Moet rusland op de chinese toer?

Het nieuwe Russische parlement, met Zjirinovski als boegbeeld en karikatuur, heeft afgelopen week Jeltsin doen besluiten het tempo der hervormingen aanzienlijk te vertragen. De vraag is of hij er niet beter aan doet zijn westerse economische adviseurs meteen maar definitief de deur te wijzen en door Chinezen te vervangen. China doet het immers op alle fronten veel beter. Behalve dan op dat van de democratie…

Het Russische volk heeft Zjirinovski op de troon gezet, maar de troon zelf is van westers fabrikaat. In het triomfalisme over de overwinning van het kapitalisme op het communisme, over de gebleken superioriteit van de markteconomie boven de planeconomie, hebben wij het Oostblok hervormingen opgedrongen die, gecombineerd met de machtsstrijd in Rusland, alleen maar konden leiden tot maffia, werkloosheid, armoede, verwarring en chaos en wel moesten eindigen in de opkomst van een verwerpelijk type als Zjirinovski. Het is dan ook maar de vraag of het heengaan van Gajdar zo'n ramp is als in het Westen is voorgesteld.
Van de beloofde economische hulp aan Rusland is nauwelijks iets terechtgekomen. Op de conferentie van de G7-landen in Tokio was Rusland 28 miljoen dollar toegezegd. Het Internationaal Monetair Fonds zou daarvan dertien miljard voor zijn rekening nemen. In plaats daarvan heeft het IMF slechts anderhalf miljard beschikbaar gesteld, terwijl ook de hulp die westerse landen zouden verstrekken, ver is achtergebleven bij de toezeggingen. De economische recessie heeft bij deze karigheid een rol gespeeld, maar de belangrijkste oorzaak is dat wij van Rusland economische hervormingen hebben geeist die gezien de structuur van de Russische economie alleen maar fataal konden uitwerken, namelijk: schaf zo snel mogelijk alle prijscontroles af en maak zo spoedig mogelijk een einde aan de subsidiering van noodlijdende staatsbedrijven door ze te sluiten of te privatiseren.
Het Westen heeft daarmee in Rusland een omwenteling veroorzaakt die vergelijkbaar is met Stalins industrialisatiepolitiek in 1929. Toen waren het de afschaffing van alle prive-bezit en de nationalisatie van alle produktiemiddelen die de nieuwe heilstaat moesten brengen. Nu zijn het de even plotselinge afschaffing van het staatseigendom en het herstel van het prive-bezit die Rusland het nieuwe tijdperk moeten binnenvoeren. Toen was ‘het vijfjarenplan’ het toverwoord. Nu heet dat 'privatisering’. Toen was de naamgever Josef Stalin. Nu heet hij Milton Friedman. De een geloofde dat de staat alles kon, de ander dat de markt alles kan regelen.
De shock-therapie die Jeltsin werd ingefluisterd door met name Amerikaanse economen, werkte in Zuidamerikaanse landen en ten dele ook in Polen, landen met heel andere omstandigheden (in Polen was bijvoorbeeld de grond altijd in de handen van boeren gebleven), maar in Rusland werd het een ramp. Begin 1992 schaften Jeltsin en premier Gajdar de prijscontrole af. De gedachte was dat het marktmechanisme 'vanzelf’ aan de tekorten van bepaalde consumptieartikelen een einde zou maken door enerzijds via hogere prijzen de vraag te beperken en anderzijds het aanbod groter te maken doordat de hogere prijzen bedrijven zouden verleiden artikelen te gaan produceren waaraan behoefte was.
