Nietzsche en extreem rechts

Moeten we niet zelf goden worden?

Dat Friedrich Nietzsche’s aanval op de liberale democratie een eenmalige oprisping uit een oud tijdperk zou zijn, omarmd door de nazi’s, blijkt met de huidige opkomst van extreem rechts een vergissing. Nietzsche is in elke tijd op een andere manier actueel.

In 2014 kreeg Ronald Beiner (1953), hoogleraar politieke theorie in Toronto, bezoek van een student die wilde afstuderen op de geschriften van de Russische denker Aleksandr Doegin. ‘Ik had nog nooit van Doegin gehoord’, zegt Beiner in een Skype-gesprek vanuit Canada. Al vlug sloeg hem de schrik om het hart. Doegin is een Russische neofascist die verantwoordelijk is voor boeken als De vierde politieke theorie, waarin hij tekeergaat tegen alles wat zweemt naar liberale democratie. Hij streeft een racistisch bevlogen ‘Euraziatisch’ idee na dat zo nodig met geweld gerealiseerd moet worden. Doegin noemt het werk van de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) zijn primaire inspiratiebron. ‘De mens is iets wat we te boven moeten komen’, is Doegins favoriete Nietzsche-citaat.

Er wordt beweerd dat Doegin het oor van de Russische president Vladimir Poetin heeft, maar volgens anderen is dat zwaar overdreven. Zeker is, merkte Beiner, dat de geschriften van Doegin in de Verenigde Staten ijverig worden bestudeerd door de alt-rightbeweging. Voor de aanvoerder en gangmaker van deze snel in aanhang groeiende extreem rechtse beweging, de Amerikaanse neonazi Richard Spencer, was het werk van Nietzsche een openbaring – zijn ‘red pill’ zoals dat in het Amerikaanse extreem rechtse slang heet.

Alt-right op zijn beurt beïnvloedt Steve Bannon en Stephen Miller, adviseurs van de Amerikaanse president Donald Trump. Dat Trump, nadat Spencer in 2017 in Charlottesville een fakkeloptocht had georganiseerd waarbij ‘Jews will not replace us’ werd geroepen, verklaarde dat zich onder de demonstranten aan beide kanten ‘very fine people’ hadden bevonden, was geen toeval.

Met afgrijzen zag Beiner dus dat twee politieke denkers waarover hij al jaren college gaf – Nietzsche en Martin Heidegger (1889-1976) – voor zulke extreem rechtse clubs een bron van inspiratie zijn voor hun theorie en praktijk. Niet alleen in Noord-Amerika trouwens oefent de door deze twee filosofen geëntameerde, radicale afwijzing van liberale en democratische waarden een nieuwe aantrekkingskracht uit op extreem rechtse en neofascistische geesten. Ook in andere, tot nu toe democratische landen voelen steeds meer mensen zich aangetrokken tot zulk gedachtegoed. Beiner realiseerde zich dat de virulente aanval op de liberale democratie van deze twee Duitse filosofen van autoritaire, vechtlustige snit allang niet meer kan worden beschouwd als een afgesloten hoofdstuk uit de ideeëngeschiedenis, als briljant geformuleerde gedachten uit een gelukkig vervlogen tijdperk – de manier waarop hij tot nu toe over Nietzsche en Heidegger college had gegeven.

Beiners eerdere boeken waren studieuze werken over liberalisme en nationalisme, en over het belang van politieke filosofie. Nu klom hij in de pen voor het sterk polemische Dangerous Minds: Nietzsche, Heidegger, and the Return of the Far Right. Daarin toont hij aan dat de extreem rechtsen, rechtse populisten en fascisten van nu zich met recht beroepen op de twee Duitse denkers. De coverfoto maakt direct zijn standpunt duidelijk: te zien is de fakkeloptocht in Charlottesville, die de vonk moest zijn voor de vestiging van een aristocratisch, Arisch rijk in Amerika, geheel volgens Nietzsche’s opvatting van ‘Grosse Politik’.

Dat Beiner in dit verband Heidegger noemt, is minder verrassend: het was al langer duidelijk dat deze nimmer duidelijk afstand heeft genomen van zijn enthousiasme voor het nazisme. Uit Heideggers een paar jaar geleden voor het eerst uitgegeven Schwarze Hefte bleek bovendien onomstotelijk dat de filosoof een overtuigder antisemiet was dan de meeste van zijn hedendaagse bewonderaars zouden wensen.

