‘Die kalmte, dat zelfbewuste uitzien naar de dood’

Mon Ami

Eind mei overleed de Amsterdamse schrijver en uitgever Johan B.W. Polak. Een van zijn opvallendste eigenschappen als uitgever was zijn vermogen een intieme en tegelijke strenge relatie met zijn auteurs te onderhouden. Zoals met Marguerite Yourcenar. Op 14 maart sprak hij in de Literaire Salon te Leiden over zijn persoonlijke band met de Frans-Amerikaanse schrijfster.

‘Er zijn dingen die je niet kunt zeggen, vooral omdat je er derden mee kunt bezwaren. Ik denk dat je heel voorzichtig moet zijn met het verstrekken van biografische gegevens. In het leven van Yourncenar zijn veel merkwaardige dingen voorgekomen, dingen die voor mijn gevoel niet rijp zijn voor onthulling. Ik vind de biografie van Savignau, die ik zeer bewonder, erg ver gaan. Er staan bepaalde dingen in die ik redelijk indiscreet vind. Ik kan daar iets over zeggen. Toen Yourcenar overleed, zijn er kennelijk brieven van mij gevonden. Ik heb met haar nogal veel gecorrespondeerd en ik ben toen vanuit Parijs en Toulouse gebeld of ik voor de televisie wilde komen. Dat heb ik geweigerd. Ik zei: ik heb niets mede te delen. Ik ben een groot bewonderaar van haar werk, maar ik spreek noch Frans, noch Engels, noch Duits en dus kan ik beter niet verschijnen. Ik ben ervan overtuigd dat men op bepaalde brieven van mijn in wilde haken. Ik vond daarvoor de tijd helemaal niet gekomen.’

Vindt u in het algemeen dat men enige tijd moet laten verstrijken na het overlijden van de betrokken personen voordat men zaken openbaar maakt, dus bijvoorbeeld zoals Geert van Oorschot deed, die bij testament daarvoor een periode van vijf jaar heeft vastgelegd?
‘Dat vind ik rijkelijk kort. Vooral voor een die man die openhartig was - en niet altijd even fijnbesnaard - als Van Oorschot. Maar uiteindelijk hangt het ervan af hoe de mensen die erin worden genoemd, erop reageren. De een vindt het erg, de ander niet. Mij zou het niks kunnen schelen hoe ik word neergezet, maar vijf jaar vind ik rijkelijk kort, hoor. Eigenlijk is vijftig jaar helemaal niet overdreven.’

Kleven er sowieso niet ernstige bezwaren aan het verhandelen van privébezit, zoals bijvoorbeeld nu gebeurt met de briefwisseling tussen u en Gerard Reve?
‘Ja, het is natuurlijk een probleem. Als je de gewoonte hebt veel te verscheuren gaat er veel verloren. Ik zou bijvoorbeeld graag de briefwisseling tussen Hendrik de Vries en Slauerhoff willen hebben. Die is indertijd door Hendrik de Vries verscheurd, als ik het wel heb. En u kent ongetwijfeld het geval van de correspondentie tussen Lenin en Herman Gorter. De brieven van Gorter liggen in het Kremlin, de brieven van Lenin zijn zoek. Lange tijd heeft men gedacht dat de joden - ik moet zeggen: de zionisten - deze brieven hebben zoekgemaakt, maar Gorter heeft ze gewoon verscheurd. Gorter bewaarde niks. Daar valt iets voor te zeggen, maar daardoor os het wel moeilijk om later een precies beeld te geven van de rol die Gorter heeft gespeeld bij het ontstaan van het communisme in Rusland, want die ik waarschijnlijk groter dan wij nu weten. In ieder geval weten we dat de brochure Die Kinderkrankheit des Kommunismus tegen Gorter was gericht. Dat is geen kleinigheid - Gorter werd kennelijk door Lenin zo serieus genomen dat hij het nodig vond om een brochure tegen hem te schrijven. Maar omdat wij de correspondentie niet hebben, kunnen we al die dingen niet verifiëren.’

Als betrokkene is men natuurlijk erg afhankelijk van de omzichtigheid van de - in dit geval - geadresseerde.
‘Ja. Het is moeilijk. Yourcenar heeft toch wel meer bewaard dan zij zelf voorgaf te bewaren. Maar er is nog een tweede. Er is dat mooie verhaal dat zij heeft verteld en dat ook wordt beschreven: ze kreeg na de oorlog een kist toegestuurd uit Zwitserland. Ze leest bij de haard al die dingen en ze verbrandt ze, gooit ze allemaal in de haard. En dan krijgt ze een klein getikt velletje onder ogen en daar staat op: “Cher Marc.” Ze denkt: Marc, Marc, Marc… Ze kan zich de naam niet herinneren en dan ziet ze ineens dat ze het begin van Hadrianus’ gedenkschrift in handen heeft en voelt ze dat ze het boek hoe dan ook moet schrijven. Dat overkomt haar in 1947, en in 1951 verschijnt haar boek Hadrianus’ gedenkschriften. Als zij dat velletje niet had gehad, had ze misschien het boek nooit geschreven. Het is een heel mooie anekdote, too good to be true, maar het zal wel waar zijn.

