Hoe de Marokkaanse koning de Arabische lente overleefde

Mohammed VI, de hypermonarch

Ondanks beloftes van modernisering en openheid heerst de koning van Marokko nog altijd als een absolutistisch vorst. Zijn de protesten voor democratische hervormingen voor niets geweest? ‘Onder Hassan II zou ik nu creperen in een geheime gevangenis.’

Medium opening ap457247190395

Op een heldere ochtend in augustus kiest de privé-jet van Hassan II vanaf de luchthaven van Parijs het luchtruim. Het is 1971 en de 43-jarige koning heeft de zomer doorgebracht op de golfbaan van zijn kasteeltje nabij Senlis. Na een tussenstop in Barcelona, waar hij een lunch heeft met de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken, zet de Boeing 727 koers richting Marokko. Ter hoogte van Tetouan duiken plots zes jachtvliegtuigen op. De piloot, die van geen escorte weet, zoekt contact met de verkeerstoren in Rabat. ‘Wat doen die vliegtuigen hier?!’ roept hij. ‘Ik ben nergens van op de hoogte.’

Nog voordat de verkeersleider kan antwoorden openen drie jachtvliegtuigen het vuur. De cabine wordt doorzeefd met kogels. Een lijfwacht is op slag dood, Hassans particulier-secretaris zwaargewond. De overigen klampen zich aan hun stoelen vast. Nadat vitale leidingen en een vleugel zijn getroffen en twee van de drie motoren zijn uitgevallen, is het toestel in duikvlucht geraakt. Op tweeduizend meter hoogte slaagt de piloot erin het te stabiliseren. De jachtvliegtuigen hebben de achtervolging ingezet. Hassan, die direct naar de cockpit is gesneld, maakt zich geen enkele illusie. Het einde is nabij, of er moet een wonder plaatsvinden.

Het is niet voor het eerst dat er een aanslag op het leven van de Marokkaanse koning wordt gepleegd. Een jaar eerder, tijdens een receptie op het koninklijk domein Skhirat, richten honderden jonge kadetten een bloedbad aan onder de gasten en het personeel. De koning vindt een veilig heenkomen in de toiletten, maar na enkele penibele uren worden hij en zijn gevolg daar ontdekt. De soldaten, merendeels afkomstig uit de arme regio van de Rif, hebben aanvankelijk geen idee wie ze precies voor zich hebben. Maar plotseling herkent een onderofficier Hassan en springt in de houding. De koning neemt de bevende jongeman op, ruikt zijn kans en zegt: ‘Op de plaats rust!’ En vervolgens: ‘Waarom kus je mijn hand niet? Zijn jullie gek geworden, soldaten van het koninklijk leger, mijn kinderen!’ De soldaat valt aan de voeten van Hassan en zegt : ‘Sire, spreekt u toch niet zo luid, er zijn hier nog steeds veel lieden die u kwaad willen doen.’ Enkele uren later is de couppoging gesmoord.

Maar hoe overbluf je zes ervaren jachtpiloten? In de cockpit van de belaagde Boeing geeft Hassan opnieuw blijk van uitzonderlijke onverschrokkenheid. Het gouden idee komt deze keer van de piloot. Hij draagt de boordtechnicus op contact te leggen met de verkeersleiding in Rabat en te zeggen dat beide piloten dood zijn en dat ook de koning is omgekomen. ‘Ernstig gewond’, verbetert Hassan. Een dode koning zou betekenen dat de macht vacant was. Een gewonde koning blijft de koning. Maar met een onervaren technicus aan het stuur van een zwaargehavend vliegtuig was hem ongetwijfeld weinig tijd gegund. De technicus doet wat hem is opgedragen. ‘Ik probeer het vliegtuig aan de grond te zetten, denk aan mijn vrouw en kinderen’, vult hij over de boordradio aan. Het wonder voltrekt zich. De jachtvliegtuigen verdwijnen. De piloot weet het toestel veilig aan de grond te zetten.

Op YouTube zijn beelden te vinden waarin Hassan ogenschijnlijk kalm en onaangedaan het vliegtuig uit stapt en op de luchthaven van Rabat de gereedstaande erewacht inspecteert. Maar luttele momenten later keren de jachtvliegtuigen terug en heropenen het vuur. Hassan heeft de luchthaven dan al per auto weten te ontvluchten en zijn heil gezocht in de Libanese ambassade. Later wordt ook het koninklijk paleis gebombardeerd. Er zijn acht doden en vijftig gewonden, waaronder enkele ministers. Loyaal gebleven troepen omsingelen die avond nog de vliegbasis van Kenitra. Arrestaties en executies volgen. Hassan dwingt zijn oudste zoon, de huidige koning Mohammed VI, bij de terechtstellingen aanwezig te zijn. Dit zou hem harden – net als de stokslagen onder zijn voetzolen die Hassan hem volgens hardnekkige geruchten ten paleize met regelmaat liet toedienen.