Het eerste lukte. De rijen voor de winkels verdwenen omdat de mensen de produkten niet meer konden betalen. Het tweede mislukte omdat er geen structuur was om op de gestegen vraag te reageren. Particuliere bedrijven of bedrijfjes waren er nog nauwelijks, ook niet in de landbouw. En aangezien de managers van de staatsbedrijven er geen financieel belang bij hadden op de vraag te reageren, veranderde er nauwelijks iets. Integendeel, in sommige gevallen slaagde de Russische maffia er zelfs in om in sectoren die door haar werden beheerst, de produktie te verlagen teneinde de prijzen hoog te houden… Het enige resultaat was dat de Russen armer werden.
Het erge was dat de adviseurs van Jeltsin hem ervan overtuigden dat produktieverlaging onvermijdelijk was. Er moesten immers wapenfabrieken worden gesloten, te zamen met andere bedrijven waar ouderwetse, niet meer gevraagde proukten werden gemaakt. Gajdar zag de daling van de produktie zelfs als een teken dat men op de goede weg was. 'Er is geen enkel communistisch land dat op weg is naar markteconomie met een recessie van minder dan twintig procent.’ Het is de echo van wat de Amerikaanse econoom Hewett al op 1 januari 1988 in de New York Times over Rusland had geschreven: 'We hebben een lage groei altijd als een probleem gezien. Maar in de komende jaren kan het juist een teken van succes zijn. Succesvolle hervormingen zullen aanzienlijke pijn met zich meebrengen.’
Daarmee hebben we Rusland op het verkeerde been gezet. Voor triomfalisme was al weinig reden. De markteconomie kent ook onmiskenbare nadelen. Ze leidt, met name in de beginperiode, tot een rijke en een zeer arme klasse, en ze is niet in staat het probleem van de werkloosheid op te lossen. In het oerland van de markteconomie, de Verenigde Staten, is de laatste tien jaar het inkomen van het armere deel van de bevolking - ongeveer veertig procent - gedaald. Ruim elf procent van de bevolking leeft beneden de armoedegrens. Het aantal daklozen neemt nog steeds toe. We maken ons bezorgd als blijkt dat bij de laatste verkiezingen in Rusland slechts vijftig procent naar de stembus is gegaan. In de Verenigde Staten is dit al decennia lang het geval. Dat zou ons op zijn minst tot enige bescheidenheid kunnen stemmen.
Niettemin: de markteconomie is ondanks alle nadelen het beste stelsel dat er bestaat. Er is geen ander stelsel dat werkt. Niet in de Sovjetunie, niet in China, niet in Tanzania, niet in Algerije; ook peronisme en autarkie zijn totale mislukkingen gebleken. Fukuyama mag dan ongelijk hebben met zijn stelling over het einde van de geschiedenis, hij heeft gelijk dat de liberale democratie het enig denkbare stelsel voor de wereld is. Natuurlijk moet dus in Rusland en de rest van Oost-Europa het staatsbezit worden afgebroken. Natuurlijk moeten bedrijven worden overgenomen door onafhankelijke ondernemers. Markteconomie is echter heel wat meer. Het is een stelsel van instituties en instellingen, inclusief de staat, die in samenwerking met vrije ondernemers zorgen dat er zo goed en zo goedkoop mogelijk wordt geproduceerd. Maar het enige wat we Oost-Europa tot nu toe hebben voorgehouden, is: breek het staatsbezit af en de gebraden duiven zullen u in de mond vliegen. Het is de definitie van markteconomie zoals die aan het einde van de vorige eeuw door de Rockefellers en de Carnegies werd verdedigd.
Ik herinner me dat ik zes jaar geleden tijdens een bezoek aan Vietnam in een gesprek met enkele ambtenaren van het ministerie van Economische Zaken aldaar vertelde dat in Nederland bijna zestig procent van het nationale inkomen naar de overheid en verwante instellingen ging. Ze keken me verbijsterd aan. Ik probeerde uit te leggen dat dit mogelijk was door belastingen en premies die wij, particulieren en ondernemingen, betaalden. Ze waren te beleefd om me tegen te spreken maar ik zag aan hun ogen dat ze er niets van geloofden. We hadden toch een stelsel waarbij ondernemers - 'kapitalisten’ in hun terminologie - het economische leven beheersten? De overheid behartigde toch hun belangen, die moest zich toch tevreden stellen met de kruimels die van tafel vielen?
