Molukkers tijdens WO II

Molukkers in de oorlog

Op de avond van de dodenherdenking in de Nieuwe Kerk in Amsterdam spreekt Ernst Jansz namens de Indische Nederlanders. De vader van Jansz zat in het Indische verzet. Relatief veel Indo’s en Indonesiërs streden tegen de bezetter. Dat gold ook voor de piepkleine Molukse gemeenschap in Nederland. Hun verhalen zijn tot nog toe nooit gepubliceerd.

Medium 01 v k

Toen de Duitsers na de capitulatie de gevangenis verlieten, werd in het beruchte Oranjehotel in Scheveningen op de muur van cel 315 de tekst van een Moluks liedje aangetroffen. ‘Ombak poetih poetih / Ombak datang dari laoet’ luiden de eerste regels. Het is een liedje vol heimwee. Vertaald klinken de regels als: ‘Zwaai met je witte zakdoek / Het land Ambon is al ver weg.’ Wie had dit geschreven? Heeft er ooit een Molukker vastgezeten in deze gevangenis? Ja. Zelfs twee. Student Pim Kikijuluw en kapitein Eddy Latuperisa. Al woonde er nog maar een handjevol Molukkers in Nederland, toch waren er opvallend veel van hen actief in de illegaliteit. Kikijuluw was student aan de Technische Hogeschool in Delft. Hij bracht slechts twee dagen door in het Oranjehotel voordat hij werd afgevoerd naar Vught. Zoals nagenoeg alle Molukkers had hij geweigerd de loyaliteitsverklaring aan de Duitsers te tekenen. Na zes weken Vught werd hij weer vrijgelaten. Ook Latuperisa belandde in Vught, maar met hem liep het slechter af.

Eddy Latuperisa, kapitein in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, had zich na de overgave direct aangesloten bij het verzet. Hij trad toe tot de Ordedienst (OD), een groep van voornamelijk militairen die de basis wilde vormen van een nieuwe naoorlogse Nederlandse krijgsmacht. Ze gingen uit van een snelle geallieerde overwinning en verwachtten het machtsvacuüm te vullen dat de vertrekkende Duitsers zouden achterlaten. Al in het eerste oorlogsjaar ondernam en steunde de dienst spionage- en sabotageactiviteiten.

Kapitein Latuperisa stond in direct contact met een van de hoofdfiguren van de dienst, jonkheer Johan Schimmelpenninck. In diens opdracht organiseerde hij bridgeavonden, die in feite bedoeld waren ter rekrutering van cadetten en adelborsten. Met geld van Schimmelpenninck probeerde Latuperisa ook wapens en een wapenopslagplaats te regelen en hij was betrokken bij de poging van Peter Tazelaar, Herman Wiardi Beckman en Frans Goedhart om in de nacht van 17 op 18 januari 1942 vanuit Scheveningen naar Engeland te vluchten. De poging mislukte, Tazelaar ontkwam, de andere twee werden opgepakt. Twee maanden later werd ook Latuperisa aangehouden.

De gehele Ordedienst werd in rap tempo opgerold. Latuperisa werd met 89 anderen overgebracht naar Haaren, in Noord-Brabant, waar ze voor de Duitse krijgsraad verschenen in een proces dat de geschiedenis is ingegaan als ‘het Tweede OD-proces’. De aanklacht luidde: sabotage, hulp aan de vijand en Wortbruch. Dat laatste sloeg op de eed die de Nederlandse officieren op 15 juli 1940 hadden moeten afleggen, waarbij ze zworen geen vijandelijkheden tegen de Duitsers te ondernemen.

Tijdens het proces gaf de knil-kapitein toe dat hij zich had beziggehouden met de organisatie van jongeren, maar naar zijn zeggen alleen om hen van onbezonnen daden te weerhouden. Openbaar aanklager dr. Klump nam dit verhaal niet serieus, omdat Schimmelpenninck, ook onder de aangeklaagden, al te veel had verteld. Voor het hof was duidelijk dat Latuperisa zich had beziggehouden met illegale, anti-Duitse handelingen en dat hij zijn erewoord van officier had gebroken. Hij werd ter dood veroordeeld. Latuperisa droeg noch zijn vriend Schimmelpenninck noch de Duitsers een kwaad hart toe, zoals blijkt uit de laatste brief aan zijn gezin: ‘(…) ik ga, zonder enige vijand hier op aarde achter te laten. Wil dus zoo lief zijn in mijn kennissenkring deze woorden over te brengen. (…) Hier moest ik even nog een laatste groet met Schimmelpenninck wisselen. We zitten tegenover elkaar en kunnen elkaar van tijd tot tijd zien door een luikje dat openstaat.’ Latuperisa werd op 30 juli 1943 naar de Leusderheide gebracht en gefusilleerd.

Onder de Molukkers in het verzet waren ook vrouwen. Elly Soumokil en Evy Poetiray maakten deel uit van een groep Indonesische studenten die werkten voor de illegale pers, veelal joodse onderduikers steunden en betrokken waren bij aanslagen. ‘Ver van het vaderland leden we honger, kou en stonden we bloot aan de wreedheid van de fascisten’, schreef Poetiray in 1973. ‘Zonder enige reserves spraken wij onze solidariteit uit met het Nederlandse volk. Wij deden mee met de activiteiten van de ondergrondse, omdat we wisten dat de Nederlandse fascisten onder leiding van ingenieur Mussert zich niet in Duitsland bevonden maar in Indonesië. Het vernietigen van het fascisme betekende het vernietigen van de koloniale geledingen in Indonesië. De Indonesische jongeren in Nederland deden mee met sabotageaanvallen op distributiekantoren en in de illegale pers kregen we ruimte om over de koloniale problemen te schrijven.’ Volgens Poetiray deden de Indonesische jongeren in de illegale kranten voortdurend een beroep op het geweten van Nederlanders, ‘die op dat moment zelf door de Duitsers onderdrukt werden en daarom meer openstonden voor de vrijheidsaspiraties van het Indonesische volk’.