De twee aanslagen vormden de opmaat tot de Marokkaanse Loden Jaren (1975-1991). In het buitenland ontpopt Hassan zich als charmante staatsman die op gelijke voet verkeert met de Amerikaanse en Franse presidenten. Maar binnen de landsgrenzen heerst hij als een bikkelharde en bij vlagen paranoïde despoot, daarbij geholpen door Driss Basri, de gevreesde minister van Binnenlandse Zaken. In geheime gevangenissen in de woestijn wordt naar hartenlust gemarteld. Politieke dissidentie wordt niet getolereerd. Een muur van angst wordt opgetrokken. De laatste jaren van zijn heerschappij laat hij zijn ijzeren greep op het land enigszins verslappen. Maar jaren van koninklijk paternalisme eisen hun tol. Wanneer Hassan in 1999 overlijdt, is de bevolking minstens even opgelucht als verweesd.

Zijn opvolger, de dan 36-jarige Mohammed, begint veelbelovend. Basri wordt met pensioen gestuurd en de jonge koning bezoekt de Rif, een regio die door zijn vader consequent is genegeerd. Nabestaanden van de slachtoffers van de Loden Jaren krijgen financiële compensatie en er komt een waarheidscommissie waar gemartelden hun verhaal mogen doen. Politieke émigrés worden uitgenodigd terug te keren. Ook wil Mohammed VI, of ‘M6’, zoals hij al snel wordt genoemd, zich wat regeerstijl betreft van zijn vader onderscheiden. Hij laat zich weinig gelegen liggen aan protocol, staat erop zelf zijn auto te besturen en stuurt de tientallen concubines uit de koninklijke harem met een schadevergoeding naar huis. Zijn vrouw vertoont zich – ongesluierd – in het openbaar, een première in de geschiedenis van de monarchie.

Als troonopvolger was hij vooral te vinden op de jetski voor de kust van Essaouira of in de nachtclubs aan de Champs Elysées van Parijs. Nu doet hij zich gelden als ‘koning van de armen’. Er gaat geen week voorbij of de koning opent ergens een ziekenhuis, bezoekt een jongerencentrum of een school. De nieuwe koning lijkt serieus van plan de endemische armoede van het land te bestrijden. Een nieuw tijdperk van transparantie en vrijheid wordt in het vooruitzicht gesteld. Geen journalist zal onder zijn heerschappij in de gevangenis verdwijnen, belooft Mohammed plechtig. Modernisering en openheid zijn de toverwoorden uit die beloftevolle begintijd. Hun magische klank hebben ze lang geleden al verloren. Of is er hoop? De Arabische lente heeft in Marokko weliswaar geen dramatische omwenteling teweeggebracht zoals elders in de regio. Wel kreeg een duurzame protestbeweging (Le mouvement du 20-février) gestalte en voerde de koning grondwetswijzigingen door. Verkiezingen brachten een overwinning voor de islamisten van de Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (pjd). Tegelijk is van een fin de règne weinig te merken en lijkt de macht van de koning groter dan ooit te voren. Maar hoe stevig staat zijn troon werkelijk?

‘De koning heeft Marokko op het spoor van de modernisering gezet. Maar men verwacht meer van hem’

‘Mohammed VI heeft sinds zijn aantreden veel weten te bereiken’, zegt Tahar Ben Jelloun op het terras van het luxueuze hotel, even ten westen van de stad Tanger, waar hij een deel van het jaar doorbrengt. Frankrijks meest vertaalde schrijver wijst op het sterk verbeterde wegennetwerk en het ambitieuze bouwprogramma ‘Villes sans bidonvilles’ dat ten doel heeft Marokko sloppenwijkvrij te maken.

Het is waar. Wie een stad als Tanger nadert wordt onmiddellijk getroffen door de fonkelnieuwe wijken aan de randen van de stad. Allemaal hoogwaardige sociale woningbouw. Parijs met zijn aftandse banlieues zou er volgens Ben Jelloun nog iets van kunnen leren. Ben Jelloun, die ook de Marokkaanse nationaliteit bezit, vormde tijdens het bezoek van François Hollande de verbindende schakel tussen de twee staatshoofden. Over de democratisering toont hij zich gereserveerder.

