De koloniale leeslijst

Molen en palmboom

Met de Max Havelaar zou Multatuli Nederland van het koloniale denken hebben bevrijd. Maar met de roman was de dekolonisatie niet voltooid. Die moest nog beginnen.

Moeten we Multatuli, pseudoniem van Eduard Douwes Dekker (1820-1887), van zijn canonieke sokkel trekken? © Stadsarchief Amsterdam

Sinds kort ligt er in de Nieuwe Kerk in Amsterdam een grote grijze steen met in de rechterbovenhoek een fonkelende groene edelsteen. Aan de onderkant een zin: ‘Ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht No 37’. De plaat (ontworpen door kunstenaar Jeroen Henneman) werd begin dit jaar door koning Willem-Alexander onthuld ter ere van de tweehonderdste geboortedag van Multatuli. In het arduin staan een molen en een palmboom gegraveerd, die netjes beeldrijmen met hun vier wieken en bladeren en verbonden worden door de naam van de schrijver.

De steen, de koning, de kerk: Max Havelaar is een hoogtepunt uit het Nederlands cultureel erfgoed. De scherpe kantjes gaan er in zo’n proces van nationaal eerbetoon vanaf, en dat is niet zo vreemd, want de misstanden waar Multatuli tegen ageerde bestaan niet meer, althans niet in die vorm. Wat overblijft is bewondering voor zijn taalvirtuositeit, en een tevredenheid over het Nederlandse vermogen om haar felste critici de hoogste eer te bewijzen. Typerend voorbeeld van dat laatste: Femke Halsema wierp zich in 2007 op als ambassadeur voor Max Havelaar in de verkiezing van Het Beste Boek door NRC Handelsblad. Zij schreef toen: ‘Droogstoppel (…) en assistent-resident Havelaar (…) zijn de twee archetypische zielen in de Nederlandse borst. Materialistisch en gericht op het eigen gewin, maar ook moralistisch, idealistisch en doordrongen van de noodzaak om collectief onrecht te bestrijden. Meer dan welk geforceerd naturalisatieritueel ook, vormt het niet aflatende conflict tussen deze twee zielen de kern van de Nederlandse identiteit.’ Max Havelaar wordt zo het bewijs dat Nederland de kritiek op zijn eigen kolonialisme al geïncorporeerd heeft, helemaal tot in de nationale identiteit.

Dat beeld wordt ook aan een nieuwe generatie doorgegeven. Max Havelaar is voor scholieren dé manier om iets te leren over het negentiende-eeuwse Nederlandse koloniale verleden. Op canonvannederland.nl, waar de vensters van de Nederlandse geschiedeniscanon zijn verzameld, vinden we Max Havelaar terug als een werk dat ‘het verzet tegen het kolonialisme [voedde]’ en dat een aanklacht was tegen de uitbuiting van de Indonesische bevolking. Literatuurgeschiedenis.nl, een platform voor de middelbare school dat is gemaakt door universitair docenten en onderzoekers, kent de roman de status van een Nederlandse Oom Tom toe. Er valt te lezen: ‘Het is weliswaar door een blanke auteur geschreven, maar het beziet de situatie vanuit het oogpunt van de inlander.’ Ook deze interpretaties van Max Havelaar passen goed bij het zelfbeeld van Nederland als een zelfkritische natie, waarin de gekoloniseerden een stem krijgen en het perspectief van de kolonisator probleemloos overstegen kan worden.

Deze omgang met het literaire verleden speelt niet enkel rond Max Havelaar. Ook aan De stille kracht van Louis Couperus en Oeroeg van Hella Haasse wordt een visionaire blik toegeschreven, alsof de auteurs het einde van het koloniale tijdperk en de koloniale denkwijze al voorvoelden, ver voordat in de rest van Nederland de geesten daar rijp voor waren. Toneelgroep Amsterdam, die De stille kracht voor toneel bewerkte, noemt het boek ‘een visionaire roman’. Haasse’s roman zou zelfs een innere Dekolonisation laten zien, althans volgens de lezing van de Leidse letterkundige Peter van Zonneveld. Max Havelaar, De stille kracht en Oeroeg zijn samen de ‘Grote Drie’ van het koloniale literair erfgoed: de werken worden verfilmd, voor toneel bewerkt, tot strip gemaakt, in modern Nederlands hertaald, op scholen gelezen et cetera.