Maar Nietzsche? Deze briljante schrijver en originele buitenbeen in de geestesgeschiedenis, ook door links bewierookt als een razend interessante criticus van het burgerdom, de dictatuur van het marktdenken en andere gevestigde meningen? De lankmoedigheid waarmee onverdachte democraten sinds jaar en dag Nietzsche lezen, laat zich illustreren aan de hand van de recent verschenen Nederlandse vertaling van Die fröhliche Wissenschaft. In zijn nawoord rept de Nijmeegse emeritus-hoogleraar Paul van Tongeren van ‘een kritische blik op de illusies en pretenties die leven in de eigentijdse samenleving en cultuur’. In een recensie roemt Arnon Grunberg – al evenmin een neofascist – Nietzsche’s werk als ‘onmisbaar tegengif’ tegen de ‘religie der behaaglijkheid’ waaraan volgens de schrijver Nederland als geen ander land ten prooi is.

‘Flirten met vergif’, noemt Beiner zo’n benadering: Nietzsche’s gedachten zijn gevaarlijke gedachten. Wie mocht hebben gedacht dat na de ondergang van fascisme en communisme de liberale, democratische beschaving definitief had postgevat – dat in de woorden van Francis Fukuyama ‘het einde van de geschiedenis’ was aangebroken – moet, na de verkiezing van Trump en de opkomst van extreem rechtse bewegingen en partijen in veel landen, langzamerhand wel overtuigd zijn van zijn grote, mogelijk fatale vergissing.

Beiner citeert de Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant: ‘Van hout zo krom als dat waarvan de mens gemaakt is, kan niks worden getimmerd dat helemaal recht is.’ Slechte ideeën kunnen evengoed worden gerealiseerd als goede, misschien zelfs makkelijker, oppert de Canadese hoogleraar. Nietzsche had de Duitse rijkskanselier Bismarck ‘kleine politiek’, oftewel een te geringe ambitie, verweten. 33 jaar slechts na Nietzsche’s overlijden werden zijn ideeën over ‘Grosse Politik’ onder leiding van Hitler alsnog gerealiseerd. En weer enkele decennia later zijn de vertolkers van dit gedachtegoed weer op pad.

‘Ik sluit de mogelijkheid niet uit dat Nietzsche en Heidegger met succes aspecten blootleggen van de geestelijke en culturele leegheid in de liberaal-egalitaire toegefelijkheid waardoor de moderniteit wordt gekenmerkt’, schrijft Beiner. Maar wat deze filosofen als nieuwe ideeën aandragen ‘ter vervanging van wat zij als geestloze moderniteit zien, is nog veel erger’. Nietzsche heeft zo veel geschreven, en in een zo briljante stijl, dat de indruk kan ontstaan dat er in het oeuvre van de filosoof voor ieders ideologische gading wel iets te vinden is. Maar dat is een vergissing, denkt Beiner.

Hij citeert met instemming Heidegger (nota bene in diens boek over Nietzsche): het werk van elke denker laat zich terugbrengen tot één centrale gedachte. Dat is bij Nietzsche: ‘De westerse beschaving gaat naar de ratsmodee omdat er in die beschaving te veel waarde wordt gehecht aan waarheid en rationaliteit, aan gelijkheid en menselijke waardigheid.’ Nietzsche wijst de Europese civilisatie van na de Franse Revolutie en de negentiende-eeuwse moderniteit categorisch van de hand. Hij houdt een radicaal pleidooi voor een hiërarchische samenleving waarin een nieuwe aristocratie van de geest de richting bepaalt en oplegt aan de middelmatige massa.

Nietzsche heeft een hiërarchie voor ogen waarin een aristocratie de richting bepaalt voor de middelmatige massa

De cultuur van zijn tijd, meende Nietzsche volgens Beiner, was een pseudocultuur die geen duidelijk doel, ‘geen horizon’ meer voor ogen had, en zelfs niet schroomde zichzelf ter discussie te stellen en alternatieve culturen als gelijkwaardig te beschouwen. Voor Nietzsche hebben de decadentie en de tocht naar de afgrond een lange voorgeschiedenis: Plato’s misplaatste geloof in een ‘harmonie’ der dingen, jodendom en christendom die ‘slaven-religies’ zijn. Verdwenen is het pre-socratische ‘tragisch bewustzijn’ dat waarlijk leven kenmerkt. ‘De laatste mens’, zoals Nietzsche de moderne mens van zijn tijd noemt, is vervallen tot een staat van pappen en nathouden in een ‘ijzeren kooi’ van redelijkheid, berekening en consumptie.