Heeft u haar beter leren kennen na persoonlijk contact?
Ja, inderdaad. We hebben over heel veel dingen gesproken. Dat is ook het grote probleem. Ik heb haar ooit een uitvoerige brief geschreven - die moet dus gevonden zijn na haar dood - over een derde. Ik schreef haar iets in de trant van “Il me faut vous avertir pour cette ange des morts” - ik moet u waarschuwen voor deze doodsengel. Ze schreef me later, een jaar erna - ze tutoyeerde mij, maar ik heb, maar ik heb haar nooit getutoyeerd - “Hoe kon jij weten dat deze man een doodsengel was? Ik ben door hem in levensgevaar gekomen.” Ik ben niet bereid om te onthullen wie het was. De man is geloof ik dood. Het was een jonge man.“

Is dat in de biografie traceren?
‘Nee, dat is in de biografie niet te traceren, want de jongeman in kwestie wordt niet genoemd. Ik heb het nog gecheckt.’

Zelf wijst ze verschillende keren een al te naïve interpretatie van het autobiografische in haar werk af. Kunt u zich dat voorstellen?
‘Ja, ik denk het wel. Ik heb bijvoorbeeld grote bewondering voor Flaubert, hij is nooit in zijn werk terug te vinden. Er zullen natuurlijk wel elementen van Flaubert in bepaalde figuren zitten, maar ik heb ze nooit gevonden. Ik geloof ook dat dat erg goed is. Ik denk dat onze eigen literatuur een betrekkelijk schrale literatuur is geworden doordat iedereen almaar over zichzelf schrijft. Dat kan overigens ook heel goede literatuur opleveren - Gerard Reve is daar een voorbeeld van, die heeft alleen zichzelf uitgebeeld, maar dat is dan ook een groot, groot genie, die kon dat, maar je moet het niet te vaak doen en niet te veel. Hermans heeft dat voor mijn gevoel niet gedaan, althans veel minder, en die is ook een groot schrijver geworden. Ik vind het een gevaarlijke beperking als je altijd van je eigen persoon uitgaat.’

Marguerite Yourcenar was een eigenzinnig en onafhankelijk mens. Ze heeft zich, toen het Franse existentialisme furore maakte, ook weinig aangetrokken van die toentertijd uiterst populaire stroming. Is dat de ware wijsheid van een schrijver?
‘Nee, Yourcenar had de pest aan die Franse schrijvers, ze vond hen lamzakken, dat heeft ze me weleens gezegd. Ze vond dat ze zich in de oorlog slecht hadden gedragen. En de Fransen hadden op hun beurt de pest aan Yourcenar, dat Amerikaanse vrouwtje, wat moest dat bij hen in de literatuur? Die Fransen zijn zo xenofoob, ze vonden haar helemaal niks. Dat heeft natuurlijk Yourcenars bekendheid wel kwaad gedaan, maar dat kon haar noet zoveel schelen.’

Haar vader, Michel de Crayencourt, is een belangrijke figuur geweest in haar leven. Heeft u met haar over de betekenis van de vader besproken?
‘Ik heb nooit zo erg geloofd in de belangrijkheid van die vader. Ik heb dat altijd een beetje mythomanie gevonden. Ik heb er nooit met haar over gesproken en ze heeft er ook nooit een woord over gezegd. Ik heb de eer gehad bij haar thuis te zijn geweest, maar ik heb daar ook geen enkel portret van haar vader ontdekt. Ik vond het erg indiscreet om ernaar te vragen. Die vader moet toch wel een curieus heer zijn geweest, want zijn dochter is nooit naar school gegaan. Ze heeft zichzelf alles moeten bijbrengen, ze was een zéér geleerde vrouw.

Het zou iets zijn voor een nieuw boek om eens te kijken hoe die relatie vader-dochter is geweest. In haar werk zit dat ook niet, en ook moeders ontbreken daar trouwens. Het gekke is dat de hoofdfiguren in haar boeken eigenlijk nooit vaders hebben. In Hadrianus’ gedenkschriften wordt helemaal niet over vaders gesproken. Ik geloof dat een neef of een oom hem opvoedt. Zeno, dat is een bastaard, die heeft ook geen vader, dat is heel wonderlijk.