Zet je deze drie literaire werken op een rijtje, dan valt op hoe weinig zicht je als lezer krijgt op de Indonesische kant van de zaak. Max Havelaar gaat van voor tot achter over de denkbeelden van Havelaar. Het boek suggereert dat Havelaars beroemde toespraak aan de hoofden van Lebak diepe indruk maakt op de Javaanse hoofden. Dat mag zo zijn, als toehorend publiek functioneren ze vooral als een passieve spiegel voor de briljante welbespraaktheid van Havelaar. In De stille kracht worden Javanen structureel met wajangpoppen vergeleken. Geheel volgens het stereotiepe denkschema uit Couperus’ tijd wordt in de roman benadrukt dat de zielenroerselen van de ‘Oosterling’ ontoegankelijk zijn voor de rationele westerse koloniaal. Oeroeg eindigt met de vergelijking tussen de Javaanse jongen Oeroeg en het Zwarte Meer: allebei niet te peilen. Telkens staat Europese welbespraaktheid tegenover een ondoorgrondelijke stilte van de gekoloniseerde bevolking.

Zet een stap buiten deze vertrouwde literaire traditie en die veronderstelde stilte blijkt niet te hebben bestaan. Wat te denken bijvoorbeeld van het pamflet Als ik eens Nederlander was van Soewardi Soerjaningrat (pseudoniem van Ki Hajar Dewantara)? Dat verscheen in 1913 naar aanleiding van het eeuwfeest van de Nederlandse onafhankelijkheid van Frankrijk. Soerjaningrat vraagt zich sarcastisch af waarom Indonesiërs aan die festiviteiten mee moeten betalen terwijl ze onderdrukt worden door de Nederlanders, waarbij hij tegelijk fijntjes duidelijk maakt dat hij als Indonesiër geen gelijke rechtspositie heeft. Hij schrijft: ‘Nee, voorwaar, als ik Nederlander was, ik zou nimmer zulk jubileum willen vieren in een door ons overheerscht land. Eerst dat geknechte volk zijn vrijheid geven, dan pas onze eigen vrijheid herdenken.’ Het pamflet moest door mensen als kunstenaar Wendelien van Oldenborgh en cultuurhistoricus Tessa Lobbes onder het stof vandaan worden gehaald en is vooral bij specialisten bekend, maar het verdient bredere bekendheid. Of de Nederlandstalige brieven van Kartini (1879-1904), waarin ze haarscherpe kritiek levert op de benarde positie van Indonesische vrouwen in de kolonie? Internationaal bekend geworden als een feministisch icoon, maar in Nederland al decennia niet meer in druk verschenen.

De Nederlandse romans worden alleen maar interessanter als we ze niet langer zien als het alfa en omega van koloniale zelfkritiek, maar in confrontatie met die stemmen die lange tijd onderbelicht bleven. Dat zou meer zicht kunnen geven op die aspecten van het koloniale verleden die nog altijd pijnlijk of confronterend zijn. Om te beginnen: wat heeft Multatuli nu precies te zeggen over emancipatie en verzet, en wat zijn de grenzen van zijn maatschappijkritische visie? En verder: wat gaan we zien als we zijn emancipatoire opvattingen lezen in een mondiale context?

Multatuli beschouwde erotiek en emancipatie als twee loten aan dezelfde stam. Dat had alles te maken met zijn eigen strijd tegen het protestantisme. In zijn zeven bundels Ideen (1862-1877) zou hij keer op keer betogen dat de mensheid zich enkel kan bevrijden uit haar onmondigheid en onwetendheid als er een einde komt aan de beknotting van een door de erotiek aangedreven nieuwsgierigheid. Omgekeerd: wie de mens leert zijn seksuele verlangens te knevelen en te loochenen, zoals de geïnstitutionaliseerde religies al eeuwenlang deden, moet niet verbaasd zijn als ook de politieke en maatschappelijke orde op onderdrukking en huichelarij gebouwd wordt.

