Moet je zien

‘Moet je zien…’ Vanuit het raam van een sociëteit wees een student naar de overkant van de straat. Wat viel er te bekijken? Aan de jongen z’n opwinding te horen moest het minstens een overburig koppel zijn dat bij klaarlichte dag keihard de complete _Kamasutra _lag af te werken. Mijn blik stuiterde langs de ramen van de studentenkamertjes.

‘Daar, aan die gevel…’ Z’n pink veerde even op van z’n pijpje bier. ‘Daar hangen nog de koperen aanhechtingshaken. Voor de spankabels. Van de tramlijn. Die liep hier vroeger doorheen.’ Hij noemde zelfs de officiële technische benaming van dat koperbeslag, die ik vergeten ben. Het klonk als… nee, ik weet ook niet meer hoe het klonk.

En toch zag ik ze sindsdien op allerlei plekken. Honderden keren was ik door die straat gefietst zonder die aanhechtingshaken op te merken, en nu kon ik ze er niet meer níet zien. In tal van gevels, in verschillende steden. Gisteren zag ik ze zelfs vanuit mijn eigen huis. Aan de overkant… verdraaid… reed hier dan vroeger…? Jawel.

‘Moet je zien…’ Een vrouw wees me in Florence op een smal luikje in de gevel van een Renaissancepaleis. ‘Daar kon je vroeger een lege fles in steken, die je dan weer terugkreeg gevuld met wijn, heel discreet.’ Na het Florentijnse rampjaar 1492 (dood van Lorenzo de’ Medici, ontdekking van Amerika) stortten veel adellijke families zich op de wijnbouw, maar omdat ze die wijn niet aan huis mochten verkopen, maakten ze deze luikjes.

Tientallen dagen heb ik door Florence gelopen en nooit heb ik één van die clandestiene luikjes opgemerkt. Als ik nu in Florence kom, kan ik ze nergens níet zien.

‘Moet je zien…’

De wereld is een web van sporen, littekens, iconen en wegwijzers die je pas opmerkt als iemand ze aanwijst of als ze door eigen ervaring relevant worden. Vóór ik een racefiets had, had ik nog nooit een fietsrouteknooppuntbordje gezien. Nu zie ik ze nooit níet.

‘Moet je zien…’ Zoiets doet ook de literatuur, heb ik gemerkt.

Op vrijdag staat in mijn buurt het vuilnis buiten. Als ik er langs loop denk ik altijd aan oom Alexandre uit Michel Tourniers De meteoren, een filosoof-vuilnisman, bijgenaamd ‘de dandy van de belt’, die huisvuilstortplaatsen beschouwt als een soort ‘anti-stad’, waar hij koning van is. (‘Elk gebaar leverde een spoor op, het onweerlegbare bewijs dat er iets had plaatsgevonden – peuken, briefsnippers, groenteafval, maandverband enzovoorts. In feite eigende je je een hele bevolking toe en wel achterlangs, op een omgekeerde, geïnverteerde, duistere manier.’)

Elke vuilniszak zie ik als een bouwsteen van de anti-stad, en achter elke vuilniswagen die passeert zie ik mannen die zich daar in gedachten de koning van wanen.

Welbeschouwd gaat dat nog verder dan die wijnluikjes en tramlijnhaken. Literatuur kan ‘moet je zien’ roepen en daarmee de bezienswaardigheid te voorschijn toveren die er vóór dat bevel niet was.

Zoals er ‘nooit mist boven de Theems heeft gehangen voordat Turner die schilderde’ (zoals een wijs man eens opmerkte), zo heeft er nooit een anti-stad van vuilnis bestaan voordat oom Alexandre die schilderde.

Literatuur is geen registratie van deze of gene realiteit; ze is er de opvoering van.

Romans vertellen nergens óver; binnen het vertellen zelf ontstaan de gebeurtenissen.

Taal is geen raam; ze is verf op een doek. Geen spiegel maar een acteurscast op een set.

‘Moet je zien… Het water is hier echt… azúúrblauw!’ hoorde ik een Nederlandse vrouw eens opgewonden door haar telefoontje rapporteren bij het binnenvaren van Venetië. Zelf schijn ik kleurenblind te zijn, volgens testjes op internet waar ik een drie zie waar gezonde stervelingen een acht waarnemen, maar dat het water groen was (ergens tussen mos-, jade- en dennenboom- in), kon zelfs ik met mijn kleurenblinde ogen nog zien (en het werd bovendien bevestigd door mijn reisgenoot). Het water van Venetië is nog nooit azuurblauw geweest totdat de reisgidsen het zo gingen noemen. Of misschien kwam het doordat ze las dat deze stad zich in een lagune bevindt, en had ze The Blue Lagoon gezien. Je weet niet wat voor gistingsprocessen er precies tussen de werkelijkheid en je waar­neming plaatsvinden.

Niemand heeft ooit azuurblauw water gezien totdat Lonely Planet en Thomas Cook het in die kleur schilderden.

Niemand zou ooit verliefd zijn geworden zonder troubadours, minnedichters en singer-songwriters.

Aan het begin van deze zomer is er ineens een wolf in Nederland opgedoken. Ik dacht meteen aan Vladimir Nabokovs definitie van literatuur: ‘Literature was not born the day a boy ran out screaming “Wolf! Wolf!” with a huge brown creature in hot pursuit. It was born when that boy shouted “Wolf! Wolf!” and there was no wolf at all!’