze de kost die een leven lang vasthouden aan de rotsvaste overtuiging elders geboren te moeten zijn – nee, niet altijd in het verkeerde lichaam, maar wel in het verkeerde gezin. Vervreemding is niet aan ras of kleur of afkomst gebonden. Wel is het zo dat kleurverschil, het verschil in afkomst en achtergrond die vraag van het ‘thuishoren’ op de spits drijven, dramatiseren, en urgenter maken. Als iemand het idee krijgt dat hij zijn aanwezigheid constant moet ondertitelen – in termen van ‘eigenlijk kom ik van daar, mijn vader/moeder is geboren in land X’ – komt zo iemand eerder op de gedachte dat-ie wel eens misplaatst zou kunnen zijn, of dat-ie verdwaald is in het verkeerde toneelstuk, de verkeerde omgeving.

***

Ik denk nu niet toevallig ook aan Cola Debrot (1902-1981), de man die bekend staat als de grondlegger van de Antilliaans-Nederlandse literatuur: geboren op Bonaire; zoon van een planter, blank heette dat toen; moeder Venezolaans, hij ook in het bezit van dat Venezolaans paspoort; als jongen opgegroeid in Caracas en op Curaçao. Hij was taalkundig voorbeeldig thuis: tot aan de lagere school sprak hij Spaans en Papiaments, pas op de lagere school leerde hij Nederlands, de taal waarin hij zijn boeken schreef. Een man van de wereld: in Nederland gewoond en gestudeerd, Parijs, Curaçao; hij was schrijver, dichter, diplomaat en ten slotte gouverneur van de Nederlandse Antillen (1962-1970). Hij was ook nog eens filosoof en jurist. En, ik vind het altijd zo’n verrassing om dit te melden: balletcriticus. Gestorven in Laren, Nederland. Kosmopolitisch. Krankzinnig veelzijdig. En ook bij de wat minder gretige lezer bekend vanwege zijn novelle Mijn zuster de negerin, vooral ook dankzij de geringe omvang van het werk. Een titel trouwens die ons nu als een graat in de keel steekt. (Negerin? Zuster? De schrijver was toch zelf ‘wit’, wat een oneigenlijke toe-eigening.) Bij publicatie in 1935 was het Nederlandse publiek ook al geshockeerd, toen weer vanwege Debrots geproclameerde ‘zwarte verwantschap’.

Het lijkt me onvermijdelijk dat Debrot, gezien zijn kleur en gegoede komaf, op Curaçao heeft geprofiteerd van wat we nu white privilege noemen. Hij was een man van de eilanden, maar toch ook een man die voortkwam uit een koloniale constellatie. Debrot was met zijn uiterlijk en kleur een minderheid in zijn jeugd, maar behoorde wel tot een vanzelfsprekende elite, een minderheid van machthebbers. En toch, of misschien juist daarom treft het ons nog steeds dat de hoofdpersoon van Mijn zuster de negerin, ene Frits Ruprecht, vanuit Nederland per se terug moet naar zijn geboorte-eiland; dat hij een ‘zwarte vrouw’ moet zoeken, als was het een gebod dat Mozes zelf nog in steen had gebeiteld, want Ruprecht wil ‘de aanhankelijkheid en zwartheid van zijn jeugd hervinden’.

Ook die laatste zin kunnen we niet meer zonder bijgedachten lezen. We kennen het uit de Nederlands-Indische literatuur, het heimwee naar de geborgenheid bij de baboe, veilig en warm maar wel altijd de bediende. We kennen het van de auteurs uit de zuidelijke staten van Amerika, de warmte van de huishoudster, die toevallig altijd zwart was, en nog meer uit de Afrikaans-Amerikaanse literatuur waarin terecht de onromantische kant van die taakverdeling en raciale vanzelfsprekendheid wordt belicht. In het essayistische boekje The Origin of Others heeft Toni Morrison een hoofdstuk de titel ‘Romancing Slavery’ meegegeven. ‘Romancing Colonialism’ zou een nog veel langer en uitputtender hoofdstuk hebben opgeleverd.

Ondanks al die ter zake doende mitsen en maren twijfel ik niet aan de verknochtheid van Debrot aan het Caraïbisch gebied, dat hij moet hebben beschouwd als zijn werkelijke thuis. Ik durf te wedden dat hij in Nederland als gymnasiast en student ontheemd is geweest en dat hij zich, hoewel omringd door blanke kleurgenoten, een uitzondering moet hebben gevoeld, een man die schijnbaar op zijn plaats lijkt te zijn, maar dat in diepste wezen niet is, omdat er altijd iets miste: een onbetwistbare ordening, een veelkleurigheid die in Europa niet te vinden was. Ook dat sentiment zou ik niet willen bagatelliseren.

