De koning van Marokko heeft meer te doen

Mohammed VI, de laatste koning

Moet koning Mohammed VI zijn onderdanen in Nederland tot de orde roepen? Ja, vindt Frits Bolkestein. Nee, vindt de vorst zelf. Mohammed B. is een interne Nederlandse aan gelegenheid. Ondertussen ligt hij zwaar onder vuur van zowel de fundamentalisten als de vernieuwers.

Met zijn open brief aan de Marokkaanse koning Mohammed VI van 4 december in de Volkskrant en Le Figaro heeft Frits Bolkestein geen vrienden gemaakt in Rabat. «Majesteit, ik vraag u, als geestelijke autoriteit, een oproep te doen aan alle Marokkanen in Nederland, inclusief de fundamentalisten en hun verwanten, opdat zij de islamitische wet respecteren die nimmer een moord rechtvaardigt», schrijft Bolkestein aan Mohammed VI. «Een Nederlandse cineast, Theo van Gogh, achter-achterneef van de schilder Vincent van Gogh, is vermoord door een ‹moslim› die beschikt over de dubbele Nederlands-Marokkaanse nationaliteit. De moordenaar heeft een brief op het lichaam van zijn slachtoffer achtergelaten, waarin hij verklaart de moord uit naam van de islam te hebben gepleegd. Het standpunt van Uw regering luidt dat iedereen met een Marokkaanse achtergrond die in Europa woont, zijn Marokkaanse nationaliteit niet verliest. Uwe Majes teit is leider der gelovigen, derhalve van alle Nederlandse burgers die beschikken over de Marokkaanse nationaliteit. Het is van belang te onderstrepen dat de grote meerderheid van de Marokkanen zich opstelt als goede burgers. Slechts een kleine minderheid buigt niet voor de wet. Voor hen, en voor hun verwanten, kan uw woord zwaar wegen en verschil maken.»

Bolkesteins oproep wordt door de Marokkaanse regering gezien als een bruuske schoffering van de koninklijke waardigheid. Minister van Buitenlandse Zaken Taieb Fassi Fihri spreekt van «ontoelaatbare opvattingen» van de kant van de gewezen Europese commissaris. Volgens de Marokkaanse minister moet de moord op Van Gogh worden gezien als een interne Nederlandse affaire en zou Bolkestein zich beter kunnen afvragen «waarom er zich in zijn land een radicaal islamisme heeft kunnen ontwikkelen dat geheel vreemd is aan de cultuur en de waarden van Marokko». Daarnaast zou Bolkestein, aldus Fassi Fihri, moeten nadenken «over de doelen, de condities en de efficiëntie van het systeem van integratie van de buitenlandse gemeenschappen in zijn land, in het bijzonder op sociaal-economisch gebied, maar ook op dat van het onderwijs».

Al eerder, op 7 november, liet Bolkestein zich in scherpe bewoordingen uit over de verantwoordelijkheid van de koning. Toen stelde Bolkestein op de Nederlandse tv dat «de koning van Marokko zich tegen het islamitische extremisme moest uitspreken». Aan de vorst de taak ervoor te zorgen dat Marokko niet verandert in «een exporteur van moordenaars», aldus Bolkestein. Rabat reageerde toen al even verbolgen. «Volgens onze informatie betreft het hier een individu dat geboren en getogen is in Nederland, en daarom gaat het om een strikt binnenlandse aangelegenheid», aldus een Marokkaanse diplomaat over Mohammed B., de hoofdverdachte in de zaak-Van Gogh: «Marokko heeft geen enkele inspanning geschuwd in de strijd tegen het internationale terrorisme en de koning heeft bij diverse gelegenheden in het publiek de afwijkende praktijk van een obscurantistische en intolerante islam veroordeeld.»