In Marokko hoorde ik daar een lange en een korte versie over. De lange is dat het land er nog niet klaar voor is. De koning doet zijn best. Het land is op de goede weg. Maar er is nog steeds te veel armoede en analfabetisme om democratie een serieuze kans te geven. Marokko zou direct ten prooi vallen aan de islamisten. De korte is dat er geen tijd te verliezen is. Ben Jelloun is van de eerste school. ‘Democratie wordt hier in homeopathische doses toegediend’, zegt hij. Te hinderen lijkt hem dat niet.

Karim Tazi is van de tweede. De zakenman wil dat de koning veel meer vaart maakt met de politieke hervormingen die hij bij zijn aantreden beloofde. ‘Te veel is bij het oude gebleven’, zegt hij in zijn rommelige kantoor in een buitenwijk van Casablanca. Tazi, net als Ben Jelloun afkomstig uit een prominente familie uit de stad Fez, is een van de zeer weinigen uit de economische elite die in 2011 openlijk Le mouvement du 20-février (M20) steunde. Hij regelde smartphones en camera’s voor de demonstranten, betaalde drukkosten voor affiches en verleende met zijn aanwezigheid geloofwaardigheid aan de bonte verzameling van stadse facebookers en provinciale islamisten. Het kostte hem naar eigen zeggen tachtig procent van zijn vrienden. ‘Maar daar kreeg ik veel nieuwe voor terug.’

Tazi spreekt laatdunkend over collega-ondernemers die liever zwijgen dan zich de toorn van het paleis op de hals te halen. Zelf kreeg hij te maken met lastercampagnes in de koningsgezinde media en werd hij lange tijd hinderlijk gevolgd. ‘Afgeluisterd word ik nog steeds, ook hier.’ Hij knikt betekenisvol naar de handvol mobiele telefoons op de rand van de sofa. ‘Zeker, Mohammed VI heeft veel gedaan om de infrastructuur van het land te verbeteren en ook spant hij zich in om het probleem van de sloppenwijken aan te pakken’, zegt hij. Tegelijk wijst hij op het analfabetisme (naar schatting veertig procent van de Marokkanen kan niet lezen of schrijven), het slechte zorgsysteem, de falende rechtspraak en de nog altijd alomtegenwoordige corruptie. ‘De koning heeft Marokko op het spoor van de modernisering gezet en nog steeds is hij een geloofwaardig vertegenwoordiger van die ambitie. Maar men verwacht meer van hem dan hij tot dusver bood.’

Tussen de vorst en de progressieve elite in steden als Rabat en Casablanca is de liefde al eerder bekoeld. ‘De democratie wordt gepredikt, maar ondertussen zijn het de vertrouwde coöptatiemechanismen die actief zijn, steeds in nauwe samenspraak met het paleis’, zo stelde TelQuel in 2008. Het toonaangevende (Franstalige) weekblad oordeelde onverbiddelijk: ‘Terwijl men de lof zingt van verdienste van goed bestuur, is de wijze van beslissen nog altijd even informeel en vindt plaats achter de rug van de ministeries om. Transparantie is tot dogma verheven, maar de cultus van het geheim duurt voort.’

Had Mohammed VI bij zijn aantreden meer beloofd dan hij kon waarmaken? Wilde de nieuwe generatie te veel ineens? Nadat bij een zelfmoordaanslag in Casablanca in 2003 tientallen doden vielen, volgde een omslag. De aanslagen toonden voor het eerst het spook van de extremistische islam op Marokkaanse bodem. Er werden vijfduizend mensen gearresteerd. In gevangenissen werd opnieuw gemarteld. Na de beloftes van democratie en transparantie speelden adviseurs van de koning nu met het idee van een bewind zoals het Tunesië van Ben Ali, waarin politieke repressie werd gecombineerd met economische liberalisering. Uiteindelijk wordt de hervormingsagenda doorgezet.

Maar tegelijkertijd duiken er in de pers allerlei zogeheten ‘rode lijnen’ op – grenzen waar de media niet overheen geacht worden te gaan. De monarchie als instituut, de islam als staatsgodsdienst en de voortslepende problematiek rond de Westelijke Sahara (sinds de jaren zeventig door Marokko bezet) gelden als no go areas. TelQuel en Le Journal Hebdomadaire, weekbladen die dit terrein regelmatig met veel aplomb betreden, krijgen te maken met drukkers die het laten afweten, kolossale boetes, smaadprocedures en inbeslagnames of zien hun advertentie-inkomsten op mysterieuze wijze verdampen.