***

Anil Ramdas, de Nederlandse schrijver, geboren in Suriname, van Indiaas-hindoestaanse komaf, die bovendien mijn vriend was, was de eerste die me uitgebreid over het Caraïbisch gebied vertelde, telkens maar weer. Bijna alles wat ik weet, en vooral de gevoeligheid voor het Caraïbische, heb ik in eerste instantie aan Anil te danken. Hij was ook degene die me meenam naar Curaçao, waar hij zelf gewoond had om onderzoek te doen voor zijn eerste boek De _strijd__ van de dansers_. Daar zat een masterplan achter, want ik vroeg: waarom niet naar Suriname? Naar jouw geboorteland? Maar Suriname was te veel voor zo’n eerste keer, zei hij, Suriname zou te heftig voor me zijn (en vooral voor hem, dacht ik toen al, omdat hij er zo lang niet was teruggeweest. Pijnlijk feit: landen uit je jeugd blijken aanzienlijk te zijn gekrompen toen je even niet oplette).

Curaçao, dat was een goed tussenstation, dat kon ik als Nederlander wel aan. Hier moet ik iets persoonlijks aanvullen. Tot net even na mijn dertigste dacht ik te weten dat ik gedeeltelijk Caraïbisch was. Mijn bio-vader, zo stond op het adoptieformulier, was ‘donker’ en kwam volgens de gegevens uit Jamaica. Ook daarom dronk ik Anils kennis zo gretig in, wat hij vertelde ging over mijn eigen verborgen verleden; we gingen op reis als Caraïbische broers, ‘we went back to our homelands’. Ik heb daar rondgekeken alsof ik op mijn alternatieve geboortegrond stond, die ook de mijne had kunnen zijn als ik niet zoveel mijn adoptienaam was geweest: Stephan Sanders.

Hij moet per se terug naar zijn geboorte-eiland, en een ‘zwarte vrouw’ zoeken, als was het een gebod dat Mozes zelf nog in steen had gebeiteld

Wat een vreemd misverstand bleek dat te zijn, want een paar jaar na die reis ontving ik een kaart van mijn bio-moeder die in Nieuw-Zeeland woont, en die me na lang aandringen schreef: ‘Nu about je Vader, ik weet echt niet veel. Hij was donker, kort krullend haar, kwam van Zuid Afrika (…). Zijn naam was Michael en dat is alles wat ik weet van je Vader. Hoop dat je hem vindt.’

Dat is gek genoeg niet gelukt met die specifieke aanwijzingen.

***

Cola Debrot moet gezien zijn klasseafkomst vanzelfsprekend zijn afgereisd naar Nederland voor zijn gymnasium; ook hij moet de knoop gevoeld hebben, het verlies, de ambivalentie en zie: hij kwam terug, als arts en diplomaat en zelfs gouverneur. Al dat gereis tussen landen en continenten werd in de jaren zeventig, tachtig en later wel samengevat onder het kopje ‘migratie-ervaring’ – een bedrieglijk neutrale, onthechte term voor al die reizigers en nomaden, omdat het de betrokkenen te veel op één hoop gooit. >

Anil Ramdas verhuisde zoals hij zelf schrijft ‘uit mijn strenge hindoegemeenschap’ en kwam in de jaren zeventig aan in Amsterdam. ‘Ik was diep geschokt. Alle mensen die ik tegenkwam waren zelfstandiger en flinker dan ik, iedereen had een mening, een eigen mensbeeld.’ Dat moet ook schone schijn zijn geweest, de voorstelling dat daar en toen iedereen een eigen mensbeeld had. Nederlanders wisten zichzelf kennelijk ook toen al goed te verkopen. Maar de migrant komt als laatste binnen en heeft het idee dat iedereen altijd al zijn vaste stek heeft en helemaal op z’n gemak is. Quod non.

Die migrantenervaring werd in de jaren zeventig en tachtig ook hip in academische kring, omdat deze landverhuizers ineens het etiket postmodern kregen opgeplakt. Zo werd wat zich in eerste instantie toch aandient als verlies en ontheemding omgetoverd tot een ‘meerduidige, nomadische ervaring’, zo weggerukt uit boeken van Franse filosofen als Lyotard en Kristeva. Ook Anil heeft nog even geflirt met dat sprookje. In een interview van 25 jaar geleden verhaalde hij over migranten als ‘cultuuroverschrijders’ en ‘bastaarden van de wereld’. In zijn essay over antiracisme zegt hij: ‘De nieuwe gekleurde intellectueel weet niet wie hij is of wat hij zal worden. Het maakt hem verward, maar ook kleurrijk. Een beetje principeloos, en heerlijk gek.’

