Moeten, mogen, kunnen

Er is een revolutie nodig om 65-plussers op de werkvloer te houden. Vooralsnog zijn ze een zeldzaamheid.

DE AOW-KOGEL is door de eerste kerk. Coalitiepartijen CDA, PVDA en ChristenUnie zijn eruit en in 2020 en vervolgens in 2025 gaat de pensioengerechtigde leeftijd met telkens een jaar omhoog naar 67 jaar. Er ging vorige week een zucht van opluchting door de coalitieburelen: eindelijk zijn ze het onderling ergens over eens geworden. Na alle verwijten dat er niks uit hun handen komt en het begrijpelijke gerucht dat als de AOW niet lukte deze of gene de stekker uit het kabinet zou trekken, was dat hard nodig.
Nu is het afwachten of PVDA-leider Wouter Bos en fractievoorzitter Mariëtte Hamer ook hun sterk verdeelde achterban meekrijgen. Ook zal moeten blijken of de CDA-jongeren nog voet aan de grond krijgen met hun eis dat van de huidige 55-plussers de beter verdienenden ook moeten meebetalen aan het toekomstige betaalbaarheid van de AOW. Tenslotte zijn dat de babyboomers die de grote vergrijzingshobbel veroorzaken. Bij ongewijzigd beleid leidt die geboortegolf ertoe dat in de toekomst vier werkenden de kosten van de AOW op moeten brengen voor twee gepensioneerden, terwijl die verhouding nu nog vier op één is.
Als de interne partijhobbels zijn genomen, is het vervolgens nog de vraag hoe groot en ontwrichtend het verzet van de vakcentrale FNV zal zijn en hoe recht de ruggen van de coalitiepartners daaronder blijven. En met welke kritiek de Raad van State komt op de vele wetswijzigingen die de leeftijdsverhoging moeten regelen. Maar als het uiteindelijk door zou gaan, dan is het met recht een historisch besluit te noemen, of je het er nu mee eens bent of niet. Het historische zal echter uiteindelijk niet zozeer zijn dat na meer dan vijftig jaar de verworvenheid verdwijnt om op je 65ste AOW te ontvangen. Dat historische zit in heel iets anders, als het tenminste lukt ook de tweede reden voor de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd tot een succes te maken: de arbeidsparticipatie.
Want juist daar zit een groot probleem, in ieder geval voor de eersten die straks langer moeten doorwerken – zo voelt het voor tegenstanders – dan wel mógen doorwerken, zoals de voorstanders het verwoorden. De vraag is immers of het de mensen die geboren zijn in de jaren 1955 tot en met 1959 ook daadwerkelijk lukt door te kúnnen werken. Daarvoor is een ware revolutie nodig. In 2008 werkte slechts 26,2 procent van de Nederlanders in de leeftijd tussen 60 en 65 jaar. Dat is maar iets meer dan een kwart. De rest was arbeidsongeschikt of ontslagen, had een meer of minder goede vut- of prepensioen-regeling, was weggestuurd met een of ander gouden handdrukje, of was huisvrouw. Je kunt met recht zeggen dat werkgevers noch jongere werknemers veel ervaring hebben met het omgaan met ouderen op de werkvloer, waarbij de oudere, nog werkende vrouw helemaal een zeldzaamheid is.
Over iets meer dan tien jaar wordt van de huidige 54-jarigen, ook de vrouwen, echter niet alleen verwacht dat ze die tijd tot hun 65ste helemaal vol maken, maar dat ze nog een jaar langer werken ook. Alleen dan krijgen ze volledig AOW en pensioen. Zo niet, dan snijden ze in de eigen portemonnee, tot hun dood – om het maar eens dramatisch te zeggen. Vorige week zei oud-vakbondsman Anton Westerlaken op een symposium in de Haagse Ridderzaal dat de 54-jarige over wie hij die ochtend in een krant had gelezen niet moet zeuren over dat ene jaartje extra. Westerlaken ging toen voorbij aan twee zaken. De eerste is een gevoelsmatige, maar kan in de beeldvorming een belangrijke rol spelen: de jaargang 1955 ziet binnen één generatie grote verschillen ontstaan. Iemand die maar iets ouder is dan hij of zij heeft straks aan het eind van zijn loopbaan beduidend minder jaren gewerkt, een verschil dat kan oplopen tot vijf en zelfs negen jaar.
In dat laatste schuilt ook het tweede waaraan de oud-CNV-voorzitter voorbijging: de vrees van zijn leeftijdgenoten – Westerlaken is van 1955 – voor de laatste jaren van hun werkzame leven. Ook dat lijkt een gevoelsmatige zaak. Maar de vraag of hun werkgevers in een tijd dat arbeidsprocessen zo snel veranderen wel op oudjes zitten te wachten, lijkt welhaast een retorische. Dat die vrees niet uit de lucht komt vallen, mag uit bovenstaande cijfers blijken. De mededeling dat de arbeidsmarkt tegen die tijd krapper is en alle handen nodig zijn, is niet voldoende om die vrees weg te nemen.
PVDA-staatssecretaris Jetta Klijnsma wees er vorige week op dat er de laatste jaren al veel is veranderd aan de arbeidsparticipatie van ouderen. Maar de cijfers zijn minder vrolijk. In 1992 werkte 11,4 procent van de 60- tot 65-jarigen, in 2008 dus 26,2 procent. Inderdaad is dat een stijging, maar in totaal is het nog steeds weinig. Als het in dat tempo doorgaat, wordt het in 2020 niks. Een grotere toename zat er de afgelopen zeventien jaar gelukkig in de leeftijdscategorie 55- tot 60-jarigen. Van hen werkte begin jaren negentig 37,9 procent, vorig jaar was dat gestegen naar 62,4 procent. Van degenen die nu als eersten met de hogere pensioenleeftijd worden geconfronteerd, de 50- tot 55-jarigen, werkte in 2008 bijna 75 procent.
Het kabinet heeft toegezegd leeftijdsdiscriminatie tegen te zullen gaan en werkgevers te willen stimuleren om ouderen in dienst te houden of te nemen. Het zal hard nodig zijn om in iets meer dan tien jaar tijd voor elkaar te krijgen dat het de 65-jarige van dan ook daadwerkelijk is gegund te kunnen werken. Je loopbaan beëindigen als afgedankte werkloze, ook al krijg je van dit kabinet dan een bijstandsuitkering, is toch echt iets anders dan leuk met de vut of eervol met pensioen gaan.