Het is niet de eerste keer dat Marokko wordt afgeschilderd als een kweekvijver van radicaal-islamitisch terrorisme. De aanslagen op de metro van Madrid van 11 maart 2004 waren grotendeels van Marokkaanse makelij, en stonden volgens de Spaanse inlichtingendienst in nauw verband met de bomaanslagen in Casablanca die op 16 mei 2003 aan 45 mensen het leven kostten. In de Spaanse pers verschenen verhalen als zouden de aanslagen in Madrid met voorkennis van de Marokkaanse inlichtingendienst zijn uitgevoerd. Het zou gaan om een verkapte wraakneming voor de verwikkelingen rond het eilandje Perejil in de Straat van Gibraltar. Dat eilandje, niet meer dan een rotsblok, is officieel Spaans grond gebied, maar in juli 2002 werd het korte tijd bezet door het Marokkaanse leger. Het leidde tot een dieptepunt in de Spaans-Marokkaanse betrekkingen. Koning Mohammed trok tijdelijk zijn ambassadeur terug uit Madrid. Na de aanslagen in Madrid moest Mohammed VI alle zeilen bijzetten. Hij deed dat door een ware heksenjacht in gang te zetten tegen alles wat riekt naar moslimfundamentalisme. Binnen enkele maanden gingen er meer dan duizend Marokkanen achter slot en grendel. Mensenrechtengroepen klagen dat de «oorlog tegen het terrorisme» een zware domper is op de door koning Mohammed beloofde liberalisering van de Marokkaanse maatschappij.

Voor Mohammed VI, alias Ma Jetski – vanwege zijn voorliefde voor de aquatische sporten – komt de druk vanuit Europa op een ongelegen moment. Hij heeft zijn handen vol aan het pacificeren van de fundamentalistische aandriften binnen de Marokkaanse bevolking, waarvan naar schatting al dertig procent aanhanger van de radicale islam is. Onlangs legde de vorst alle partijen de eis op dat zij officieel moeten verklaren dat de godsdienst niet hun voornaamste partijvlag is – wie dat weigert zal zijn partij als illegaal bestempeld zien. Jean-Pierre Tuquoi, correspondent van Le Monde in Noord-Afrika, kwam recentelijk met een weinig flatteuze biografie van de vorst, Le dernier roi: Crépuscule d’une dynastie (De laatste koning: Ondergang van een dynastie), waarin hij stelt dat de dagen van de Marokkaanse dynastie zijn geteld als Mohammed VI niet snel overgaat tot de broodnodige hervormingen van de Marokkaanse samen leving.

Toen Mohammed VI vijf jaar geleden zijn overleden vader Hassan II opvolgde, waren de verwachtingen hoog gespannen. Men sprak over een «Marokkaanse lente», terwijl de nieuwe monarch vanwege zijn veronderstelde solidariteit met de onderliggende klassen tot «koning van de armen» werd gedoopt. Vijf jaar later zijn al die hooggespannen verwachtingen vooralsnog niet ingelost. Jean-Pierre Tuquoi: «Als Mohammed de hoop die opleefde bij het begin van zijn koningschap laat verdampen, vormt dat een ernstige bedreiging voor de monarchie.» Vandaar de titel van het boek van Tuquoi. Zijne Majesteit was not amused over het boek, dat hem neerzet als een indolente vorst die wordt verscheurd door enerzijds zijn modernistische aandriften en anderzijds zijn conservatieve instincten en gehechtheid aan zijn eigen luxe-pleziertjes.

Toch kan niet worden gezegd dat koning Mohammed stilzit. Op 15 december beginnen in Rabat de eerste openbare verhoren van de Marokkaanse waarheidscommissie. Die wordt voorgezeten door Driss Benzekri, een politiek tegenstander van Hassan II die zeventien jaar lang in de beruchte strafgevangenis van Kenitra verbleef. Aan de commissie de taak om alle vormen van staatsterrorisme in kaart te brengen zoals die sinds de Marokkaanse onafhankelijkheid van 1955 zijn bedreven. Het kan niet anders of het onderzoek van de waarheidscommissie zal nieuw licht werpen op de gedragingen van vader Hassan II als absoluut despoot in Marokko. Het feit dat zijn zoon zijn zegen aan dit onderzoek heeft gegeven, tekent de gemengde gevoelens die Mohammed VI ten opzichte van zijn vader koestert. Zo was het ook veelzeggend dat hij Abraham Serfaty, een van de bekendste politieke gevangenen onder Hassan II, een hoge post aanbood als zijn adviseur. Mohammed VI probeert zich in ieder geval van zijn vader te distantiëren, zo lijkt het. Zijn biograaf Tuquoi meldt dat Mohammed als jonge kroonprins er vaak met de karwats van langs kreeg van zijn vader. De nieuwe koning kampt met veel onverwerkt jeugdleed.