Multatuli probeerde dus te doorgronden uit welke dieptelagen van de psyche een verlangen naar emancipatie opwelt. Toch is het geen detail dat hij zijn werken publiceerde tussen 1860 en 1880. De eerste feministische golf kwam daarna pas op gang, evenals het Indonesische streven naar nationale onafhankelijkheid. Een politieke vuist konden die stemmen-van-onderop ten tijde van Multatuli’s actieve carrière als schrijver nog niet maken. Hij kon zich daarom vrijelijk overgeven aan de heerlijke fantasie dat die onmondige en onderdrukte groepen – zowel de jonge vrouwen als de gekoloniseerde volkeren – zijn kant op emanciperen. Minnebrieven is een ode aan de vele opstandige jonge vrouwen die Douwes Dekkers alter ego Multatuli als hun ultieme seksuele bevrijder beschouwen, dwars tegen de verboden van hun burgerlijke ouders en voogden in. In zijn correspondenties met vrouwen beweerde de schrijver dat de ‘geknevelde Javanen’ hem tot ‘keizer van Insulinde’ gaan kronen, mits het hem lukt een leger op de been te brengen om Indië te bevrijden. Zouden alle verliefde meisjes die taak niet op zich willen nemen? Hij mocht er graag over mijmeren.

Ook in Multatuli’s werk is er een zwijgen over seksuele uitbuiting – het beeld van hem als aanklager van burgerlijke hypocrisie kantelt

Dat er geen verschil zou zitten tussen de erotische bevrijdingsfantasieën van de verlichte Europese man en de verlangens en belangen van de groepen die altijd door dat type man onderdrukt waren geweest, is een fictie. Multatuli noemde zichzelf graag een ‘Don Quichot’. Zijn psychologisch zelfinzicht was, kortom, groot en scherp genoeg om te weten dat hij zich aan een fantasma overgaf als hij zich de reddersrol aanmat. Hij leefde in zijn complex vormgegeven literatuur zijn dagdroom van verlicht heroïsme uit, en hij ontmantelde deze. Toch: ironisch zelfcommentaar is één ding. Een politieke beweging die zich niet langer centreert rond het innerlijke drama van progressieve witte mannen een ander.

De reddersfantasie zie je ook geactiveerd worden in Max Havelaar. Assistent-resident Havelaar haalt na aankomst in Lebak herinneringen op aan zijn moeilijke tijd als overambitieuze ambtenaar. Hij worstelt dus met zijn onvermogen zich te emanciperen boven of buiten het beklemmende ambtelijke apparaat. In die anekdotes komen we Si Oepi Keteh tegen, een dertienjarig meisje uit een adellijke Sumatraanse familie. Ze wordt in de roman herhaaldelijk ‘het kind’ genoemd; in een voetnoot uit een latere editie noemt Multatuli haar ‘een van mijn eerste liefdes’. In de roman wordt verder niet benoemd of de verhouding een seksuele was. Als Havelaar aan het meisje vraagt wat haar diepste wens is, herhaalt ze dat ze doet ‘wat toewan zegt’ en ‘wat haar vader verkiest’. Hij ergert zich aan die deemoedige ondergeschiktheid van het meisje, en om zichzelf te vermaken vertelt hij aan haar de filosofische parabel van de Japanse steenhouwer. Het ‘inlandse’ kind functioneert zo als een volstrekt passieve spiegel voor de zelfreflecties van een idealistische Europeaan.

