Mogen

Ik weet niet of het iets van de laatste jaren is, maar het valt mij wel steeds meer op: mensen, doorgaans werkzaam in de artistieke sector, die niet iets ‘doen’, maar iets ‘mogen doen’. ‘Ik ben erg blij dat ik dit allemaal mag doen.’ ‘Het is gewoon fantastisch mooi dat ik dit album heb mogen maken.’ ‘Ik vind het prachtig dat ik al die voorstellingen met zo’n getalenteerde groep heb mogen maken.’

Van mij mag het, maar ik mág ze niet, zonder dat ik precies kan benoemen waar hem dat in zit. Stel je Pablo Picasso voor die zegt: ‘Ik ben gewoon ontzettend blij dat ik dit doek heb mogen schilderen.’ Of Hemingway: ‘Ik had nooit gedacht dat ik nog zo’n boek mocht schrijven.’

Misschien is het de schijnbare bescheidenheid die me erin tegenstaat. Als iemand zegt: ‘Wat fijn dat ik dit werk mag doen’, denk ik meteen: o ja, van wíe mag dat dan? Van je moeder? Van God? Van de samenleving?

Het mogen impliceert een gedogende of tolererende instantie. En hoewel de spreker ermee uit is zichzelf kleiner voor te doen dan hij is (ach, ik ben ook maar een mens), tooit hij zich juist met een kroon van uitzonderlijkheid. ‘Wie ben ik, dat ik dit doen mag?’ vroeg koningin Juliana zich eens hardop af. Tja, een zinnig antwoord op die vraag kan alleen maar luiden: een buitengewoon bijzonder iemand, een uitverkorene. Wie iets mág doen, is immers door een hogere macht, door een erfopvolging, of door een uitverkiezing door het volk, op dat ambt of podium gehesen.

Beatrix zei het ook: ‘Ik ben u diep dankbaar voor het vertrouwen dat u mij heeft gegeven in de vele mooie jaren waarin ik uw koningin mocht zijn.’ Mocht zijn: dat blijft toch het aureool houden van kinderspelletjes. Ah tóe, mag ik nu de koningin zijn? Jij mocht gisteren al de koningin zijn.

Van mij mag het, maar ik mag die valse bescheidenheid niet. Daar hebben we in Nederland een traditie in. Zeventiende-eeuwse schrijvers en dichters begonnen steevast met een omfloerst zinnetje waaruit moest blijken dat ze maar bescheiden zielen waren, die in hun vrije tijd, als pure liefhebberij, ook wat kleine versjes schreven, en omdat de buitenwereld zo aandringt ze te bundelen, hebben ze dat maar gedaan. Bescheidenheidstopiek: eigenlijk is mijn werk niet meer dan een kattenbelletje.

Godfried Bomans merkte terecht op: ‘Dikwijls is datgene wat wij bescheidenheid noemen, niets anders dan het verlangen om tweemaal geprezen te worden.’

Bij die zeventiende-eeuwers was die valse bescheidenheid een verplichte formule, een vaste retorische vorm waar je met goed fatsoen niet omheen kon. De bescheiden kunstenaar probeert anderen te laten zeggen wat hij diep van binnen zelf van zichzelf denkt. Dat heeft bij die lieden als Hooft en Huygens al iets irritants, en in de moderne mediavorm lijkt die constructie geëvolueerd te zijn tot een bondiger formule, die van het ‘mogen’, en die is ronduit onuitstaanbaar.

Van de weeromstuit nemen beginnende talenten het over als ze op radio of tv een interview geven, pardon, mogen geven. Ze kakelen het taaltje al na op hun achttiende, op de manier waarop je kleine kinderen op het voetbalveld kunt horen ouwehoeren als gevestigde sporthelden – met die karakteristieke tweede persoon enkelvoud (‘dan kom je het vijftienmetergebied binnen, en krijg je die bal op je voet, en ja, dan schiet je net op de paal, en dan baal je natuurlijk wel’ – vermoedelijk ook bescheidenheidsretoriek, waarbij het neutrale jij de arrogante ik moet maskeren).

Behalve in de kunstwereld kom je de formule ook steeds vaker tegen in de publieke sector, in de overheid, of bij liefdadigheidsorganisaties, hulpverlening, en er zijn vast ook al gevallen van opgetekend in het onderwijs, de wetenschap en de journalistiek (‘Toen ik Haute Meteaut eens mocht interviewen…’). Nog even, en je hoort overal hoe dankbaar we zijn ons vak te ‘mogen’ uitoefenen. ‘Geweldig dat ik voor de voetgangers van deze stad een stoep mag betegelen.’

Van mij mag het, maar ik mág het niet, dat houdinkje. Misschien is het ook het calvinistische dat er uit spreekt. Je bent op aarde om te lijden en hard te werken, en elk succesje en elke ambitie moet gedegradeerd worden tot iets wat je toevallig is toegeworpen, zonder dat je het hebt nagestreefd.

Frank Lloyd Wright heeft eens gesteld dat hij al vroeg in zijn leven de keuze had tussen ‘honest arrogance’ en ‘hypocritical humility’. ‘I chose honest arrogance and have seen no occasion to change.’ Oprechte arrogantie versus hypocriete nederigheid. Doen versus mogen doen, als dat de keuze is, dan altijd het eerste.

Valse bescheidenheid ontsiert de mens.