‘De woorden en gezichten zijn veranderd, maar de praktijk van de macht is hetzelfde gebleven’

Le Journal Hebdomadaire, de meest onthullende van de twee, werd uiteindelijk in 2010 financieel de nek omgedraaid. Het blad publiceerde eerder geruchtmakende dossiers over de onafhankelijkheidsbeweging Polisario en onthulde tal van financiële schandalen. De begroting van het Marokkaanse koningshuis (150 miljoen dollar) werd breed uitgemeten, net als de woedeaanvallen van de vorst, die er niet voor zou terugdeinzen leden van zijn hofhouding fysiek te mishandelen. Mohammed VI werd consequent aangeduid als ‘de koning’ in plaats van ‘Zijne Majesteit’. Aboubakr Jamaï, de onverstoorbare oprichter van Le Journal Hebdomadaire ging na de ondergang van zijn blad demonstratief in ballingschap en begon een toer langs Amerikaanse topuniversiteiten.

Afgelopen najaar was hij even terug in Marokko. Reden: de vervolging van Ali Anouzla, de hoofdredacteur van de mede door Jamaï opgerichte website Lakome.com. De online variant van Le Journal Hebdomadaire groeide in korte tijd uit tot de op vier na best bezochte site van het land. De oprichters hadden verwacht op deze manier de censuur te slim af te zijn, maar ook hier hadden zij buiten het paleis gerekend. De site van Lakome ging op zwart; Anouzla verdween achter de tralies na onduidelijke beschuldigingen van ‘ondersteunen van terrorisme’. Hij had een link geplaatst naar een filmpje op de site van de Spaanse krant El País waarop te zien was hoe de leider van al-Qaeda in de Islamitische Maghreb (aqim) de Marokkaanse jeugd oproept zich bij zijn organisatie aan te sluiten in plaats van naar Spanje te emigreren.

Eerder onthulde Lakome dat Mohammed VI, tijdens een bezoek van de Spaanse koning Juan Carlos, gratie had verleend aan een aantal Spaanse gedetineerden. Een van hen was een tot dertig jaar cel veroordeelde pedofiel die zich aan elf Marokkaanse kinderen had vergrepen, de jongste niet ouder dan twee. Hij had er anderhalf jaar van zijn straf opzitten. De kwestie lokte in Marokko grote verontwaardiging uit en leidde tot spontane en niet eerder vertoonde demonstraties tegen de koning. Anouzla’s medestanders zien in diens arrestatie vooral een vergelding voor deze onthulling. De hoofdredacteur van Lakome is inmiddels op vrije voeten, maar wordt nog steeds door de Marokkaanse justitie vervolgd.

Hoe lang de arm van Mohammed VI is, bleek in maart dit jaar toen Ignacio Cembrero, correspondent in Rabat van El País, bekend maakte dat hij door zijn hoofdredactie is teruggehaald naar Madrid. De link van het gewraakte filmpje van aqim, waarnaar Anouzla had verwezen, was verschenen op het blog dat hij op de website van de krant bijhoudt. Of El País heeft gebogen voor de Marokkaanse druk kan Cembrero niet met zekerheid zeggen. Maar wel dat zijn overplaatsing ‘precies drie weken plaatsvond nadat de Marokkaanse regering een klacht bij de Spaanse media-autoriteiten heeft ingediend’.

‘Er is niets veranderd’, zegt Fahd Iraqi, hoofdredacteur van TelQuel, in zijn kantoor aan de Avenue des Forces Armées Royales in Casablanca. ‘De rode lijnen zijn nog precies intact. Probleem is dat niemand precies weet waar ze lopen, met het gevolg dat veel Marokkaanse journalisten zichzelf maar censureren.’ Iraqi zal het niet snel toegeven, maar ook TelQuel heeft water bij de wijn gedaan. Covers zijn een stuk minder provocatief dan voorheen. ‘De inhoud is onveranderd. Maar ik kan me het financieel niet langer permitteren dat de oplage in beslag genomen wordt’, zegt hij.

Medium par1062

Nadat zo eerst de politieke hervormingsgezindheid van Mohammed VI was getest, kwam vervolgens zijn imago van ‘koning van de armen’ onder druk. Het Amerikaanse blad Forbes schatte het koninklijk vermogen in 2009 op 2,5 miljard dollar. In 2001 was dat nog vijfhonderd miljoen. Substantieel gegroeid was de economie in de tussentijd niet. In Le roi prédateur (koning roofdier) deed de Franse onderzoeksjournalist Eric Laurent in 2012 een boekje open over de maffiapraktijken aan het hof. Zeker is dat de koning via zijn holding Société Nationale d’Investissement (sni) grote delen van de Marokkaanse economie beheerst. De bedrijven die hieronder vallen zijn samen goed voor meer dan de helft van de totale waarde van de Marokkaanse effectenbeurs. Een aantal hiervan heeft partnerschappen met grote Franse multinationals als Danone en psa.

