Sport

Momenten

Het was het WK van de momenten. Talloze momenten. Veel meer dan voorheen. Dat komt doordat meer dan voorheen alles werd getoond en vastgelegd. Alles was zichtbaar. Tientallen camera’s om het veld, in de doelen, in het net, in de cornervlag, in de schoen van de grensrechter – niets bleef verborgen.

Dat heeft gevolgen. Vraag maar aan Zinedine Zidane.

Het was een WK vol teleurstellende en beschamende momenten. De elleboog van De Rossi. De trap in het kruis door Wayne Rooney. De tranen van huilebalk Christiano Ronaldo. De dikke Ronaldo. De nog dikkere Diego Maradona op de tribune, als de eerste de beste supporter gekleed in het Argentijnse shirt met nummer 10 erop, zijn eigen nummer van toen. Beckham die staat te kotsen. Podolski die na een doelpunt juicht als een aap. Nederland-Portugal. De gebaartjes van Arjen Robben. De nabeschouwingen op televisie, waarbij de commentatoren laten zien hoe ver ze in de derrière van populaire sporters durven kruipen. En Danny Blind met zijn dodelijke saaiheid de kijkers «een stukje» in slaap praat.

Ook de finale bracht een paar min of meer gedenkwaardige momenten. De strafschop van Zidane. De aftocht van Zidane. En na afloop: Gattuso die zijn broek uitdeed. Camoranesi die zijn paardenstaart liet afknippen, op een stoel midden op het veld. Een stapel juichende Italianen, schreeuwend en brullend en hun kapsels zomaar ruïnerend.

De huldiging. Het uitreiken van de medailles aan de Fransen. Zidane was afwezig. Wel was er een man, een bobo, vlak bij Franz Beckenbauer. De spelers liepen één voor één langs de hoge heren en kregen een medaille en een ferme handdruk van de Kaiser. Naast Beckenbauer stond een kleinere man, type bestuurder. De eerste speler van Frankrijk die zich meldde, pakte hij met twee handen vast, keek hem diep in de ogen, trok hem naar zich toe en omhelsde hem innig. Zeker een oude bekende, dachten we. Bij de tweede Fransman deed hij hetzelfde. Hij pakte zijn hoofd, drukte het tegen zich aan en hield het even zo vast. Die kende hij waarschijnlijk ook. De derde vice-wereldkampioen keek hij met tranen in de ogen aan, de bobo, en greep hem, in een diepe, diepe omhelzing. En zo ging het door. De hele rij spelers werd door de man in de armen genomen en bij de kop gepakt en in de wang geknepen en in de billen en omhelsd alsof ze gingen emigreren. Wie de man was, wist niemand.

Zidane was in de catacomben. Zijn afgang was tragisch. Tien jaar geleden zou zijn kopstoot niet zijn opgevallen, nu was het onmogelijk hem niet te zien. Gelaten liep Zidane van het veld, tergend dicht langs de wereldbeker, zonder die een blik waardig te keuren.

Wereldwijd treurde men om zijn einde. Want in de dagen voor de finale was Zidane opgepompt en opgeblazen als de laatste Grote Speler, de enige echte Vedette die het voetbal nog rijk was. En als een ballon die knapte, barstte de illusie van de laatste Mooie Voetballer. Op wie iedereen gehoopt had.

Want op wie anders moesten we hopen? Er waren geen anderen. Ronaldo was te dik en te sloom. Ronaldinho was slachtoffer van een laffe coach. Messi idem dito. Christiano Ronaldo bleek te weinig een vent. Beckham was zichzelf niet. Ballack was te moe.

Dus hadden we Zidane. Hij werd geen held, maar schlemiel. Slachtoffer van het Italiaanse zuigen. Van de camera. De zichtbaarheid. Er zijn momenten dat de camera’s even uitgeschakeld zouden moeten worden. Uit piëteit.

En dan moeten ze net op tijd weer worden ingeschakeld om te kunnen registreren hoe de Italianen, een jubelende Camoranesi met wapperende haren voorop, Gattuso zonder broek er achteraan, juichen om de overwinning, terwijl de bobo-man reservespelers staat te omhelzen – en hoe dan Zinedine Zidane uit de catacomben komt, langzaam, statig en soeverein de trap naar het veld beklimt, rustig rondkijkt, een machinegeweer ontgrendelt en vanuit de heup om zich heen begint te schieten.