Hoofdcommentaar: Moslimhomo’s

Moho’s en relsjeiks

Het zal je zielzorger maar wezen, de cyber-imam van de Stichting Alwaqf Moslim Jongeren Holland te Helmond. Stel: je worstelt als moslimman met schuldgevoelens omdat je je vrouwelijk gedraagt en vermoedt dat je homoseksueel bent, je gooit je probleem op de website van de stichting en je krijgt dit antwoord: «Over de gevoelens die men heeft waarbij hij zich tot Homoseksuelen voelt behoren, wegens omgang met meisjes en hun gedrag te overlappen. De oplossing hiervoor is het afstand nemen van de vrouwenkringen en hun te vergezellen. Daarnaast dient hij zich tot jongeren die de recht pad volgen toe te wenden en hun te vergezellen totdat zijn manier en gedrag aangepast wordt aan islamitische aspecten.»

Dit komt niet zomaar van een doorgedraaid vertaalprogramma, het is een serieus bedoeld advies van een islamitische geestelijke. Natuurlijk, de aankomende moho (moslim-homo) die zich na een dergelijk advies niet hoonlachend in zijn kamer terugtrekt vraagt om moeilijkheden. Maar degenen die niet om moeilijkheden vragen, krijgen ze soms opgedrongen, niet in de laatste plaats door toedoen van zulke duisterlingen die islamitische jongeren aanzetten tot geweld.

Leraren voelen zich voor de klas vanwege hun homoseksualiteit bedreigd door Turkse en Marokkaanse leerlingen. Homostellen krijgen te maken met geweld op straat of in hun eigen huis. Tijdens de viering van Bevrijdingsdag bij het Amsterdamse homomonument durven Marokkaanse homo’s zich niet met naam en toenaam te laten interviewen uit angst voor vergelding uit hun eigen etnische achterban. Het opmerkelijke hieraan is dat homoseksualiteit in Turkse en Arabische kringen heel gebruikelijk is en onder jongemannen in bepaalde gebieden vrijwel algemeen aanvaard mits het niet in de openbaarheid komt. Er is zelfs een rijke verzameling volksverhalen waarin imams elkaar liefdevol onder de rokken grijpen of hun koranleerlingen de gebedshouding ook voor andere dan religieuze doeleinden leren benutten.

In ons land is het sinds de jaren zeventig gewoonte alles in de openbaarheid te gooien, en daar wringt voor de imams natuurlijk de slipper: dat is fitna, de chaos waarin de duivel zijn slag slaat en de gelovigen van het rechte pad af brengt.

Geweld tegen homo’s is verboden en moet zoals alle vormen van geweldpleging worden vervolgd, maar wat moeten we beginnen met de achterliggende opvattingen? Sheik Khalil el-Moumni die vorige week in Nova zei dat homoseksualiteit een schadelijke ziekte is, staat niet alleen.

Zulke onverlichte geluiden zijn uit islamitische kringen in ons land vaker te horen. Het cv van de cyber-imam vermeldt niet waar hij zijn bul heeft behaald, maar het zou best eens de Islamitische Universiteit Rotterdam kunnen zijn. De rector van de IUR, Ahmet Akündüz, verkondigde vorig jaar dat mannen hun vrouwen mogen slaan, terwijl zijn collega Kailani het humane standpunt uitdraagt dat homo’s niet dood hoeven maar enkel moeten worden opgesloten totdat zij zijn genezen.

Het openbaar ministerie onderzoekt of de uitlatingen van el-Moumni kunnen worden vervolgd, maar dat zou een slechte les in burgerschap voor onze medelanders zijn. Het bestraffen van controversiële opvattingen hoort niet thuis in het takenpakket van een democratische overheid. Onze vrijheid van meningsuiting is weliswaar beknot door anti-discriminatiewetgeving en het OM kan zulke uitlatingen in principe vervolgen, maar het hoeft ze niet te vervolgen en dat is veruit het verstandigst. Zulke gedachtencontrole eindigt vroeg of laat met het weren van Nobelprijswinnaars uit bibliotheken.

Om de gemoederen te sussen heeft minister Van Boxtel besloten de ergste relsjeiks op de koffie te noden en hen te wijzen op de «wetten en waarden van dit land». Dat is al een betere aanpak, met dien verstande dat het geven van geestelijke leiding ook al niet behoort tot de taken van de overheid. Het indammen van maatschappelijk geweld is een taak van de overheid, het indammen van intolerante opvattingen is een taak van de burgers zelf. Hoofdredacteur Krol van de Gay Krant zou el-Moumni niet voor de rechter moeten slepen zoals hij van plan schijnt te zijn, maar hij zou in het openbaar met hem in debat moeten gaan, niet over homoseksualiteit maar over het achterhaalde leergezag van imams, over de onwrikbare koraninterpretaties die zij erop nahouden en natuurlijk over zin en onzin van de godsdienst, want daar begint alle ellende mee.

«Ik vraag me af wat die imam hierover te zeggen heeft», zei een Marokkaanse homo in de Volkskrant, «God beslist.»

Dat is nog maar de vraag.