De twee neven van Evy Poetiray, Donald en Henk Poetiray, wisten in de bezettingsjaren naar Zwitserland te vluchten, om zich bij de geallieerde troepen aan te sluiten. Een levensgevaarlijke onderneming, getuige de vlucht van Victor Makatita, een Molukse cadet van de Koninklijke Militaire Academie die door de Duitsers werd onderschept bij Dijon en ter dood werd gebracht.

De Molukse gemeenschap in Nederland kent ook een ambivalente verzetsheld. Jaap Tehupeiory werd keuringsarts en werkte samen met Duitsers en ‘foute’ Nederlanders. De keuringsartsen bepaalden welke jongemannen op transport werden gesteld voor de Arbeidseinsatz. Tehupeiory werd gemakkelijk aangenomen: in februari 1935 was hij lid geworden van de nsb. Na de oorlog verklaarde hij waarom: ‘Ik ben altijd een mensch geweest vóór de gezagshandhaving in de staat en de militaire weerbaarheid naar buiten. Ik stam af van Amboneezen, die altijd erg voor het Vaderland (Nederland – hk) zijn opgekomen en ik was altijd erg voor de eenheid van Nederland met Indië.’

Maar Tehupeiory’s gevoelens voor de nsb bekoelden snel: in juli 1935 gaf hij zijn lidmaatschap er weer aan. Bij de capitulatie in 1940 was hij zelfs woedend over de pro-Duitse houding van de beweging. Hij was inmiddels reserveofficier van gezondheid tweede klasse. Gek genoeg trad hij een jaar later wél toe tot het Medisch Front, dat bestond uit ‘foute’ artsen die met Duitsland sympathiseerden: ‘Vanwege mijn ras was ik bevreesd dat ik anders niet de noodige promotie kon maken.’ Hij maakte zelfs een reis naar Duitsland, maar wat hij daar zag en hoorde, versterkte zijn anti-Duitse houding.

In oktober 1942 werd Tehupeiory bij het Gewestelijk Arbeidsbureau in Den Haag te werk gesteld als ‘doorlichtingsarts’. Twee maanden later meldde hij zich opnieuw bij de nsb als ‘sympathiserend lid’, maar dit keer op verzoek van de illegaliteit. ‘Toen de groote arbeidsinzet kwam (…) heb ik veel mensen ten onrechte, doch in het belang van de goede zaak, afgekeurd. Van de tien te keuren menschen werden zes menschen door mijn toedoen en door andere illegale maatregelen, al zoo thuisgehouden; de overige vier gingen vaak voor de schijn weg. Op het laatst was het zoo goed geregeld, dat alleen de allerdomste menschen, die men niets aan het verstand kon of durfde brengen nog naar Duitschland gingen. Wanneer de menschen bij mij ter keuring kwamen wist ik terstond, waar ik mij, bij den desbetreffende, aan te houden had. Alles was met de menschen, op de aan de keuringen voorafgaande dagen, met den dominee of pastoor en andere menschen van de illegaliteit besproken. (…) Dat alles heb ik gedaan om weer goed te maken wat ik eerst verkeerd gedaan had.’

Tehupeiory’s relaas werd na de oorlog door A.M. Luijk, districtscommandant van de Binnenlandsche Strijdkrachten, op waarde geschat. Luijk schreef op 25 mei 1945 ‘dat dr. Tehupeiory, als keurend arts bij het GAB te ’s Gravenhage in nauwe samenwerking met de illegaliteit opzettelijk sabotagedaden verrichtte inzake arbeidsinzet; zijn werk is van onschatbare betekenis geweest bij ons streven de Duitsers ook op administratief gebied te dwarsbomen.’ De ‘overlevende leden’ van de verzetsgroep ‘Gewestelijk Arbeidsbureau’ verklaarden dat Tehupeiory zich door zijn activiteiten in voortdurend levensgevaar bevond en dat ‘hij door zijn persoonlijke moedigen inzet, buiten de echte en twijfelachtige ziektegevallen, ruim tienduizend gezonde jongemannen voor den “Arbeitseinsatz” heeft afgekeurd’.

Tehupeiory werd voorgedragen voor een onderscheiding. Uiteindelijk werd dat het ‘gewone’ verzetskruis, geen hoge onderscheiding – waarschijnlijk vanwege zijn nsb-verleden. Het kan ook te maken hebben met andere kwalificaties in zijn dossier, als: ‘Halfbloed, met de bekende achterbaksche eigenschappen.’

Met dank aan het Nationaal Archief, het KITLV en het Moluks Historisch Museum

Bijschrift: 01-V-teken. 1941, een Nederlandse tuin. Links Ietje Kikijuluw, naast de heer Loohuizen, zittend mevrouw Loohuizen-Noya, achter haar Ans Poetiray, Keetie Müller en Harry Loohuizen. Geheel voor: Pim Nikijuluw die later in het ‘Oranjehotel’ belandt; geheel achter Fons Loohuizen die na zijn vlucht uit Nederland vlieger wordt bij de marineluchtvaartdienst en in 1944 boven Frankrijk wordt neergeschoten