Maar al die Si Oepi’s die buiten de literatuur bestonden, wat gebeurde er met hen? Marion Bloem laat in haar recente boek Indo zien welke structurele vorm van seksuele slavernij er bestond in de toenmalige kolonie: meisjes van amper twaalf, dertien jaar, werden ‘weggegeven’ aan Nederlandse kolonialen, soms omdat de familie aan een financiële schuld tegemoet moest komen, soms in de hoop zo het koloniale bestuur gunstig te stemmen. Haar eigen overgrootmoeder was dat lot beschoren. Eerder schreef Reggie Baay al in De njai (2008) over deze praktijk. Met de kennis van Bloem en Baay in het achterhoofd kantelt het beeld van Multatuli als de grote aanklager van de burgerlijke hypocrisie: er is ook in zijn werk een zwijgen over seksuele uitbuiting. De stilte zorgt ervoor dat het conflict tussen de seksuele machtspositie van Havelaar en zijn idealistische heldendom aan het zicht wordt onttrokken.

De passage over Si Oepi Keteh is relevant, maar niet om nu alsnog de staf te breken over een negentiende-eeuwse schrijver. Eerder laat deze kwestie zien dat één schrijver nooit het gehele complex van koloniale uitbuiting kan blootleggen. Het is pas recent dat schrijvers als Reggie Baay en Marion Bloem structureel meer ruimte krijgen in het publieke debat en dat academici als Gloria Wekker (met haar boek Witte onschuld) en Nancy Jouwe (verbonden aan het project Mapping Slavery), een breder publiek hebben kunnen bereiken. Ze laten zien hoe beperkt de weergave van koloniale geschiedenissen lange tijd is geweest.

Dat Nederland de kolonialismekritiek via zijn literaire canon al geïnternaliseerd zou hebben is meer mythe dan werkelijkheid. Maar moeten we dan nu Multatuli van zijn canonieke sokkel trekken? Nee, niet echt, al helpt het om niet alleen te vragen wat hij heeft betekend voor de Nederlandse literatuur, maar ook voor emancipatiebewegingen die mondiaal opereerden. Een interessante demonstratie van zo’n internationale blik geeft Benedict Anderson, gespecialiseerd in het Aziatisch bevrijdingsnationalisme, in zijn studie over antikoloniale verbeelding uit 2005. Hij citeert de Filippijnse onafhankelijkheidsstrijder José Rizal (1861-1896), die in 1886 Noli mi tangere publiceerde en kort daarna in aanraking kwam met Max Havelaar. Een kwart eeuw na verschijnen was hij diep onder de indruk van Multatuli’s roman. Rizal herkende de gelijkenissen met zijn eigen werk: net als Multatuli schreef hij over een idealistische held die iets wil doen aan onderdrukking. Anderson acht het niet onwaarschijnlijk dat Rizal zich sindsdien heeft laten inspireren door Multatuli.

Wie in ieder geval geïnspireerd was door Multatuli, was Pramoedya Ananta Toer (1925-2006). De Indonesische auteur, die door Nederland gevangen was gezet vanwege zijn betrokkenheid bij het Indonesisch nationalisme, noemde de roman, niet vies van enige overdrijving, ‘the book that killed colonialism’. Tessa Leuwsha schreef in deze reeks een inzichtgevend stuk over de feministische thematiek bij Ananta Toer. In zijn Buru-tetralogie beschrijft hij hoe de diepgewortelde racistische structuren van het koloniale bewind zo rond 1900 een nieuwe zelfbewuste generatie Indonesiërs aanzet tot een streven naar nationale onafhankelijkheid. Het Nederlandse koloniale rechtssysteem was alleen toegankelijk voor diegenen die als ‘Europeaan’ erkend werden. Een Nederlandse (Europese) familie kon, als ze dat wilde, kinderen van een gemengd ouderpaar bij de zogeheten ‘inlandse’ moeder weghalen en in de kolonie in een weeshuis onderbrengen, of naar Nederland halen. Het overkomt het personage Njai Ontosoroh in Aarde der mensen, deel één van de tetralogie. Ontosoroh verzet zich echter en besluit de beslissing bij de rechter aan te vechten, dwars tegen de raciale scheidslijnen in – maar tevergeefs. Hoofdpersoon Minke, een idealistische Multatuli-adept en afkomstig uit de Javaanse adel, blijft ontluisterd over het Europese verlichtingsideaal achter.

