De spelers van het Duitse elftal vooraf aan de wedstrijd tegen Japan op het WK, 23 november ©  Ina Fassbender/ AFP

Het statement werd niet spontaan gemaakt, het was van tevoren besproken en misschien wel geoefend – zo strak zag het eruit. De teamfoto’s waren net gemaakt, de wedstrijd tegen Japan stond op het punt van beginnen, en toen legden de elf Duitse spelers precies tegelijk hun hand op hun mond. Van de veelbesproken regenboogarmband hadden ook zij afgezien, dit was ervoor in de plaats gekomen. Mond gesnoerd.

Gisteren reageerde de Belgische middenvelder Eden Hazard – die op het vorige WK een van de allerbeste spelers was en nu, tijdens een stroperig potje tegen Canada, vooral vermoeid over het veld sjokte – op het gebaar van Duitsland. ‘Het was beter geweest als ze het niet hadden gedaan en hadden geprobeerd te winnen. We zijn hier om te voetballen. Ik ben hier niet om een politieke boodschap te verspreiden.’

Een dubieuze uitspraak, hij leek bijna bewust onsympathiek. Ik stelde me voor hoe Hazard, die een reputatie heeft van sarren en zuigen, had nagedacht hoe hij de Vlaamse deugers en de Duitse verliezers kon treffen – of haal ik me dingen in het hoofd en meende hij dit gewoonweg, zonder verdere bijbedoelingen? Vooral de achterliggende aanname van Hazards woorden was verwonderlijk: wie bezig is met politiek, leidt zichzelf blijkbaar af van presteren op een grasveld. Daarbij leek hij te vergeten dat zijn woorden natuurlijk al politiek waren, zoals mensen die het leed en de corruptie rondom dit WK bagatelliseren voortdurend zelf politieke uitspraken doen.

Sport is immers altijd politiek, ook los van Qatar.

Voetbal is oorlog, filosofeerde Rinus Michels ooit in een interview met het Algemeen Dagblad – iets wat George Orwell en W.F. Hermans daarvoor in iets andere bewoordingen ook al hadden beweerd. Er vallen volop verbanden te leggen tussen dictatoriale bewinden en grootschalige sportevenementen, en er kan moeilijk te vaak op gewezen worden: de manier waarop voetbal Mussolini in de jaren twintig in het zadel hielp, de propagandistische Berlijnse Olympische Spelen van 1936, de groots opgezette en krankzinnige sportwashing die nu aan de gang is in Qatar.

Maar ook op de vierkante meter zijn sporttoernooien onvermijdelijk politiek. Dit WK valt het op hoe moeilijk veel Europese landen het hebben en hoe gretig die tegenslagen worden gevierd. Tunesië vierde een fel verdedigde 0-0 tegen Denemarken als een triomf. Na het mond gesnoerd verloor Duitsland tot haar eigen verbazing van een gretig, opgeleefd Japan. Naast Hazard slenterden andere voormalig Belgische wereldspelers verdwaasd over het veld. De vorige WK-finalist Kroatië bleef steken bij een 0-0 tegen een beter, fanatieker Marokko. Iran won in een emotioneel beladen wedstrijd van Wales. En voetbalgrootmacht Argentinië verloor van een extreem gedisciplineerd Saudi-Arabië, waarna in Saudi-Arabië van vreugde zelfs prompt een nationale vrije dag werd afgekondigd.

Er is sprake van een opschudding van de traditionele rolverdelingen binnen de sport. Veel landen die decennia werden weggespeeld – en meer dan eens ook los van het veld zijn onderdrukt – slaan terug; niet direct via de politiek, maar via de omweg van het voetbalveld. In een podcast hoorde ik het een paar dagen terug iemand treffend hebben over de dekolonisatie van het voetbal die op dit WK plaatsvindt.

De wedstrijd van Nederland tegen Ecuador, gisteravond, past hierbij. Het was een slepend potje, welbeschouwd een langgerekt pleidooi voor twee minuten durende samenvattingen in plaats van zulke oeverloze live-vertoningen – deze anderhalf uur krijg ik niet meer terug, dacht ik meermaals. Het Nederlands elftal had in de gehele WK-historie nog nooit zo weinig geschoten als nu tegen Ecuador. (Leuke munitie voor een trivia-vraag. Andere vraag, over de anderhalf uur tijdverspilling van de dag ervoor: wat was de eerste WK-wedstrijd ooit waarbij geen enkele keer op doel werd geschoten? Inderdaad: Zuid-Korea tegen Uruguay.)

Zoals vaker was het interessantste aan de vertoning tegen Ecuador de taal die eromheen werd uitgesproken. Virgil van Dijk herhaalde maar weer eens dat ze ‘vergaten te voetballen’. Rafaël van der Vaart solliciteert vanuit zijn studiostoel steeds opzichtiger naar de reputatie van gewone man; schor en innemend lomp zei hij dat dit Nederland ‘heel, heel matig’ was, dat zij feller waren, dat we niet ver gaan komen.

We, zij: zulke taal wordt bij politieke debatten doorgaans gehekeld, in de wonderlijke tak van de voetbalanalytici op tv zijn zulke generalisaties nog altijd de norm.

Het interessantst was wat maarschalk Louis van Gaal zei. Voor de wedstrijd had hij al verklaard dat Nederland geen politiek statement zou maken. Er was waardering voor de Duitse actie, zeker, maar nu wilde hij zich richten op voetbal. In zekere zin droeg hij dus het idee van Hazard uit, zij het in minder felle bewoordingen. Na afloop keek hij als een wat bedremmelde ouder die na een vermoeide werkdag thuiskomt. 1-1, tja, kon slechter, kon beter, het was allemaal moeizaam. Van Gaal wrong zich in een paar bochten om op hetzelfde moment kritisch te zijn en zijn spelers niet af te vallen. Ecuador was feller, beaamde hij uiteindelijk. ‘Maar dat heeft niets met willen te maken. Dat heeft met de cultuur van het land te maken.’

Aha. De ene cultuur tegen de andere, dat was kennelijk wat hier gebeurde – wat tijdens dit toernooi weken achtereen gebeurt. En dit alles natuurlijk als onderdeel van dat wat weleens liefdevol de voetbalcultuur of het spelletje wordt genoemd, die wereldvreemde miljardenindustrie die zich steeds krampachtiger probeert te vermommen als simpel volksvermaak.

In dit blog doet De Groene komende weken verslag van het WK in Qatar – verslag van mensenrechten, misstanden, het mediacircus en misschien soms voetbal.