Voor een zinvol, vitaal bestaan dat niet door contemplatie maar door actie wordt gekenmerkt – de taak van een nieuwe aristocratische kaste die zichzelf uitvindt en de massa zijn plaats wijst – is het noodzakelijk te weten waarvoor men leeft, in een cultuur met duidelijk vaststaande grenzen en doelstellingen. Alleen zo kan het geestloze vacuüm van de voze moderniteit worden opgevuld.

Beiner baseert zijn bezwaren tegen Nietzsche niet zozeer op de terminologie die sinds jaar en dag Nietzsche’s linkse bewonderaars een tikje doet huiveren, en als retorische overdrijving wordt weggeredeneerd: die van de ‘Übermenschen’ (een term die doet vermoeden dat er ook Untermenschen zijn), de ‘Wille zur Macht’ (wat ruikt naar machtswellust) en de ‘ewige Wiederkunft des Gleichen’ (een antiek idee van de geschiedenis als cirkelgang). Wat Nietzsche aan positieve voorstellen voor maatschappij-inrichting ten beste geeft, is sowieso slecht uitgewerkte onzin, meent Beiner. Wat niet wegneemt dat rechtse en fascistische navolgers van Nietzsche vaak hun voordeel hebben gedaan met juist de vaagheid van diens begrippenapparaat – om zichzelf tot een nieuwe geestesadel van, in Nietzsche’s woorden, ‘commandanten’ en ‘wetgevers’ uit te roepen.

Beiners lezing van Nietzsche’s werk laat zich bijvoorbeeld demonstreren aan de hand van paragraaf 125 uit De vrolijke wetenschap. Het is de bekende parabel van ‘De krankzinnige man’ die, bespot door omstanders, uitroept: ‘God is dood. God blijft dood. En wij hebben hem gedood!’ Het citaat geldt ten onrechte als Nietzsche’s erkenning dat er een seculier, post-metafysisch tijdperk is aangebroken. Dat is niet de werkelijke strekking, meent Beiner. In de voorafgaande paragraaf 124, ‘Het oneindige als horizon’, heeft Nietzsche geschreven dat ‘er niets vreselijkers bestaat dan oneindigheid’, het maatschappelijk leven zonder horizon. De krankzinnige man oppert: ‘Moeten we niet zelf goden worden om deze daad (de moord op God) waardig te lijken?’ Nietzsche bepleit geen post-metafysica, meent Beiner, maar een nieuw aristocratisch godsbegrip, ontdaan van christelijke sprookjes over gelijkheid en rechtvaardigheid.

Nietzsche’s verwerping van de moderniteit komt ook naar voren uit paragraaf 377 van hetzelfde boek, waarin hij de door hem bepleite geesteselite de ‘ontheemden’ noemt: ‘Wij (…) “conserveren” niets, wij willen evenmin terug naar enig verleden, wij zijn allerminst “liberaal”, wij werken niet voor de “vooruitgang”, we hoeven onze oren niets eerst dicht te stoppen voor de toekomstsirenen van de markt – wat zij zingen: “Gelijke rechten”, “Vrije samenleving”, “Geen heren meer en geen knechten”, dat spreekt ons niet aan! – wij vinden het gewoonweg niet wenselijk dat het rijk van de gerechtigheid en eendracht op aarde wordt gegrondvest (omdat het onder alle omstandigheden het rijk van de diepste vermiddelmatiging (…) zou zijn); we zijn blij met alle mensen die, net als wij, het gevaar, de oorlog, het avontuur liefhebben, die zich niet tevreden laten stellen, laten vangen, verzoenen en castreren; we rekenen onszelf tot de veroveraars, we denken na over de noodzaak van nieuwe ordeningen, met inbegrip van een nieuwe slavernij.’

Het zijn zulke ideologische vergezichten en de daarmee verbonden actiebereidheid die de afgelopen jaren snel veld hebben gewonnen, tot in het Witte Huis en het Kremlin, meent Beiner.