Het is precies die karikatuur van de markteconomie die we de Russen de afgelopen jaren hebben voorgehouden. Dat er van die markteconomie - gelukkig - geen sprake meer is, hebben wij vergeten erbij te vertellen. Evenzeer dat er helemaal niet een stelsel van markteconomie bestaat, maar dat er grote verschillen bestaan: in de wijze waarop staat en overheid een rol spelen, in de vorm waarin ondernemingen en financiele instellingen zijn georganiseerd, in de invloed van werkgevers- en werknemersorganisaties, in de rol die een sociaal verzekeringssysteem in de economie speelt. Er zijn grote verschillen tussen de Verenigde Staten en Zweden, tussen Japan en Frankrijk, tussen West-Europa en de Zuidoostaziatische landen.
Het is dan ook zeer waarschijnlijk dat bij alle noodzakelijke hervormingen in Rusland de staatssector nog vele jaren het grootste aantal produkten zal moeten leveren, al is het maar omdat de staat de enige instantie is die voldoende kapitaal kan opbrengen. Wie zou het anders moeten doen? De particulieren? Als die tien procent van het benodigde kapitaal kunnen uitsparen, is dat meegenomen. Buitenlandse investeerders en buitenlandse hulporganisaties? Als we die ook nog eens op tien procent, pakweg vijftien procent schatten, dan hebben we het wel gehad. Wie moet de rest van het gat vullen?
Het getuigt bovendien van enige arrogantie om op hoge toon van de Russische leiders te eisen dat zij een einde maken aan het subsidieren van noodlijdende industrieen, terwijl het veel rijkere West-Eruopa al tientallen jaren de noodlijdende agrarische sector ieder jaar met miljarden subsidieert en bovendien met tarieven en importverboden beschermt. Wat is het principiele verschil tussen het subsidieren van de (particuliere) landbouw in West-Europa en het subsidieren van (staats)bedrijven in Rusland? Als we het niet normaal vinden miljoenen boeren werkloos te laten worden door de beginselen van de vrije markteconomie op de landbouw toe te passen, waarom is het dan normaal dat we van de Russen eisen dat ze miljoenen arbeiders werkloos laten worden terwijl de Europese agrariers nog een beroep kunnen doen op het sociale vangnet? (Van de anderhalf miljard aan Rusland verleende hulp is voor het opbouwen van een sociaal vangnet slechts een armzalige zestig miljoen uitgetrokken.)
Het is niet het enige. Een keurig land als Nederland geeft Philips douceurtjes, is of was vertegenwoordigd in Fokker, DSM, Nedcar en de KLM, subsidieerde een eeuw lang spoorwegen en busbedrijven, en bedelt bij Europa om geld teneinde het 'arme’ Flevoland te ontwikkelen. Ik spreek dan nog niet over Frankrijk en Italie, die staal-, scheepsbouw- en mijnindustrie openlijk of in het geheim steunen of steunden. En wie Philips’ sterke man Timmer de laatste tijd hoort praten over wat er allemaal moet worden gedaan om de elektrotechnische industrie in Europa te beschermen, denkt eerder aan een manager van een communistisch staatsbedrijf dan aan een kapitalistische ondernemer.
Desalniettemin hebben we als hoogste wijsheid voor Oost-Europa gepropageerd: breek het staatseigendom af. Als u dat doet, zijn we bereid u te helpen, zij het, uiteraard, mondjesmaat. Maar als u dat niet doet, kunt u het helemaal vergeten. Het IMF, de speerpunt van westers economisch dogmatisme, heeft de helft van de schamele anderhalf miljard aan Rusland toegekende hulp bestemd voor dit soort hervormingen en de rest voornamelijk voor de modernisering van de olie- en gasindustrie, twee zaken waarbij het Westen ook grote eigen belangen heeft.