Via aan het hof gelieerde families controleert de koning grote delen van het bankwezen. Staatssubsidies voor cement, benzine en producten als suiker, graan en olijfolie komen ten goede aan de bedrijven van de koning die grote delen van deze markt beheersen. Door klokkenluiderssite WikiLeaks vrijgegeven ambtsberichten van de Amerikaanse ambassade in Rabat stelden dat het Marokkaanse bedrijfsleven werd gecontroleerd door drie mensen: de koning en zijn twee belangrijkste adviseurs, Mounir Majidi en Fouad Ali El Himma. Laurent spreekt van een ‘economische en financiële staatsgreep’.

‘De kracht van de monarchie is haar buigzaamheid, haar vermogen om geen enkele groep buiten te sluiten’

Ondertussen presideert de koning de ministerraad, de hoge veiligheidsraad en de religieuze raad die de moskeeën bestuurt. Ook is hij de baas over het leger en de veiligheids- en inlichtingendiensten. Er is dan ook maar één conclusie mogelijk: ondanks al zijn beloftes heerst Mohammed VI nog steeds als een absolutistisch vorst en is hij rijker dan zijn vader ooit was.

Als er tijdens de Arabische lente in 2011 ook in Marokko straatprotesten uitbreken, lijkt de koning een kort moment uit het lood geslagen. Maar hij herpakt zich snel en blijkt lering te hebben getrokken uit de gebeurtenissen in Tunesië en Egypte. Daar probeerden Ben Ali en Moebarak tegen iedere prijs vast te houden aan hun almacht. In plaats daarvan stelt Mohammed VI voor om die te delen. Hij benoemt een commissie die met voorstellen over grondwetsaanpassing moet komen. Die stelt voor dat de leider van de grootste politieke partij automatisch benoemd wordt tot premier. Ook geeft de koning het recht op om het parlement naar eigen inzicht te ontbinden. Het bleek een effectieve manier om de angel uit de protesten te halen. Tijdens het referendum waarin de Marokkanen zich over de kwestie mogen uitspreken, kiest 98,5 procent van de kiezers voor de voorgenomen grondwetswijziging. Er zijn beschuldigingen van fraude. Maar belangrijker: Mohammed VI houdt woord.

Wanneer de islamisten van de pjd in het najaar van 2011 de parlementsverkiezingen winnen, voor het eerst in de Marokkaanse politieke geschiedenis, benoemt de koning hun leider, Abdelilah Benkirane, tot premier. In de brasserie in Casablanca waar de oprichters van Le mouvement du 20-février nog altijd wekelijks samenkomen is de frustratie bijna tastbaar. ‘De woorden en gezichten zijn veranderd, maar de praktijk van de macht is hetzelfde gebleven’, zegt Dalal Saddiqi, een vrouwelijke mediaconsultant van achter in de twintig. M20 wist in het voorjaar van 2011 tienduizenden mensen de straat op te krijgen om meer democratie, transparantie en sociale rechtvaardigheid te eisen. De islamisten van Al Adl hebben de beweging inmiddels verlaten; alleen de jonge progressieve intelligentsia uit Casablanca en Rabat is nu nog over.

Regelmatig organiseren zij protesten, zoals toen een tienerstel was opgepakt nadat het een foto op Facebook had geplaatst waarop het zoenend was te zien. Maar een brede volksbeweging zal M20 nooit worden. Het boek dat Saddiqi haar vriend zojuist cadeau heeft gegeven verklaart voor een niet onbelangrijk deel waarom. Het is L’Art de jouir van Michel Onfray. De Franse filosoof verwierf faam als hedonist en anarchist en staat bekend om zijn schotschriften tegen religie, de islam in het bijzonder. In het conservatieve Marokko is zo’n levensstijl gefundenes Fressen voor de spindokters van het koninklijk paleis en de tv-zenders die het controleert. Saddiqi moet erkennen dat Mohammed VI met zijn hervormingen, repressie en communicatie de protestbeweging te slim af is geweest. ‘Hij heeft ons alle wind uit de zeilen genomen.’