Het is niet de eerste keer dat Nietzsche’s gedachtegoed aanhang en bewondering geniet in extreem rechtse, antidemocratische en fascistische kring. Een sleutelrol bij de vorige keer speelde zijn zuster Elisabeth. Zij stichtte het nog altijd in Weimar gevestigde Nietzsche-Archiv, waar de verwarde filosoof zijn laatste, ongelukkige jaren woonde, terwijl in andere ruimten de studie van zijn werk en nagelaten manuscripten een hoge vlucht nam. Elisabeth stelde uit Nietzsche’s papieren vanaf 1901 Der Wille zur Macht samen, een reeks compilaties onuitgegeven manuscripten die werd aangeprezen als Nietzsche’s ‘opus magnum’.

Ofschoon, naar achteraf is komen vast te staan, Elisabeth op zijn minst zeer vrijmoedig omging met de authenticiteit van deze teksten, slaagde zij volledig in haar opzet: Nietzsche’s toekomstdromen waren in de jaren van zijn schrijverschap eerder pan-Europees dan Duits geweest, en zijn lezerspubliek bescheiden van omvang; maar onder het bewind van zijn zuster kreeg hij de status van prominent Duits filosoof, wiens grootste bewonderaars in extreem rechtse ‘Duits-Nationale’ kring te vinden waren.

De Duitse soldaten die in 1914 enthousiast ten strijde trokken tegen de Franse erfvijand kregen behalve front-edities van het Nieuwe Testament en Goethe’s Faust ook Nietzsche’s Also sprach Zarathustra mee in de bepakking – zozeer werd dit boek uit 1885 nu beschouwd als een manifest voor de Kampfgeist en beschavingsmissie van de Duitse natie.

De uitvaart van Elisabeth Förster-Nietzsche, in het Nietzsche-Archiv in Weimar, 11 november 1935 © Heinrich Hoffmann / ullstein bild via Getty Images

Nietzsche’s faam overleefde de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog. Zij nam zelfs – volgens de Israëlische historicus Zeev Sternhell – na 1918 zeer toe met de opkomst van extreem rechtse, van ressentiment vervulde bewegingen in Duitsland die de nederlaag van 1918 aan binnenlands verraad weten. In Nietzsche’s afkeer van democratie vonden zij inspiratie voor hun verzet tegen de Republiek van Weimar, de eerste democratische staat op Duits grondgebied. Begin jaren dertig waren bijna alle medewerkers van het Nietzsche-Archiv lid van Hitlers nsdap. De Führer zelf vereerde het Archiv in Weimar enkele malen met een bezoek. Daar is in 1934 door Heinrich Hoffmann de beroemde foto gemaakt waarop Hitler, in gepeins verzonken, staart naar een borstbeeld van Nietzsche.

Duitse soldaten kregen in 1914 behalve het 'Nieuwe Testament' en 'Faust' ook 'Also sprach Zarathustra' mee naar het front

De Duitse nederlaag van 1945 betekende al evenmin het einde van de populariteit van het nietzscheaanse gedachtegoed. Nazisme en fascisme leken als denkrichting dood en begraven, en de bronnen van inspiratie voor deze ideologieën leken daarmee voortaan ongevaarlijk. Nu waren het niet zozeer antidemocratisch gezinde denkers die hun weg vonden in het werk van een van de origineelste denkers aan het einde van de negentiende eeuw. Linkse bewonderaars van Nietzsche’s denken waren er altijd al geweest, ook in de negentiende eeuw, met name in Frankrijk, Engeland en Rusland, waarbij Nietzsche meestal vooral als inspirerend essayist of dichter werd bewonderd, minder als politiek theoreticus.

Zo kwam Nietzsche in de jaren zestig in beeld bij de generatie Franse filosofen die als ‘postmodernisten’ decennia lang een grote invloed zouden hebben, zoals Gilles Deleuze, Jean Baudrillard en Jacques Derrida. Michel Foucault, de grootste onder hen, baseerde zijn bekendste leerstuk – dat er geen ‘waarheid’ bestaat, maar dat er slechts retorische constructies van de waarheid zijn, die de uitdrukking vormen van sociale en machtsverhoudingen – mede op Nietzsche’s Der Antichrist uit 1888. Onder de naam French theory kreeg het postmodernistische denken enorme invloed in de Amerikaanse academische wereld – vaak als een kritische theorie ter ondersteuning van emancipatorische strevingen: seksuele rechten, antikapitalisme, antiracisme et cetera. De hoogstaande liberale uitgangspunten, is de gedachtegang daarbij, zijn een dekmantel voor mensonterende praktijken.