Je kunt het de Oosteuropese staatslieden dan ook niet kwalijk nemen dat ze er vreemde ideeen over markteconomie op na houden. Neem de vroegere Poolse minister van Financien Balcerowicz, die in 1990 de volgende simpele definitie van markteconomie gaf: 'Een markteconomie, gebaseerd op brede deelneming van verschillende vormen van prive-bezit, maakt het mogelijk de hoogste vorm van efficiency te bereiken. Als gevolg daarvan zorgt het voor de snelste verbetering van de levensstandaard. Dat komt omdat zo laag mogelijke kosten, goede organisatie, hoge produktiekwaliteit en het zoeken naar nieuwe markten en nieuwe technologieen in het belang zijn van de eigenaren die de onderneming leiden.’ Het is nog niets vergeleken bij de uitspraak van de minister van Economische Zaken in het voormalige Tsjechoslowakije Dlouhi, die in de Financial Times van 6 februari 1991 schreef dat de hervormingen zouden zijn mislukt als de werkloosheid onder de acht a tien procent zou blijven.
In plaats van naar westerse economen te luisteren, had Rusland er beter aan gedaan op China te letten, een land dat, als het om mensenrechten gaat, allerminst een voorbeeld kan worden genoemd maar dat Rusland wel ver achter zich laat in het ontwikkelen van zijn economie. Voor het tweede achtereenvolgende jaar kent China het hoogste groeicijfer ter wereld. Terwijl de produktie in Rusland in een paar jaar met twintig procent terugliep, steeg het nationale inkomen in China in een jaar met veertien procent. Het heeft dit succes bereikt terwijl in China net als in Rusland de staatsbedrijven nog steeds als een molensteen om de hals van de economie hangen. De Chinese leiders hebben weliswaar de managers van de staatsbedrijven enige vrijheid gegeven, langzaam en met mondjesmaat, maar zeker een derde van de staatsbedrijven is nog altijd zwaar verliesgevend terwijl ongeveer de helft waarschijnlijk niet meer dan quitte speelt. Communistische orthodoxie heeft zeker een rol gespeeld om die bedrijven niet aan te pakken. Maar dat niet alleen, ook de zorg dat anders miljoenen mensen werkloos zouden worden heeft een rol gespeeld, zoals blijkt uit de woorden van vice-premier Zhu Rongji, die kortgeleden zei dat de man die daarvoor een oplossing zou weten, de Nobelprijs voor economie zou verdienen.
Dit betekent niet dat dus verliesgevende staatsbedrijven maar in stand moeten worden gehouden. Maar het Chinese voorbeeld toont wel twee dingen aan. Ten eerste dat het zelfs mogelijk is economische groei te verwezenlijken als men kampt met zwaar verliesgevende staatsbedrijven (zoals ook de welvaart in West-Europa sterk is gestegen ondanks het feit dat we ieder jaar tientallen miljaren op de landbouw toeleggen). Ten tweede dat ook voormalige communistische landen pas op grote schaal met het afbreken van het staatsbezit kunnen beginnen als eerst de produktie van consumptie-artikelen is gestegen en er een begin is gemaakt met het aanbrengen van een sociaal vangnet.
Het is ook opvallend hoezeer het Westen bij zijn nadruk op de afschaffing van het staatsbezit in de communistische val is getrapt door alle aandacht te besteden aan de hervorming van de industrie. Ook de Russische leiders van nu zijn opgegroeid in de sfeer van de communistische partij met haar obsessie met industrialisering. Ook op dit gebied had Rusland iets kunnen leren van China, waarmee het een communistisch verleden deelt. Natuurlijk zijn er verschillen. De voornaamste is dat de industrie in Rusland relatief veel belangrijker is, hoewel in absolute termen gemeten het aantal Chinese industrie-arbeiders groter is. Maar de gelijkenissen zijn groter dan de verschillen.