Ondertussen blijft de koning onverminderd populair. In Casablanca breng ik enkele dagen door in Sidi Moumen (de sloppenwijk waar de daders van de aanslagen van 2003 vandaan kwamen) en in vrijwel ieder huisje, hoe armetierig ook, is een staatsieportret van Mohammed VI te vinden. In 2009 hield TelQuel een peiling waaruit bleek dat 91 procent van de bevolking positief over hem oordeelde. Tot verbazing van velen werd de oplage – met de cover ‘le peuple juge son roi’ – door Marokkaanse autoriteiten in beslag genomen. Maar de argumentatie was consequent: de legitimiteit van de koning berust op goddelijk recht, het is niet aan het volk om over hem te oordelen.

Tijdens de protesten van de afgelopen jaren was er evenmin iemand die het hoofd van de monarch eiste. Fouad Abdelmoumni haalt er zijn schouders over op. ‘Wanneer er een dictator zit, denken mensen al snel dat dit niet voor niets is en hij dus vast wel érgens goed voor moet zijn’, zegt de mensenrechtenactivist en directeur van Al Amana, een organisatie die microkredieten op het Marokkaanse platteland verstrekt, in zijn appartement in Rabat. ‘Een groot deel van de populariteit van het vorstenhuis berust op de mythe dat alleen de koning het mozaïek genaamd Marokko bijeen kan houden.’

Voor de ingang van het mausoleum van Hassan II, aan de andere kant van de hoofdstad, verzamelen zich enkele tientallen mannen in witte gewaden met gesteven capuchons. Vanaf de zijlijn kijkt een groepje zwaar gedecoreerde heren toe. ‘De top van de dst, de Marokkaanse geheime dienst’, zegt Moulay Issam, terwijl hij ze een vluchtige blik toewerpt. De 23-jarige Issam is hier niet zomaar. Hij is een volle neef van Mohammed VI, die hier later op de dag wordt verwacht. ‘De beste koning ter wereld’, zegt hij op een toon die geen tegenspraak duldt. Issam volgt een prestigieuze mba in de VS maar is nu even op en neer. Hij wijst op de mannen in witte gewaden die nu in kleine groepjes het marmeren gebouwtje binnen gaan. ‘De makhzen’, zegt hij vol ontzag, codewoord voor de macht achter de zichtbare macht – the deep state – en in Marokko voer voor wilde complottheorieën.

Het door de Vietnamese architect Eric Vo Toan gebouwde mausoleum is gesitueerd op een klein plateau tussen Rabat en zusterstad Salé. Op de kop verrijst de roestbruine Tour Hassan. Het werk aan deze imposante minaret startte in 1196 en was onderdeel van een moskee die het grootste religieuze bouwwerk van de tot dan bekende wereld zou moeten worden. Het enkele decennia eerder gestichte Rabat was op dat ogenblik de hoofdstad van een sultanaat dat zich uitstrekte van het midden van het Iberisch schiereiland tot aan het huidige Libië. Gereed kwam de moskee nooit. De marmeren zuilengalerij werd grotendeels verwoest tijdens de grote aardbeving van Lissabon (1755). Een deel werd in de jaren zestig van de vorige eeuw herbouwd.

‘Mohammed VI is niet langer gevrijwaard van kritiek op zijn persoon. Ook dat is een fundamentele verandering’

Mohammed VI is afkomstig uit de alawieten-dynastie en claimt afstamming van de profeet. Sinds midden zeventiende eeuw heersen zijn voorvaderen over Marokko. Aanvankelijk alleen in naam, want tot het einde van de negentiende eeuw was de sultan eigenlijk permanent in conflict met de stammen in zijn rijk. Het hele jaar door was hij op reis, dan weer onderhandelend, dan weer ten strijde trekkend. Dat veranderde in 1912 met de komst van de Fransen. Opstandige stammen werden met bruut geweld onderworpen. Ook vestigden ze een moderne staatsstructuur, waarvan koning Mohammed V en vanaf 1961 diens zoon, Hassan II, zouden profiteren om hun machtsbasis te bestendigen. Toch waren ze er daarmee nog niet. Zoals John Waterbury destijds opmerkte, vormden spanning en strijd twee wezenstrekken van de Marokkaanse politieke elite van die dagen. ‘Een goed deel van de tijd gaat heen met het smeden van allianties en het onderhouden daarvan’, schreef de Amerikaanse socioloog in zijn klassieke The Commander of the Faithful (1970). ‘Terecht wordt verondersteld dat anderen hetzelfde doen en men daarom voortdurend op z’n hoede moet zijn om niet buitenspel gezet te worden.’ Waterbury sprak in dat verband van een ‘stable system of violence’.