De boeken zijn in Nederland meteen na verschijnen in de jaren tachtig wel uitgegeven en gelezen, maar ze zijn zelden beschouwd als literatuur die onderdeel moest of kon uitmaken van een Nederlandse herinnering aan het koloniale verleden. Ze kwamen uit in een reeks bij Novib onder de noemer ‘derdewereldliteratuur’. Die reeks was en is van belang, omdat op die manier werk dat anders niet in vertaling beschikbaar zou zijn onder de aandacht kan komen. Tegelijkertijd ontstaat er zo een pijnlijke scheidingswand tussen auteurs die je eigenlijk in samenhang moet lezen: hier de hooggewaardeerde Nederlandse literaire canon, daar de ‘derdewereldliteratuur’.

Naast Ananta Toer en Rizal is er een indrukwekkende lijst aan internationaal denkende activisten, politici en cultuurcritici te noemen die een lijntje met Multatuli hebben. Lenin en Freud (die Multatuli’s noties over de erotische nieuwsgierigheid volledig onderschreef) zijn op die lijst ongetwijfeld de twee beroemdste. Zij kregen Multatuli niet toevallig in handen: allebei stonden ze in contact met een internationaal netwerk van vrijdenkers, socialisten, anarchisten, andersoortig bontgekleurde wereldverbeteraars en, last but not least, vrijheidsstrijders uit gekoloniseerde gebiedsdelen. Het was deze gemêleerde groep lezers die Multatuli’s werk vertaalden en als Geheimtipp aan elkaar doorspeelden. Ook binnen Nederland waren wereldverbeteraars de drijvende kracht achter heruitgaves en studies over zijn werk. Voor mensen als Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst was Multatuli dé vormende auteur uit hun jeugd. Het is niet toevallig dat beide dichters een socialisme ontwikkelden dat nadrukkelijk anti-imperialistisch was; in hun netwerk zaten veel Indonesische communisten. Indonesische nationalisten lieten zich inspireren door Multatuli en waren er op hun beurt maar al te bewust van dat ze geen geïsoleerde strijd voerden, maar deel uitmaakten van een grote verschuiving op het wereldtoneel, met bewegingen in onder meer de Filipijnen, India, China en Egypte. Max Havelaar is in dat licht niet langer de hoeksteen van een inherent antikoloniale Nederlandse ‘volksaard’, maar een van de vele knooppunten in een fascinerend wereldomspannend netwerk van schrijvers, denkers en activisten.

MaxHavelaar kunnen we relevant houden door de driehoek van de molen, palmboom en smaragd te doorbreken en op te rekken tot een netwerk van lezers dat de wereld omspant, dat langs katoen en tabak voert en ons verbindt met suiker en Shell. Want met Max Havelaar was de dekolonisatie niet voltooid, maar moest ze nog beginnen. Wie verder kijkt dan het strikt Nederlandse een-tweetje tussen Droogstoppel-de-handelaar en Multatuli-de-wereldverbeteraar ontdekt Ananta Toer en Soerjaningrat, Bloem en Baay, Rizal en Roland Holst, De Kom en Gorter. Dan houden we geen Nederland over dat al vér voor de rest van de wereld toe was aan zelfkritiek, maar een Nederland dat precies die veelheid van stemmen blijvend nodig heeft om voorbij een zelftevreden omgang met het koloniale verleden te komen.

De koloniale leeslijst

Afgelopen zomer herlazen we Nederlandse schrijvers die over ons koloniale heden en verleden schreven, zoals Albert Helman, Frank Martinus Arion, Marion Bloem en Louis Couperus. In onze slotaflevering beschouwen we de invloed van Multatuli en diens Max Havelaar. Begin 2021 publiceren we in samenwerking met Das Mag De nieuwe koloniale leeslijst.


In de papieren Groene werd abusievelijk vermeld dat Nancy Jouwe projectleider is van Mapping Slavery. *Het project wordt echter geleid door Dienke Hondius.