Dat freischwebende optimisme zou trouwens later bij Ramdas plaatsmaken voor een veel minder opgetogen standpunt, op het fatalistische af.

Even terug naar die ‘migrantenervaring’. Het begrip is hopeloos onspecifiek. Een deel van de zogenaamde ‘migranten’ heeft nooit besloten weg te gaan, maar werd weggerukt, weggesleept, verhandeld en verkocht. En weer een ander deel, de contractarbeiders, wist niet of nauwelijks waaraan het begon, ging aan boord, gelokt met valse beloften, onder valse voorwendselen. Maar de dikste, meest onontwarbare knoop in die ‘migratiestromen’ blijft de slavernij, de slavenhandel, de gevangen en verscheepte mensen die als koopwaar naar de Nieuwe Wereld werden verzonden.

Medium hh 40684669
Willemstad, Curaçao © Hemis creative and Travel Imagery / HH

Het moeilijkst te verteren voor al die ‘nazaten’, zoals het tegenwoordig standaard heet, is dat er ooit een verre voor-voor-voorvader werd gedeporteerd, juist omdat de menselijke wil hem werd ontzegd. ‘Wij zijn hier omdat jullie daar waren.’ Dat is de bitterheid die nog steeds doorklinkt bij bijna iedereen – ook bij mij – die zijn familiegeschiedenis doorregen weet van slavernij. Er is toen iets in beweging gezet, door een anonieme derde, en jij bent in zekere zin de uitkomst van de val van die dominostenen. En het was hoogstwaarschijnlijk geen verwante hand die de duw gaf. Dat is en blijft onverteerbaar. Het gebrek aan erkenning wekt boosheid en voedt de rancune tot op de dag van vandaag. Het hele idee van menselijke autonomie wordt radicaal ondergraven door slaven in de familiegeschiedenis; (verre) verwanten die niet tot de menselijke soort werden gerekend.

Hoe begrijpelijk ook, toch moet de vraag aan de orde komen: moet die bitterheid duren tot het einde der tijden? Het is onverdraaglijk dat er onder Nederlanders vaak nog zo weinig kennis is over de geschiedenis van de slavernij en het Hollandse aandeel daarin. Maar ik vraag mezelf ook af: moet daarom slavernij het laatste woord hebben? Is dat niet te veel eer?

***

In het Caraïbisch gebied heb ik voor het eerst kennisgemaakt met het begrip creool. Ook dat is geen brandschone term, en allerminst eenduidig: in Suriname en op wat vroeger de Nederlandse Antillen heette stond het voor raciale gemengdheid, met een zwarte achtergrond die moeilijk los te denken is van de slavernijpraktijk en het koloniale onderscheid tussen blank, bruin en zwart. Van de Surinaams-creoolse groep wordt gezegd dat die afstamt van vrijgelaten, vrijgekochte of door de afschaffing van de slavernij (1863) vrijgemaakte Afrikaanse slaven – in tegenstelling tot de marrons, ook van Afrikaanse komaf, die veel eerder de slavenmeesters ontvluchtten. Het is overigens goed om te vertellen dat bij afschaffing van de slavernij in 1863 65 procent van de niet-blanke bevolking in Suriname al vrij was, al eerder vrijgekocht; vrije ambachtslieden zaten daarbij, maar ook beoefenaars van zogenaamde ‘vrije beroepen’ als advocaat of arts, met bijbehorende universitaire diploma’s. Daar bestond ook een creoolse elite, compleet met gekleurde planters die ook slaven hielden. (Lees het boek van Ellen Neslo, Een ongekende elite: De opkomst van een gekleurde elite in koloniaal Suriname, 1800-1863.)

‘De nieuwe gekleurde intellectueel weet niet wie hij is of wat hij zal worden. Het maakt hem verward, maar ook kleurrijk’

Ik hecht eraan dit te vermelden, omdat de beroemde Afro-Amerikaanse schrijver Ralph Ellison van de ontzagwekkende roman Invisible Man (1952) zich in de jaren vijftig al afvroeg over zijn zwarte medeburgers: ‘Can a People (…) live and develop for over three hundred years simply by reacting. Are American Negroes simply the creation of white men, or have they at least helped to create themselves out of what they found around them.’