Toen Deng Xiaoping in de tweede helft van de jaren zeventig aan het bewind kwam, was zijn eerste zorg niet de industrie maar de landbouw. Hij gaf de boeren de vrijheid terug - en met groot succes: binnen enkele jaren was de produktie aanzienlijk gestegen, waardoor niet alleen de boeren meer geld in handen kregen maar ook de voedselvoorziening sterk werd verbeterd. Het psychologisch klimaat veranderde ook in de steden. Eerst de fiets, toen het fototoestel, toen het horloge, daarna het tv-toestel. Prijscontroles werden niet in een klap maar geleidelijk afgeschaft. Steeds meer mensen begonnen een eigen onderneminkje: een winkeltje of een klein bedrijfje. Pas daarna begon Deng met het toestaan van particuliere bedrijven, wel of niet in samenwerking met buitenlandse ondernemingen.
In Rusland gebeurde niets van dien aard. De landbouw stond niet op de prioriteitenlijst van Jeltsins westerse adviseurs, geboren als ze zijn in geindustrialiseerde staten. De boeren konden weliswaar zelf een stukje land bebouwen, maar die maatregel dateert nog uit de Brezjnev-tijd en na die tijd heeft een relatief gering aantal boeren zich zelfstandig gevestigd. Ik geef toe dat dit in Rusland ook veel moeilijker is. Zeventig jaar communisme hebben in Rusland meer sporen nagelaten dan dertig jaar communisme in China. Een deel van de Russische boeren heeft angst voor onafhankelijkheid. Zij verkiezen veelal de armoede maar ook de zekerheid van de gemeenschappelijke landbouw boven de grotere welvaart met de daaraan gekoppelde risico’s van het vrije ondernemerschap. Bovendien is de Russische landbouw (graan) veel extensiever dan de Chinese (rijst), waardoor er meer samenwerking bij het gebruik van machines nodig is. Maar juist dat had voor het Westen een reden moeten zijn de hervorming van de landbouw hoog op de prioriteitenlijst te zetten en met kredieten en garanties de boeren te bewegen de kolchozen te verlaten en zelf te beginnen. Maar in de zogenaamde hervormingen speelt de landbouw nauwelijks een rol. Gorbatsjov (wiens glasnost een succes en wiens perestrojka een totale mislukking was) heeft dat erkend op 28 januari van het vorig jaar toen hij in de Izvestija schreef: 'Ik beschouw het als mijn grootste fout dat we de landbouw niet als het beginpunt van het hervormingsproces hebben genomen.’
Apathie is een van de grote problemen die het communisme heeft nagelaten. Het ontbreekt aan arbeidsethos, populairder gezegd: er wordt niet hard genoeg gewerkt. Het maakte immers niet uit of men hard werkte of de kantjes ervan afliep. In China probeert men dat te doorbreken door de managers van staatsbedrijven een financieel belang te bieden bij het produceren van andere produkten. Een andere methode is de arbeiders te betrekken bij de organisatie van de staatsondernemingen. Niet als principe (arbeiderszelfbestuur is misschien incidenteel mogelijk maar als principe een even grote fopspeen als 'de produktiemiddelen in handen leggen van de gemeenschap’) maar het zou wel als overgangsmaatregel waarde kunnen hebben. Verblind als we zijn door onze trots over de successen van de markteconomie, hebben we echter beide nagelaten.
