Molly

Toen ik twintig was studeerde ik een jaar in Dublin. Het was 2008, de pleuris was uitgebroken op de financiële markten en de Ierse economie stortte als een kaartenhuis in elkaar.

Mijn dagen bracht ik grotendeels door in de universiteitsbibliotheek, deels omdat ik een ongekende hoeveelheid papers moest schrijven, deels omdat ik nergens anders heen kon. Met twee anderen bewoonde ik een minuscuul appartementje aan de rand van de stad, boven een Lidl die voornamelijk halve liters verkocht aan omwonenden. De douche zat vol zwarte schimmel, de huisbaas denderde om de zoveel tijd binnen om te dreigen dat hij onze borg zou houden, mochten we ook maar de geringste schade toebrengen aan het aftandse meubilair. Omdat er maar twee slaapkamers waren, deelde ik de mijne met Claire, een hartelijke Amerikaans-Ierse uit Ann Arbor, Michigan die een hardnekkig katholiek schuldcomplex had geërfd van haar Ierse moeder.

De andere slaapkamer, en de ruimte die moest doorgaan voor woonkamer – een hokje met een skaileren tweezitsbank en een televisie – werden in beslag genomen door Molly. Molly was een vriendin van Claire uit Ann Arbor, die recentelijk was ontslagen en gedumpt door haar geliefde. Claire, ruimhartig, naïef, had haar voorgesteld een paar maanden naar Dublin te komen om haar zinnen te verzetten. Van wat min of meer haar laatste geld was kocht Molly een vliegticket. De weken erop zocht ze naar werk; eenvoudige baantjes in winkels, restaurants, pubs. Nergens kon ze terecht. Hele dagen lag ze op de bank naar oude afleveringen van Friends te kijken. Ze at kommen witte rijst die ze veel te gaar kookte en grote hoeveelheden mierzoete, met vloeibare witte suiker gevulde chocolade-eieren. Af en toe trakteerde Claire, die fulltime achter de ticketbalie van een variététheater werkte, haar op een pint Magners in de pub om de hoek. ’s Avonds, vanuit mijn bed een meter van het hare, hoorde ik haar zachtjes bellen met haar moeder. I feel so guilty, zei ze, so, so guilty.

Dublin leek al gauw een ­luchtspiegeling; ik was een bevoorrechte passant

Ik had al jaren niet meer aan Molly gedacht, en het verbaast me hoe gedetailleerd ik alles nu voor de geest kan halen, niet alleen haar, maar de hele sfeer van dat jaar. De sluier van somberte die over de stad hing, mijn studentenschuld die iedere maand bijna duizend euro groter werd (ook ik had een paar weken lang vruchteloos met mijn CV door de stad gelopen), de eindeloze rekensommen tegen het einde van iedere maand, maar ook al dat andere: de nachten in pubs, de Sunday roasts, het treintje naar Dun Laoghaire, de zee, Happy Days in het Abbey Theatre, Ulysses overal.

Al die schijnbaar vergeten dingen kwamen bij me terug toen ik Sally Rooney’s tweede roman Normal People las, die zich voornamelijk afspeelt rondom Dublins Trinity College. Rooney volgt Marianne en Connell, die elkaar kennen van de middelbare school in Sligo en naar Dublin trekken om er te studeren. De roman onderzoekt, grotendeels subtiel, de complexe en veranderende dynamiek tussen Marianne en Connell, die zich onweerstaanbaar tot elkaar aangetrokken voelen maar elkaar (surprise!) voortdurend door de vingers glippen. De roman focust op de asymmetrieën tussen de twee: Connell was populair op school, Marianne had geen vrienden; Connell is lower class, Marianne upper; Connell heeft een liefhebbende moeder, Marianne een lange geschiedenis van mishandeling; Connell heeft het zwaar in Dublin, Marianne maakt er voor het eerst vrienden – enzovoort.

Onlangs verscheen er een uitgebreid profiel van Rooney in The New Yorker. Meer dan een Ierse schrijver, merkt de journalist op, is ze een millennial, en meer dan een millennial is ze een ‘post-recessionary’ – een schrijver, dus, wier leven en wereldbeeld is gevormd door de economische crisis. Rooney’s vader raakte zijn baan kwijt tijdens de recessie, en ze vertelt over de vervreemding die ze voelde toen ze zelf op Trinity terechtkwam, razend intelligent maar overduidelijk behorend tot een heel andere klasse dan haar medestudenten, met vaders die de crisis niet figuurlijk maar letterlijk hadden veroorzaakt. Het is deze vervreemding die resoneert in de roman, die misschien meer dan wat dan ook gaat over de implosie van een almachtig economisch systeem (ook figuurlijk).

Na anderhalve maand vond Molly een baantje als verkoopster bij een Hallmark-winkel. Twee weken later sloot de winkel haar deuren. Molly ging terug naar Michigan, zonder al te veel hoop dat het daar beter zou zijn. Met Claire vierde ik de triomf van Barack Obama. Een paar maanden later studeerde ik af. Terug in Amsterdam kon ik meteen mijn eigen kamer weer in. Ik vond mijn eerste echte baan. Dublin leek al gauw een luchtspiegeling, en pas nu kan ik ten volle zien waarom: ik was een bevoorrechte passant. Voordat de ramp me kon raken, stond ik al weer veilig aan de overkant.