Ook zijn collega-schrijver en leeftijdgenoot, de door mij bewonderde Albert Murray, die zichzelf per se ‘an American Negro’ wilde noemen, heeft zich altijd verzet tegen de almacht van de White Man – omdat er op die manier voor de zwarte Amerikanen enkel een marionettenspel overbleef, waarbij zij aan de touwtjes hingen van witte meesters. Je hoeft de gruwel van de trans-Atlantische slavernij niet te ontkennen om toch een zelfstandige plaats op te eisen voor de zwarte cultuur, zoals Ellison en Murray dat deden. Door alles te verklaren uit witte overheersing ontneem je Afrikaans-Amerikanen, Afro-Caraïbischen en Afro-Europeanen alle creativiteit en vindingrijkheid die hun leven heeft vormgegeven.

In Suriname en elders is ‘creool’ in gebruik als aanduiding voor gemengdheid, versmelting van verschillende culturen (inheems, Afrikaans, koloniaal blank) waarmee een nieuw type mens, van licht- tot donkerbruin en zwart, in het leven werd geroepen dat als essentie kent dat het niet tot een enkele essentie kan worden teruggebracht. Mij heeft dat Surinaams-creoolse idee altijd aangesproken: er is een ramp gebeurd (de trans-Atlantische slavernij) maar daaruit is onbedoeld een nieuw gemengd volk ontstaan, een nieuw begin gemaakt.

Als tamelijk beschermd opgevoede Nederlander heb ik me in Suriname en elders verbaasd over die onontwarbare vermenging: over de hoeveelheid ‘buitenkinderen’ en het relatieve gemak waarmee die geaccepteerd worden, over hoe zwart met bruin en zwart met blank mengde – dat laatste vaak verre van vrijwillig. Maar ook: hoe hindoe met Javaan mengde, en inheems met creool en marron, en creool eigenlijk met alles en iedereen, inclusief Chinees, Libanees en Buru, en hoe alles weer op smaak is gebracht met een stevige dosis joods. Maar ook: hoe slavenhouders en slaven in een familielijn door elkaar lopen.

Er is die bekende zin van Martin Luther King: ‘I have a dream that one day the sons of former slaves and the sons of former slaveowners will be able to sit down together.’ Dat gebeurt al lang, vaak in dezelfde familie, soms in één en dezelfde persoon. Want bijna niemand in het Caraïbische gebied kan met de hand op het hart verklaren dat hij absoluut ‘raciaal zuiver’ is. Zoals, om het eigentijds te zeggen, ‘zwart’ niet eenduidig te scheiden is van wit of bruin, zoals een gele eidooier altijd wel iets van het eiwit meeneemt. En dan heb ik het alleen nog maar over kleur en kleurverschil; cultureel is het gebied helemaal een ratjetoe.

Het Caraïbisch gebied leent zich bij uitstek niet voor ‘essentialisme’. Het is per definitie multiraciaal, wat in het geheel niet wil zeggen dat het een multicultureel ideaal verbeeldt. Het raciale en etnische verschil wordt er onbeschroomd benoemd, vaak ruwer en naakter dan ik in Nederland gewend was – ik gebruik de verleden tijd. Ik zal niet snel vergeten dat ik in Paramaribo ooit aan tafel zat met een nette Surinaamse, Javaans-Chinees gemengde vrouw, die zichzelf toch ook weer rekende tot en identificeerde met de creolen. In het restaurant kwamen een paar mensen binnen, hindoestanen, en zij fluisterde niet eens zo zachtjes: ‘Moet je die koelies zien.’ Daarna volgde ook weer gewoon een hartelijke begroeting. Ik kan dit soort voorbeelden in tal van andere etnische en raciale samenstellingen herhalen – zal het niet doen.

Misschien is het zo dat men in het Caraïbisch gebied geen ideaal verbeeldt – welk land doet dat wel, ook Nederland niet, in landen moet je wonen en leven en dat is al lastig genoeg –, maar de Caraïben hebben noodgedwongen een omgangsregeling moeten vinden, al die verschillende bevolkingsgroepen met elkaar. Dat gaat van pragmatisch tot het idee van ‘voldongen feit’ – ik haal nu Johan Fretz aan, schrijver van Nederlands- Surinaamse komaf van de roman Onder de paramariboom, die bij zijn eerste bezoek aan Paramaribo struikelde over het bekende cliché van de moskee die pal naast de synagoge staat. Als hij vraagt aan de beheerders hoe dat zo vredig kan, zegt een van hen: ‘Een goed parkeerbeleid.’ Als de moslims komen bidden, kunnen ze hun auto’s kwijt op het joodse erf, en andersom. Het is die bijna onverschillige inschikkelijkheid die (een deel) van het Caraïbisch gebied voor mij belichaamt. Het komen tot een praktisch vergelijk. Een manier om met elkaar te leven zonder per se van elkaar te houden. Een manier om nooit te kunnen zeggen: ga naar je eigen land, ga naar je eigen huis – al gebeurt het daar vast ook.