Of de Marokkaanse waarheidscommissie erin zal slagen de terreur zoals onder Hassan bedreven volledig in kaart te brengen, is de vraag. Zo lieten nabestaanden van de legendarische verzetsleider Ben Barka, die in 1965 in Frankrijk werd vermoord door de Marokkaanse geheime dienst DST – mogelijk in samenspraak met Amerikaanse, Spaanse en Franse collega’s – onlangs weten dat de commissie-Benzekri nog geen enkel contact met hen had gelegd. De affaire-Ben Barka is nog altijd een groot trauma in de Marokkaanse samenleving. Onlangs werden in de Franse pers verklaringen gepubliceerd van ex-agenten die bij de ontvoering van de Marokkaanse oppositieleider betrokken waren geweest. Volgens die getuigenissen zou Ben Barka door Hassans toenmalige vertrouweling generaal Oufkir persoonlijk zijn gemarteld in Frankrijk. Zijn lijk zou in het geheim naar Marokko zijn overgevlogen, waar het in een vat zoutzuur verdween. Deze Oufkir zou later overigens zelf op last van koning Hassan worden vermoord, na de mislukte poging tot staatsgreep van 1972.

Mohammed VI moet een moeilijke afweging maken. De hervormingen die hij in het vooruitzicht heeft gesteld, brengen noodzakelijkerwijs met zich mee dat Marokko zichzelf moet bevrijden van het trauma dat vader Hassan II met zijn wrede bewind heeft achtergelaten. Aan de andere kant moet hij de Marokkaanse troon zien te redden, en moet zich daardoor bedienen van dezelfde autocratische trekjes als zijn vader. Kritiek op de koning is anno 2004 dan ook nog steeds taboe in Marokko. Dat ondervond de Marokkaanse journalist Ali Lmrabet, hoofdredacteur van het satirische Demain Magazine. Lmrabet werd in 2001 tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld vanwege een interview dat hij in een Spaanse krant had geplaatst met een Marokkaanse republikein. Dat was tenminste de officiële reden van de veroordeling. Volgens Lmrabet was de werkelijke reden het feit dat zijn krant hoofdstukken had voorgepubliceerd uit de onvriendelijke Mohammed VI-biografie van Jean-Pierre Tuquoi. Het boek maakte in Marokko even veel indruk als in 1990 de Hassan-antibio Notre ami le Roi van de Franse journalist Gilles Perrault, dat in Marokko verboden lectuur was maar daarom niet minder gretig werd verslonden door de Marokkaanse intelligentsia. Le dernier roi geniet een zelfde cultstatus, omdat de geheimen van de Marokkaanse monarchie in Frankrijk nu eenmaal vrijelijker kunnen worden beschreven dan in eigen land.

Een andere reden voor de veroordeling van Lmrabet was volgens hemzelf de aandacht die hij had besteed aan de lotgevallen van Moulay Hicham, de neef van de koning en de tweede in erfopvolging. Moulay Hicham geldt als een progressieve kracht binnen Marokko. Nadat hij zich veelvuldig kritisch had uitgelaten over het gebrek aan democratische daadkracht bij zijn neef de koning werd Moulay ervan beschuldigd een coup te hebben beraamd in de door Marokko bezette Westelijke Sahara, waar hij een eigen koninkrijk zou hebben willen vestigen. Inmiddels verblijft Moulay Hicham in vrijwillige ballingschap in New York. «Ik verlaat Marokko om een einde te maken aan een ongezonde sfeer, want wat een open ideeënstrijd had moeten zijn is inmiddels een partij armworstelen geworden, met als inzet de nationale veiligheid», zo motiveerde hij zijn vertrek. Met het verdwijnen van Moulay Hicham verloren de mensen die hoopten op een snelle transitieperiode van Marokko een belangrijke kracht.

Journalist Ali Lmrabet zag zijn veroordeling tot vier jaar cel op voorspraak van Mohammed VI zelf gereduceerd tot zeven maanden en heeft in Casablanca inmiddels weer een nieuwe krant opgericht. Als vader Hassan II nog had geleefd, was hij zonder enige twijfel in Nacht und Nebel verdwenen in een van de vele gevangenissen in de woestijn waar Hassan het patent op had. Dat laat onverlet dat Marokko onder Mohammed VI nog kampt met tal van taboes, aldus Lmrabet: «Die taboes zijn de monarchie, godsdienst en de Westelijke Sahara. In wezen strijdt de Marokkaanse regering iedere dag om haar voortbestaan. Er is geen sprake van een politieke lijn. Het zijn alleen maar woorden. Evident dat er iets wringt in het hart van het systeem als de bewoners van het land desperaat proberen te emigreren, waardoor er jaarlijks duizenden van hen worden meegesleurd in de stromingen van de Straat van Gibraltar.»