De gedachte dat iedere ‘waarheid’ suspect is omdat zij een machtsinstrument is en zich laat ‘deconstrueren’ en door andere beweringen vervangen, oefent echter ook op de nieuwe neofascisten en extreem rechtsen aantrekkingskracht uit. En niet alleen op de ‘denkers’ onder hen. Trump, Poetin, Orbán, Erdogan, Xi Jinping, Modi en Duterte hebben vermoedelijk geen letter van Nietzsche gelezen. Hun verachting van de waarheid en bereidheid korte metten te maken met democratische omgangsvormen maken hen, meent Beiner, niettemin tot dragers van de nietzscheaanse idealen.

‘Het baart mij zorgen dat mijn medeburgers het gevaar niet voldoende inzien’, zegt Beiner in ons Skype-gesprek. ‘Trump is een bedreiging voor de Amerikaanse constitutie en soortgelijke bedreigingen loeren in meer democratieën. Mijn boek is een waarschuwing aan intellectuelen: we zijn in groot gevaar.’ Het is een ding om, met Nietzsche, aan te schoppen tegen de status quo. Maar het is een ander ding om, wederom met Nietzsche, de status quo te willen verruilen voor een autoritair stelsel.

In Dangerous Minds schrijft de Canadese hoogleraar dat een ‘emancipatoire’ lezing en interpretatie van Nietzsche’s geschriften als kritiek op de tekortkomingen van de liberaal-democratische orde misschien toelaatbaar was ‘zolang je ervan overtuigd kon zijn dat er (na het nazisme) geen tweede poging zou worden gedaan om het nietzscheaanse extremisme in praktijk om te zetten, met buitengewoon funeste gevolgen voor de hele wereld. De recente, onverwachte opkomst van populistisch extreem rechts toont echter aan dat we zowel bang als waakzaam moeten zijn: wat kunnen Nietzsche’s boodschappen teweegbrengen in de geest van hen die even vermetel zijn bij het voeren van actie als Nietzsche het was bij het formuleren van ideeën?’

Beiner citeert instemmend politiek-filosoof Leo Strauss (1899-1973) (waarover hij in het verleden veel heeft gepubliceerd) die zich heeft laten ontvallen dat het beter ware Nietzsche’s werk niet te bespreken in het bijzijn van filosofisch ongeschoolden, ‘vanwege het vergiftigende destructieve karakter’ van deze geschriften.

Wie Beiners bedoelingen prima begrijpen en onderschrijven, zijn de hedendaagse neofascisten zelf, merkte de auteur al spoedig na het verschijnen van zijn boek. De eerste recensie van Dangerous Minds kwam van Greg Johnson, een bekende Amerikaanse ‘witte nationalist’ die in de Verenigde Staten een ‘witte etno-staat’ wil vestigen en de succesvolle uitgeverij Counter-Currents Publishing bestiert. Na in de eerste zin van zijn recensie te hebben vastgesteld dat Beiner een jood is, blijkt Johnson het volledig eens met zijn kritiek dat aan Nietzsche door linkse denkers veel te veel het voordeel van de twijfel wordt gegeven.

Het is, schrijft Johnson, ‘absurd’ om ervan uit te gaan dat je Nietzsche en Heidegger kunt losdenken ‘van hun uitdaging aan een systeem dat zij verachtten en wilden vernietigen’. Natuurlijk laakt hij dat Beiner ‘onze beweging’ summier verwerpt. Dat neemt niet weg, denkt Johnson, dat Dangerous Minds ‘een nuttige introductie is op Nietzsche en Heidegger als antiliberale denkers. Ik beveel het van harte aan. En als het aan mij ligt, zal dit boek bijdragen aan het ontstaan van nog veel meer gevaarlijke geesten, een heel nieuwe generatie van rechtse Nietzsche’s en Heideggers’. Beiner: ‘Mijn boek bleek een tweesnijdend zwaard.’