Traditioneel ontleent de Marokkaanse monarchie haar macht aan het vermogen zich op te werpen als arbiter tussen de elkaar bestrijdende partijen. Plus elle paraît faible, plus elle est forte, zegt Mohammed Tozy, hoogleraar politicologie aan de universiteiten van Casablanca en Aix-en-Provence op een terrasje in de hoofdstad. Des te zwakker zij oogt, des te sterker zij is. ‘De kracht van de monarchie is haar buigzaamheid, haar vermogen om geen enkele groep buiten te sluiten, of dat nu de socialisten of de islamisten zijn.’ Hassan II was een meester in het verdeel- en heersspel dat dit impliceert, maar ook Mohammed VI beheerst die kunst. Ergens vorig jaar dreigde een coalitiepartner de regering van Benkirane op te blazen. De premier riep de koning op om te bemiddelen. Maar in het paleis bleef het oorverdovend stil. Laat die islamisten van de pjd maar eens stevig zweten, leek het achterliggende idee.

In het hart van de koninklijke macht staat de makhzen, zoals het staatsapparaat van de sultan werd aangeduid. ‘Opslagplaats’ betekent makhzen letterlijk. Het woord ‘magazijn’ is ervan afgeleid. In het huidige Marokko heeft het begrip mythische proporties aangenomen. Tozy maakt een wegwuivend gebaar wanneer ik het woord op de juiste manier probeer uit te spreken. ‘Het is allemaal fictie, een mythe!’ roept hij uit. Volgens de politicoloog heeft de mahkzen tegenwoordig vooral betrekking op een politieke cultuur. ‘Coöptatie is hierin belangrijker dan een verkiezing; hiërarchie gaat voor gelijkheid, senioriteit voor verdienste en voor wat hoort wat’, zo vat hij die samen. ‘Het staat voor een manier van spreken, kleden en gedragen. Wanneer je het dynamisch houdt, dat wil zeggen, homines novi toelaat, zoals Mohammed VI heeft gedaan, is zo’n systeem uiterst revolutiebestendig. Want vergeet niet: cliëntelisme staat garant voor sociale cohesie en zorgt voor een zekere herverdeling van rijkdom.’

De makhzen in engere zin bestaat ook wel, erkent Tozy. Maar die heeft dan vooral betrekking op de directe invloedsfeer van het koninklijk paleis. Die is enorm, zo mogelijk nog groter dan ten tijde van Hassan II. Mohammed VI gaf er een naam aan: ‘uitvoerende monarchie’. Ali Amar, voormalig hoofdredacteur van Le Journal Hebdomadaire en auteur van een in Marokko verboden biografie à charge tegen de koning (Mohamed VI: Le grand malentendu, 2009) spreekt onomwonden van een ‘hypermonarchie’.

Wat dat in de dagelijkse praktijk betekent, ervaren de regerende islamisten van de pjd. Anders dan de Egyptische moslimbroeders of het Tunesische Ennahda is de pjd in Marokko al twintig jaar onderdeel van het politieke landschap. En anders dan de officieel verboden organisatie Al Adl streeft de pjd niet naar de invoering van de sharia. Analisten als Tozy wijzen erop dat de macht van de islamisten hoe dan ook beperkt is, zeker na de gebeurtenissen in Egypte vorig jaar zomer. Na het echec van president Morsi is het aandeel ‘Moslimbroeders’ flink gekelderd op de Arabische politieke markt. De pjd waakt ervoor de koningsgezinde media tegen zich in het harnas te jagen.

Maar ook los daarvan speelt men in het paleis op safe. Het is een publiek geheim dat niet de bewindslieden maar de adviseurs van de koning het laatste woord hebben, zeker op de belangrijkere ministeries. Wanneer de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken het land aandoet, heeft die eerst een afspraak op het paleis voordat hij doorgaat naar het ministerie van Buitenlandse Zaken. In interviews pocht premier Benkirane dat hij vijfhonderd sleutelbenoemingen verricht en de koning ‘slechts’ 37. Maar die 37 zijn wel degene die ertoe doen.