Koning Mohammed VI is zich ongetwijfeld bewust van die misère van zijn onder danen. In Marokko werd in de jaren vijftig het woord bidonville uitgevonden voor de sloppenwijken van Casablanca, en de toestand daar is een halve eeuw later alleen maar erger geworden. Als de jonge vorst het tij wil keren, is hij verplicht tot radicale ingrepen. Maar het ontbreekt de monarch aan moed en daadkracht, zo luidt de kritiek. Niet dat hij de enige schuldige is: de politieke kaste van het land is volgens velen nog veel conservatiever dan de nieuwe koning zelf.

Toch kan niet worden ontkend dat Mohammed VI nog wel meer pijlen op zijn boog heeft als het gaat om de vernieuwing van de Marokkaanse samenleving. Zo ging hij de confrontatie aan met de geestelijke stand, die hij enerzijds voor zich innam met een royale koninklijke gift voor de ruim tweeduizend imams, en anderzijds aan de riem legde door hen te verbieden nog langer op eigen houtje fatwa’s uit te spreken. De koning geldt, als vermeend afstammeling van de profeet, ook als religieus leider van de Marokkanen. Mohammed VI eiste op grond daarvan een plaats op als president van een religieuze commissie die fatwa’s uitvaardigt. De laatste tijd was er sprake van een wildgroei aan religieuze banvloeken. In 2001 was het het kinderspelletje Pokémon dat als «satanisch» in de ban werd gedaan, terwijl de geestelijken om dezelfde redenen ook de toorn van de Heer hadden losgelaten op enkele Marokkaanse beoefenaars van heavy metal-muziek. Dit soort maatregelen maakte veel protest los onder de Marokkaanse middenklasse en viel onmogelijk te rijmen met het progressieve, eigentijdse imago dat Mohammed VI van zichzelf pleegt te koesteren.

Ook op het gebied van vrouwenrechten heeft Mohammed VI zich geroerd. In oktober 2004 kondigde hij een grootscheepse renovatie aan van de Moudawana, het Marokkaanse wetboek inzake personen-, familie- en erfrecht. Dat wetboek wordt door de fundamentalistische krachten als onaanraakbaar beschouwd, aangezien het is gebaseerd op de sharia, de islamitische wetgeving. Het gaat om maatregelen waarbij de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man wordt gewijzigd, zoals in het geval van eenzijdige verstoting, voogdijschap voor het voltrekken van het huwelijk voor een vrouw, en de scheiding van goederen bij echtscheiding. Koning Mohammed VI zelf gaf het goede voorbeeld door de ruim veertig ingezetenen tellende harem die zijn vader naliet te ontbinden, hetgeen onverlet laat dat er zware oppositie bestaat tegen de hervormingen. Mohammeds minister van Islamitische Zaken stemde in de ministerraad voor de uitvoering van het actieplan, maar mobiliseerde ondertussen de moskeeën om tegen het hervormingsplan te demonstreren. Het leidde tot een massabetoging op 12 maart 2000 in Casablanca waar meer dan 130.000 mensen op afkwamen. Daarbij werd ook de rol van de koning bekritiseerd. Het was niet de eerste keer dat Mohammed VI onder vuur van de fundamentalisten kwam te liggen. Toen hij na 11 september 2001 een dienst in de katholieke kerk van Rabat bijwoonde voor de slachtoffers van de aanslagen in Amerika, uitte fundamentalistenleider Driss Kattani ongebruikelijk zware kritiek op de vorst.

Koning Mohammed VI bevindt zich tussen twee vuren. Enerzijds moet hij de fundamentalisten in toom weten te houden, anderzijds is er voortdurend het gevaar dat het leger het initiatief naar zich toe trekt, zodat Marokko grosso modo weer verandert in de politiestaat uit de dagen van Hassan II. Daarnaast is er de steeds hoger oplopende druk vanuit Amerika en Europa om aan terrorismebestrijding te doen. Het is geen makkelijk traject. De koning zal dan ook regelmatig met heimwee terugdenken aan zijn verblijf in Amsterdam, waar hij in de loop van de jaren negentig diverse malen met zijn lijfwacht in het nachtleven werd gesignaleerd, onopvallend gekleed als iedere andere Marokkaanse jongere in de stad.