Terwijl juist die hoofdfiguren zulke vaderlijke gevoelens hebben. Ik herinner mij dat ik eens met haar sprak over een bepaalde passage, ik geloof dat die ”De ontmoeting in Innsbrück“ heet. Daar komt Zeno bij het logement waar hij zijn intrek heeft genomen, en dan komt zijn bediende, zijn schildknaap niet tevoorschijn. Die blijkt net aan de pest te zijn overleden. Ik kende vroeger zulke passages uit het hoofd en citeerde die in het Frans en barstte daarbij in snikken uit. Ik kon het niet omschrijven, ik vond het zo mooi, zo aangrijpend, en toen zij mijn hand en zei: ”Mon Ami.“ Daarna hebben we lang over die passage gesproken. Daar zie je nu inderdaad die emotie van het vaderlijke gevoel van Zeno ten opzichte van die jongen, die plotseling dood is. Het is zo mooi. Het heeft, merkwaardig genoeg, zo vaak haar diepste emoties verstopt. Dat is heel interessant, dat maakt haar werk ook zo en boeiend.‘

Iemand heeft ooit Marguerite Yourcenar, Gertrude Stein en Hannah Arendt de drie intelligentste vrouwen genoemd die hij ooit in zijn leven had ontmoet. Hij zei dat het bij alle drie opvallend was dat hun liefde voor dubbelzinnigheid gepaard ging met een verbluffend scherpe blik.’
‘Hannah Arendt is toch een heel andere vrouw. Zij had een uitgesproken Duitse achtergrond en heeft zich uitsluitend met politiek en filosofie beziggehouden. Ik heb grote bewondering voor haar en heb alles van haar gelezen, maar ze was een volkomen ander mens dan Yourcenar. Hannah Arendt was in de laatste decennia van haar leven een buitengewoon ijdele en eigenwijze tante. Laat ik het nou maar eerlijk zeggen - in haar boek The Banality of Evil, over Eichmann, zaten een aantal ernstige fouten. Ik heb haar daar ooit een brief over geschreven - ik was natuurlijk een blaag, maar ik was op de hoogte, mag ik wel zeggen. Ze was daar woedend over. Maar er klopte echt niets van. En dat zou bij Yourcenar nooit zo zijn geweest. Bij Yourcenar klopte echt alles. Als je bij Yourcenar eens een keer als uitgever iets zei, dan viel daar over te discussiëren.’

Kunt u ook iets zeggen over de invloed van het boeddhisme op Yourcenar?
‘Dat was vooral in de laatste jaren van haar leven. Ze had allerlei boeddhistische tabletten gekocht. Er is zo'n prachtig verhaal in Vertellingen uit het Oosten over de schilder die in zijn eigen schilderij verdwijnt. Maar die Vertellingen uit het Oosten dateren van vóór en vlak na de oorlog, dus het boeddhisme moet haar al eerder hebben beziggehouden. Ik denk dat speciaal de eerbied voor dieren, de verdraagzaamheid, de meditatie en vooral dat in het niets verdwijnen haar aansprak. Ook dat rustig kijken naar de dood, er niet bang voor zijn, hem met open ogen ondergaan. Ze heeft mij er nooit echt iets over medegedeeld, ik heb haar er ook niets over durven vragen. Ze was wel dol op India, dat vond ze prachtig, Nepal ook. "Ik ben nu in zo'n gek kasteel, kun jij daar niet even komen, dan vieren we daar groot feest voor de hele buurt.” Enfin, dat is er nooit van gekomen, dat was een dol plan.

Ze is ook in Japan geweest. Ik was eigenlijk wel erg bezorgd, ze was toen al niet zo goed meer. Ik heb haar toen geschreven: “Moet dat nou zo nodig?” En toen ging ze ook nog ineens naar Kenia. Daar kreeg ze een ongeluk met een auto, het was een wonder dat ze het overleefde. Ik weet nog dat ik toen met de grootste moeite de ambassade aan de telefoon kon krijgen. Naar ze heeft het allemaal overleefd en hupsakee, met stok en al liep ze weer rond. Toen is ze ook op Texel geweest. Ze was al hoogbejaard. Ik was daar echt boos over. Ze wou per se voor haar verhaal “Une belle matinée” Texel zien.’

Dat verhaal was toch aan u opgedragen?
‘Ja. Een grote eer. Maar op Texel heeft een klein botje in haar heup gebroken. Toen werd ik werkelijk boos. Ik heb toen gezegd: “Mevrouw, hoe komt u erbij om, als u hier een vriend hebt, alléén naar Texel te gaan. Ze zei toen: "Ik heb toch mijn chauffeur bij me.” Gelukkig heb ik mijn dokter bij haar kunnen krijgen. Het is toen allemaal goed afgelopen. Maar dat ongeluk in Nairobi was verschrikkelijk, dat was werkelijk een dubbeltje op z'n kant. Ze had een hele zware hoofdwond.

Al dat reizen kwam vooral voort uit haar fascinatie voor het Oosten. Ik denk dat als ze langer had geleefd, ze misschien nog wel eens een roman zou hebben geschreven over iets met dat boeddhisme. Dat leefde heel sterk bij haar. Het boeddhisme kent natuurlijk ook geen inquisitie. Je kunt als jood of christen tegelijk boeddhist zijn. Dat vond ze erg mooi. Vooral die kalmte, dat zelfbewuste uitzien naar de dood. Het is ook een ongelooflijk mooi geloof, of een sympathieke levenshouding, hoe moet je het noemen…’