Greg Johnson bezit een academische graad in de filosofie, en hetzelfde geldt voor de Amerikaanse neonazi Richard Spencer. Die verwierf eind 2016 grote bekendheid op YouTube toen hij een toespraak besloot met de kreet ‘Hail Trump!’, waarop een zaal vol aanhangers enthousiast de arm hief voor de Hitlergroet. Op zijn website keuvelt Spencer een uur lang over Nietzsche met de Britse extreem rechtse politicus Jonathan Bowden. De student die Beiner in 2014 voor het eerst wees op het werk van de Russische Nietzsche-bewonderaar Doegin, Michael Millerman, is in Toronto afgestudeerd nadat Beiner zich uit zijn examencommissie had teruggetrokken. Hij is nu de bezorger van de Engelse vertaling van Doegins werken bij de extreem rechtse uitgeverij Arktos en een van diens voornaamste propagandisten. ‘Als je Nietzsche nu zou kunnen vragen wie de grootste staatsman is, had hij vast “Poetin” geantwoord’, denkt Beiner.

Steve Bannon, de gewezen campagneleider en adviseur van Trump die nu poogt in Europa extreem rechtse groeperingen in een Europa-wijde organisatie te verenigen terwille van een ‘nieuwe politieke orde’, getuigt openlijk van zijn bewondering voor Julius Evola (1898-1974), een Italiaanse filosoof en Nietzsche-bewonderaar die in de jaren dertig poogde het Italiaanse fascisme en het Duitse nazisme dichter tot elkaar te brengen. Stephen Miller, een nog altijd naaste medewerker van Trump in het Witte Huis, blijkt in honderden (uitgelekte) e-mails de extreem rechtse nieuwssite Breitbart te hebben getipt over leuke artikelen op een keur van neofascistische sites.

De gedachte dat fascistisch of nazistisch gedachtegoed veilig en ongevaarlijk is opgeborgen in het museum der ideologieën is volkomen misplaatst, vindt Beiner. Waarmee wat hem betreft niet gezegd is dat Nietzsche (of Heidegger) aan universiteiten niet onderwezen zou moeten worden. ‘Nietzsche zit nu eenmaal in de lucht die wij ademen’, schrijft hij. ‘Zonder hem zijn de cultuur en het intellectuele leven van de afgelopen honderd jaar ondenkbaar.’ Maar als je hem serieus neemt, moet je ook bezorgd zijn over de mogelijke schadelijkheid van zijn geschriften. Intellectuelen, binnen en buiten de academische wereld, dragen immers politieke verantwoordelijkheid. ‘Niet iedereen die Nietzsche bestudeert, hoeft in een fascist te veranderen. Maar er is veel in het werk van Nietzsche dat vermag lezers in fascisten te veranderen.’

In een brief uit 1884 – aan Malwida von Meysenbug, die net als hij bevriend was met het echtpaar Wagner – schreef Nietzsche dat het vooruitzicht dat in de toekomst mensen voor hun plannen zijn autoriteit zouden kunnen aanroepen ‘hem met schrik vervulde’. Nu de liberale democratie in zoveel landen op de terugtocht is, zoals Nietzsche wenste en voorspelde, wordt het hoog tijd om zijn scherpe kanten niet af te doen als bijzaak, zoals linkse denkers lang hebben gedaan, meent Beiner. Zoals Nietzsche al vermoedde, zijn er heel wat in ons midden die zich vervelen in de liberale moderniteit, en die bereid zijn tot radicale actie om deze onlust te verdrijven. Niets garandeert dat de zeventig jaar democratie en vrede die grote delen van de wereld na 1945 ten deel vielen, niet een tussenspel zijn geweest. ‘Nietzsche voorspelde voor de twintigste eeuw ideologische oorlogen, en hij heeft volledig gelijk gekregen’, zegt Beiner. ‘Wie worden de barbaren van de twintigste eeuw, vroeg Nietzsche zich af. Die vraag is inmiddels beantwoord.’ Wat Beiner betreft hoeft de vraag voor de 21ste eeuw niet opnieuw gesteld te worden.


Ronald Beiner,_ Dangerous Minds: Nietzsche, Heidegger, and the Return of the Far Right, University of Pennsylvania Press, Philadelphia 2018; Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, vertaald door Hans Driessen & Ard Posthuma, Uitgeverij Vantilt, Nijmegen 2018