‘Van een parlementaire monarchie zijn we in Marokko nog ver verwijderd’, zucht Abdelali Hamidine, vice-voorzitter van het partijbestuur op het hoofdkantoor van de pjd, op een steenworp afstand van de middeleeuwse stadsmuur van Rabat. ‘Het volk wil nu eenmaal dat de koning een vinger in de pap blijft houden.’ Hamidine geeft ruiterlijk toe dat het schaduwkabinet van de koning het in Marokko voor het zeggen heeft wanneer het erop aankomt. Maar over de koning zelf bij hem geen kwaad woord. Het is diens entourage die hervormingen tegenhoudt en verdere democratisering van Marokko in de weg staat, zegt hij. Het is de schuld van ‘de krokodillen’, de reactionaire krachten binnen de makhzen die alles bij het oude willen laten. Tozy relativeert. Hamidine huilt krokodillentranen, zegt hij. ‘De pjd is allang in de gesloten Marokkaanse politieke cultuur geïncorporeerd. De strijd tussen Benkirane en een koninklijk adviseur als El Himma is niets meer dan een strijd tussen hovelingen om de gunst van de vorst.’

Zijn de protesten van de beweging van de 20ste februari dan inderdaad voor niets geweest? Volgens Fedwa Misk, oprichtster van het online vrouwenplatform Qandisha, is er wel degelijk iets veranderd, al is het belangrijkste niet direct zichtbaar. ‘De muur van angst is gevallen, nog nooit werd er zo veel gedebatteerd als nu’, zegt ze in haar kantoor terwijl ze een dampende Nespresso serveert. ‘De huisvrouw, de taxichauffeur, werkelijk iedereen ventileert zijn mening. De grondwet is aangepast, al zal moeten blijken of de nieuwe bevoegdheden van het parlement in de praktijk geen dode letter zijn.’ Heel belangrijk is volgens Misk ook dat Marokkanen niet langer verwachten dat veranderingen van boven, van uit het paleis komen, maar dat er het besef is dat ze het zelf zullen moeten doen. ‘Beetje bij beetje raken we doordrongen van de enormiteit van de taak die ons wacht.’

Het omver halen van de muur van angst is ook voor Karim Tazi de meest significante verandering. ‘Onder Hassan II had ik hier niet meer gezeten’, zegt de zakenman. ‘Dan crepeerde ik nu in een of andere geheime gevangenis.’ Over de grondwetshervorming is hij minder te spreken. ‘Het debat over de vraag of die ver genoeg is gegaan, onze nationale obsessie, is grotendeels irrelevant, want waar het om gaat zijn les moeurs, de gewoonten en gebruiken, de praktijk van de macht. Politieke partijen zouden meer macht naar zich toe moeten durven trekken, maar dat zie ik nog niet zo snel gebeuren.’ Belangrijk volgens Tazi is dat de koning zijn aura van onfeilbaarheid kwijtgeraakt is, helemaal na de affaire met die Spaanse pedofiel. ‘Voorheen was er de mythe van de goede koning die slecht werd geadviseerd. Die is nu wel doorgeprikt. Mohammed VI is niet langer gevrijwaard van kritiek op zijn persoon. Ook dat is een fundamentele verandering.’

Kan een monarchie haar eigen autoritarisme overleven? Volgens prins Moulay Hicham El Alaoui, formeel derde in lijn voor de troonopvolging, is het huidige systeem niet langer houdbaar. El Alaoui, bijgenaamd ‘de Rode Prins’, brak met zijn familie en leeft sinds 2002 in exil in de Verenigde Staten. ‘In Marokko co-existeert een monarchie op basis van goddelijk recht met instituties die streven naar democratie’, stelt hij in Journal d’un prince banni (Dagboek van een verbannen prins) dat deze week in Frankrijk verschijnt. ‘Nu leidt dat tot spanningen, maar vroeg of laat zullen die twee openlijk met elkaar in conflict komen.’ Fouad Abdelmoumni wijst op de evolutie van de Europese monarchieën. ‘Er waren koningen die inbonden en overleefden en er waren er die zich vastklampten aan het absolutisme en daarmee ten onder gingen.’ De Marokkaanse monarchie heeft volgens hem uiteindelijk geen keus, wil zij blijven voortbestaan. ‘Economisch gaat het al niet al te best en het zal dankzij de crisis alleen maar slechter worden. De export stagneert; Marokkanen in Europa, in Spanje met name, raken werkloos en keren terug.’ ‘Onder een autoritair bewind gaat alles altijd goed’, citeert hij Hannah Arendt. ‘Tot het laatste kwartier.’


Beeld: (1) Mohammed VI tijdens de viering van de dertiende verjaardag van zijn koningschap. Rabat 2012 (Azzouz Boukallouch, Maroccan Royal Palace/AP). (2) Een officier kust de hand van koning Hassan II. Achter de koning kroonprins Mohammed, 1991 (Abbas/Magnum/HH).