De groei van China is een gevolg van het ontstaan van eigen bedrijven, zowel in de landbouw als in de steden. Ze is niet het resultaat van het privatiseren van het staatsbezit. Het Westen is trouwens zijn eigen lessen ontrouw geworden. De Wereldbank heeft keer op keer in rapporten over de fenomenale groei van de Aziatische 'tijgers’ gewezen op de aandacht in die landen voor de landbouw en voor de verbetering van het onderwijs. Ook Zuid-Korea en Taiwan zijn hun ontwikkeling met de verbetering van de landbouw begonnen. En inderdaad, ook in landen als Indonesie, Thailand en Maleisie is het onderwijspeil sterk verbeterd; niet alleen is het analfabetisme er voor een groot deel verdwenen, ook het aantal studenten in het hoger en universitair onderwijs is met sprongen gestegen. In Rusland gebeurt precies het omgekeerde. Steeds meer geleerden verlaten de universiteiten, er is geen geld voor salarissen en huisvesting. Maar voor het onderwijs hebben we ook al geen cent uitgetrokken.
Alles loopt op het ogenblik fout in Rusland. De produktie daalt, de armoede groeit, de werkloosheid stijgt, de criminaliteit neemt toe, het onderwijs loopt leeg. De levensstandaard is lager dan onder Brezjnev. Geen wonder dat zoveel Russen in hun wanhoop hun heil zoeken bij een gevaarlijke gek als Zjirinovski. Naast alle problemen is Rusland dan ook nog een soort democratie. Het zal de idealisten onder ons tegen de borst stuiten, maar een democratie, zelfs een gebrekkige democratie als die in Rusland, is niet het ideale systeem om een markteconomie in te voeren. De aloude vraag: wat was er het eerst, de kip of het ei? is in het geval van markteconomie of democratie niet zo moeilijk te beantwoorden: de markteconomie was er het eerst en pas daarna kwam de democratie. De markteconomie is ontstaan in de negentiende eeuw toen een kleine klasse de dienst uitmaakte en er van universeel kiesrecht geen sprake was. Ook de Zuidoostaziatische tijgers zijn ontstaan onder een autoritair regime. Een van de meest onverteerbare voorbeelden is Chili, dat onder Pinochet een markteconomie heeft ontwikkeld waardoor het thans het Zuidamerikaanse land met de grootste economische groei is geworden. En ook China laat op het ogenblik zien dat hervormingen in de richting van een markteconomie gemakkelijker uitvoerbaar zijn in een dictatuur dan in een halfwassen democratie. Juist dat had het Westen moeten bewegen aan Rusland geen dogmatische eisen te stellen maar het voorzichtig te begeleiden op de weg naar een markteconomie.
Misschien is de verkiezingswinst van Zjirinovski een blessing in disquise. Nog geen week na diens overwinning oefende vice-president Gore scherpe kritiek op het IMF (hij had die misschien nog beter op de regeringsleiders van de G7-groep kunnen richten, maar het was in ieder geval een begin). Hij zei dat het IMF ongevoelig was geweest voor de harde sociale consequenties van de werkloosheid die een gevolg was van het hervormingsproces en de ontmanteling van de wapenindustrie. 'In omstandigheden van grote economische pijn waaraan de wereld geen aandacht besteedt, moet het niemand verbazen dat de bevolking gevoelig wordt voor demagogen.’
Het IMF heeft daarop gereageerd bij monde van de verantwoordelijke IMF-man voor Rusland, Hernandez Cata. De voorwaarden voor financiele hulp zullen worden verzacht. Het Fonds overweegt een Russisch stelsel voor sociale zekerheid te financieren. Maar dat is niet genoeg. Er moet meer aandacht komen voor landbouw en onderwijs, er zullen kredieten en middelen beschikbaar moeten komen voor het oprichten van bedrijven met moderne technologie, en voor bedrijven die werk verschaffen aan andere bedrijven, de zogenaamde spillover. Maar vooral: het stopzetten van hulp aan staatsbedrijven dient niet langer die hoge prioriteit te hebben die het nu heeft. Dit is een proces dat nog jaren kan duren en pas echt kan worden aangepakt indien eerst andere zaken zijn geregeld. Ook het kapitalistische Westen dient zijn dogma’s te overwinnen.