Toneel

MOKERSLAG

TONEEL De geschiedenis van de familie Avenier (4 en slot)

Pas komend najaar, wanneer de hele serie De geschiedenis van de familie Avenier in een aantal steden achter elkaar zal worden gespeeld in een tijdsbestek van een volle dag, zal de impact en de invloed van deel 4, kortweg WIJ geheten, met terugwerkende kracht zichtbaar worden. Na de bittere wederopbouwhumor in deel 1 (De ontdekking van de wereld) had auteur Maria Goos de bezinning en rust rondom de lijkbaar van stamvader Jan in deel 2 (De ontdekking van de ziel) hard nodig. De scherpe komedietoon en het ‘graaicynisme’ in deel 3 (IK – zie De Groene van 4 april) zijn godsonmogelijk te overstemmen.

Dus kozen auteur Goos en regisseur Jaap Spijkers van Het Toneel Speelt in deel 4 (WIJ) voor een bijna serene contemplatie op een leeg toneel. In het tekstboek staat dat de toeschouwers in de pauze tussen de delen 3 en 4 rustig in de zaal kunnen blijven zitten, om te zien hoe een realistisch decor (Thomas Rupert) wordt ontmanteld en verandert in een lege vlakte. Geen toeschouwer doet dat natuurlijk – na twee uur toneel met nog twee uur in het vooruitzicht wil je wel even de benen strekken. De aanblik bij terugkomst is verpletterend. Het kale, in clair-obscur uitgelichte speelvlak wordt omzoomd door hoge donkere gordijnen.

Het is het jaar 2000, nieuwjaarsdag. ‘Stammoeder’ Rita, negentig nu, crosst met haar elektronisch karretje in het verzorgingstehuis dwars door de familiegeschiedenis. Iedereen komt op bezoek, ook de mensen van gene zijde. De familiegeschiedenis wordt gereconstrueerd, in flarden, stukjes leven, tranches de vie, die Rita uit de historie scheurt en laat dwarrelen op een met lijm ingesmeerd doek, als een collage van Matisse. Tegen iedereen die het maar horen wilde vertelde Maria Goos dat ze in haar loopbaan nog nooit zoiets heeft geschreven. En ik geloof haar graag. Tekstueel is hier sprake van een wonderlijke mix van Maeterlinck (De indringer), een late Strindberg (Naar Damaskus, elders op het toneelrepertoire) of een hoorspel van Beckett (Allen die vallen). Rita (Marisa van Eyle) is in haar scootmobiel de verbindende schakel (‘Ik mag dan misschien wel wat los in de pan zijn, maar wat ik zie zie ik’). De hele familie komt bij haar langs of schuifelt aan haar voorbij, dwaallichten in het moeras van een definitief afgesloten geschiedenis, waarvan die dwaallichten maar geen afscheid kunnen nemen.

Het levert beeldschone scènes op. Zoals die tussen Christ (Gijs Scholten van Aschat) en Pieternel (Carine Crutzen). Ze zijn in de loop van die halve eeuw door alle wateren gewassen: een kroeg die niet meer liep, geëmigreerd naar Australië, teruggekeerd en hun potje meegeblazen in de stoompot van de seksuele revolutie, hard gewerkt in de witgoedketen van Janus en uiteindelijk hun zuur verdiende geld zien verdampen in een lucratief bedoelde maar hopeloze belegging. In een scène zoals alleen Maria Goos die kan schrijven, overzien ze hun leven, maken de balans op en concluderen dat ze dwars door alle stormen heen ongelooflijk veel van elkaar zijn blijven houden.

Het is zo’n scène die je de adem in de keel doet stokken, zo’n scène waarvan je denkt: misschien is toneel hier ook wel een beetje voor uitgevonden. Een mokerslag. Afgesloten met een tekst die haaks staat op het meedogenloze gevoel dat ieder abrupt einde van magie kenmerkt: ’t is afgelopen, naar huis jullie allemaal! Rita: ‘Jullie moeten zekers ook ergens naartoe. Jullie moeten zekers ook weg. Jullie hebben zekers ook een druk leven. Jullie gaan zekers zo nog wat drinken. Gezellig.’

Het Toneel Speelt, De geschiedenis van de familie Avenier 3 en 4, overal in het land te zien tot medio juni