Maar niemand in Suriname, op Bonaire, Curaçao of Aruba kan het aan iemands huidskleur zien – de verscheidenheid van mensen is er te groot om er de Echte Caraïb uit te kunnen pikken. Anders dan Frankrijk met zijn Marianne kent het gebied geen Geheide Gestalte, geen ideaaltype dat staat voor het nationale geheel. Van huis uit kan iedereen er thuishoren. Het is bescheiden, het is geïmproviseerd, en wie er een geharnaste, vol- en kogelronde identiteit op na wil houden komt er constant in botsing.

***

Nog een sentimentele anekdote, weer over taal, herkenning, kleur en thuiskomen. Wat in Suriname wel wordt aangeduid met de creoolse bevolkingsgroep werd en wordt in Zuid-Afrika lang aangeduid als ‘kleurlingen’ of bruinmense, coloureds – ook als ze zeer donker waren. Mensen die niet tot een echte stam behoren, maar in een stedelijke omgeving hopeloos vermengd zijn geraakt.

De eerste keer dat ik in Kaapstad kwam, toen ik nog niet wist van die bio-vader die daar was geboren, herkenden de coloureds mij. Ik zat in een Nederlandse schrijversdelegatie, maar mij moesten ze hebben. ‘Howzit? Jy is my maatjie.’ Nee, legde ik netjes uit, ik kom uit Nederland, een beetje Jamaica – ver weg hoor. Ik zag veel fysieke gelijkenis in de Kaap. Ja, dacht ik, dat krijg je met zo’n internationaal uiterlijk. Ik vond het des te intiemer dat al die coloureds Afrikaans met mij spraken, doorspekt met Engels en anderszins – we deelden alvast iets, nee niet per se een taal, maar toch een tongval.

Later ging ik terug naar Kaapstad, met de informatie over mijn bio-vader in mijn hoofd en een klein beetje Afrikaans in mijn mond, want ik had in Amsterdam een cursus Afrikaans gevolgd en er echt op gestudeerd. Daar zou ik een volleerde Kaapse kleurling op de planken zetten. Ik ontmoette er twee van mijn coloured friends en verordonneerde: ‘No, we’re not going to speak English’, en ik sprak trots mijn vlijtig geoefende Afrikaanse volzin uit. Ongelovige blik, binnensmonds geproest, daarna onbedaarlijk hardop gelach. Ik klonk als Pieter Willem Botha, premier en president in de laatste jaren van de apartheid. Want op de Amsterdamse cursus leer je het algemene, zogenaamde ‘Suiwer Afrikaans’, dat door witte Afrikaanders wordt gesproken, de taal van de voormalige apartheidsideologen. Net zoals de creolen bekommeren de coloureds zich niet of nauwelijks om ‘zuiverheid’ en krijgt alles een gemengde twist.

Wat opvalt bij al dat culturele ongemak, de fnuikende verwachtingen over en weer en de misverstanden is toch de grootste gemene deler: de welwillendheid. Hoe onhandig, onwetend soms, en ontactisch ook, het gros van de etnische, raciale en culturele groepen moeite wil doen een gaatje in de heg te forceren. De meerderheid is nieuwsgierig naar de ander, gewoon domweg nieuwsgierig – en die ander zal uiteindelijk niet essentieel anders blijken te zijn. Ook in Nederland is een morele meerderheid voor contact, voor inlevingsvermogen, bijleren, bijspijkeren en de beargumenteerde uitleg. ‘De zwarte vrouw, mijn zuster?’ ‘De blanke man, mijn broer?’ Dat gaat veel te snel: eerst oefenen, en pas heel veel later kan het Alle Menschen werden Brüder worden ingezet.

Mijn stelling is deze: er is in Nederland – ik beperk me even tot dit land – (nog steeds) een morele meerderheid van welwillenden, ook in het racisme/antiracisme-debat. Die meerderheid is altijd kwetsbaar, beïnvloedbaar, kan verder uitdijen of ook razendsnel krimpen. Oog voor de eigen geschiedenis, voor die van een ander, en vooral oog voor het breekbare geheel – dat zou ons morele kompas moeten bepalen, willen we het kapitaal van de welwillendheid niet vermorsen of zelfs compleet tenietdoen.


Dit is de tekst van de vijfde Cola Debrot-lezing, georganiseerd door de Werkgroep Caraïbische Letteren, die Stephan Sanders op 16 februari uitsprak in Amsterdam